Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
6

61Toen droogde Anna haar tranen.

Naar Medië

2Tobias ging samen met de engel op weg. Zijn hond kwam achter hen aan. De eerste nacht sliepen ze bij de Tigris. 3Toen Tobias de rivier in ging om zijn voeten te wassen, dook er plotseling een grote vis uit het water op die naar een van zijn voeten beet. De jongen schreeuwde het uit, 4maar de engel riep: ‘Grijp die vis, laat hem niet ontsnappen!’ De jongen kreeg de vis te pakken en bracht hem op het droge. 5‘Snijd hem open,’ zei de engel, ‘en haal de gal, het hart en de lever eruit