Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
8

Verdrijving van de demon

81Toen ze klaar waren met de maaltijd en het tijd was om naar bed te gaan, brachten Raguel en Edna de jongeman naar de kamer. 2

8:2
Tob. 6:17
Tobias, die Rafaëls aanwijzingen goed onthouden had, nam de lever en het hart van de vis uit zijn reistas en legde ze op de brandende wierook. 3De demon deinsde terug voor de stank en vluchtte weg, tot diep in Egypte. Rafaël achtervolgde hem tot daar, overmeesterde hem en bond hem onmiddellijk vast.

4

8:4
Tob. 6:18
Nadat Edna en Raguel de kamer hadden verlaten en de deur hadden gesloten, stond Tobias op van het bed en zei tegen Sara: ‘Sara, laten we bidden en onze Heer vragen of hij zich over ons ontfermt en ons beschermt.’ 5
8:5
Ps. 148:1-14
Toev.Dan. 1:3
Ook zij stond op, en samen baden ze om ontferming en bescherming. Tobias sprak: ‘Geprezen bent u, God van onze voorouders, geprezen zij uw naam tot in alle eeuwigheid. Laat de hemel en heel uw schepping u voor eeuwig en altijd prijzen. 6
8:6
Gen. 2:7,18
U hebt Adam gemaakt en hem zijn vrouw Eva als helper en metgezel gegeven, en uit hen is heel de mensheid voortgekomen. U hebt gezegd: “Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.” 7Ik zeg u dat ik deze vrouw niet uit begeerte heb getrouwd, maar omdat ik trouw aan uw wet wil zijn. Toon ons uw barmhartigheid en laat ons samen oud worden.’ 8Hierop zeiden ze gezamenlijk: ‘Amen, amen.’ 9Toen sliepen ze met elkaar.

Intussen stond Raguel op en riep zijn slaven bij zich om een graf te delven, 10want hij dacht: Stel je voor dat deze ook is omgekomen. Als dat bekend wordt, worden we door iedereen bespot en uitgelachen. 11Toen het graf gedolven was, ging Raguel weer zijn huis in. 12Hij vroeg zijn vrouw een slavin te laten komen; die moest gaan kijken of Tobias nog leefde. ‘Als hij dood is moeten we hem meteen begraven,’ zei hij tegen Edna, ‘dan komt niemand het te weten.’ 13Ze ontstaken licht, openden de deur en stuurden de slavin naar binnen. Die zag dat Tobias en Sara sliepen. 14Ze kwam weer naar buiten met het bericht dat Tobias leefde en dat alles in orde was. 15Toen prezen Raguel en Edna de God van de hemel. Raguel sprak: ‘Geprezen bent u, God, met ieder zuiver loflied. Laat iedereen u voor eeuwig en altijd prijzen. 16Geprezen bent u om de vreugde die u mij geschonken hebt. Wat ik vreesde is niet gebeurd; u hebt ons uw grote barmhartigheid betoond. 17

8:17
Tob. 3:15
6:15
Geprezen bent u omdat u zich hebt ontfermd over deze twee kinderen, die geen broers of zusters hebben. Heer, blijf u over hen ontfermen en bescherm hen, schenk hun tot aan hun dood vreugde en barmhartigheid.’ 18Na deze woorden gaf Raguel zijn slaven opdracht het graf dicht te gooien, nog vóór het licht werd.

19Raguel vroeg zijn vrouw een groot aantal broden te bakken. Zelf ging hij naar zijn kudde en zocht twee runderen en vier rammen uit. Hij gaf opdracht die te slachten en voor het bruiloftsfeest te bereiden. 20Hij riep Tobias bij zich en zei: ‘Deze bruiloft zal veertien dagen duren. Ik sta erop dat je al die tijd blijft. Eet en drink met ons, dan maak je mijn dochter, die zo veel geleden heeft, gelukkig. 21Bij je vertrek geef ik je alvast de helft van mijn bezit mee. Zorg ervoor dat je gezond bij je vader terugkomt. De andere helft krijgen jullie wanneer mijn vrouw en ik gestorven zijn. Je hoeft je dus nergens zorgen over te maken. Ik ben je vader, Edna is je moeder en jij en Sara liggen ons na aan het hart. Dat zal altijd zo blijven, dus maak je nergens zorgen over.’

9

Rafaël naar Gabaël in Rages

91Hierop zei Tobias tegen Rafaël: 2

9:2
Tob. 4:20
5:3
‘Azarias, neem vier slaven en twee kamelen en ga naar Gabaël in Rages. Laat hem het ontvangstbewijs zien, neem het geld mee en nodig hem uit voor de bruiloft. 3-4Je weet dat mijn vader de dagen telt tot ik terugkom; ik doe hem veel verdriet als ik ook maar één dag te lang wegblijf. Maar je weet ook wat Raguel gezworen heeft, en daar kan ik me niet zomaar aan onttrekken.’ 5Dus reisde Rafaël met de slaven en kamelen naar Rages in Medië, waar Gabaël hem gastvrij ontving. Rafaël liet hem het ontvangstbewijs zien en vertelde hem dat Tobits zoon Tobias net was getrouwd en Gabaël uitnodigde voor de bruiloft. Gabaël haalde toen de verzegelde zakjes met het geld en telde ze voor Rafaël uit. Vervolgens bonden ze de zakjes op de kamelen.

6De volgende ochtend gingen ze al vroeg op weg naar het bruiloftsfeest. Toen ze het huis van Raguel binnenkwamen, zat Tobias juist aan het feestmaal, maar hij sprong op om Gabaël te begroeten. Deze zegende Tobias met tranen in zijn ogen. Hij zei: ‘Je bent een goede en waardige zoon van een goed en rechtschapen man, van een rechtvaardig mens die veel goeds voor anderen heeft gedaan. Moge de Heer je vele zegeningen van de hemel schenken, en ook je vrouw, en de vader en de moeder van je vrouw. God zij geprezen, ik zie mijn neef Tobit voor me staan, zo veel lijk je op je vader!’

10

De terugkeer van Tobias

101Tobit telde de dagen die nog moesten verstrijken tot Tobias van zijn reis zou terugkeren. Toen ze voorbij waren en zijn zoon er nog niet was, 2zei hij: ‘Hij wordt daar misschien opgehouden, of misschien is Gabaël gestorven en kan hij bij niemand het geld innen.’ 3Toch begon hij zich zorgen te maken. 4Maar Anna zei: ‘Mijn kind leeft niet meer, hij is omgekomen,’ en ze barstte uit in jammerklachten over haar zoon en begon te huilen. 5‘Ach jongen,’ snikte ze, ‘waarom heb ik je op reis laten gaan. Je bent het licht van mijn ogen.’ 6‘Stil nu maar,’ zei Tobit, ‘denk nu niet meteen het ergste. Hij maakt het goed. Ze zijn beslist door het een of ander opgehouden. Hij heeft een uitermate betrouwbare reisgenoot, iemand van ons eigen volk. Wees niet verdrietig, lieve vrouw, hij komt vast en zeker snel terug.’ 7

10:7
Gen. 24:54-61
45:26
Maar Anna voer tegen hem uit: ‘Wees liever zelf stil, en maak me niets wijs. Mijn kind is dood.’ Toch ging ze elke dag naar buiten en keek de weg af waarover haar zoon was afgereisd, en niemand kon haar weerhouden. Pas bij zonsondergang ging ze weer naar binnen, en ze huilde en jammerde dan de hele nacht, zonder in slaap te kunnen komen.

Raguel had gezworen dat het bruiloftsfeest van zijn dochter veertien dagen zou duren. Die waren intussen voorbij. Tobias ging naar hem toe met het verzoek: ‘Vader, laat me nu vertrekken. Het kan niet anders of mijn vader en moeder hebben de hoop opgegeven dat ze me ooit nog zullen zien. Daarom vraag ik u: laat me naar mijn vader gaan. Ik heb u verteld in wat voor toestand ik hem heb achtergelaten.’ 8‘Tobias, mijn zoon,’ antwoordde Raguel, ‘waarom blijf je niet bij ons. Ik stuur wel boden naar je vader om hem te vertellen hoe het met je gaat.’ 9Maar Tobias zei: ‘Nee, ik smeek u: laat me nu weer naar mijn vader gaan.’ 10Toen vertrouwde Raguel Sara aan Tobias toe en gaf hij hem de helft van zijn bezit: slaven en slavinnen, runderen en schapen, ezels en kamelen, kleding, zilver en vaatwerk. 11Hij nam afscheid van hen beiden en wenste hun alle goeds. Terwijl hij Tobias omhelsde zei hij: ‘Vaarwel jongen, heb een voorspoedige reis. Moge de Heer van de hemel jou en je vrouw Sara een gelukkig leven geven. Ik hoop dat ik voor mijn dood jullie kinderen nog mag zien.’ 12En tegen zijn dochter zei hij: ‘Ga naar je schoonouders en beschouw hen vanaf nu als je eigen ouders. Het ga je goed, dochter. Ik hoop zolang ik leef niets dan goeds over je te horen.’ Met deze afscheidswoorden liet hij hen vertrekken. Edna zei tegen Tobias: ‘Lieve jongen, lieve zoon, moge de Heer je veilig en wel naar huis brengen. Ik hoop voor mijn dood jullie kinderen nog te zien. Ten overstaan van de Heer vertrouw ik je mijn dochter toe. Doe haar nooit verdriet. Het ga je goed, zoon. Vanaf nu ben ik je moeder en is Sara je vrouw. Moge de Heer ons allemaal een voorspoedig leven geven.’ Ze kuste Tobias en Sara en wenste hun een voorspoedige reis.

13Zo nam Tobias afscheid van Raguel: gezond en opgetogen. Hij prees de Heer van de hemel en de aarde, de koning van de wereld, omdat hij zijn reis had doen slagen. Hij zei tegen zichzelf: Je moet je schoonouders altijd in ere houden.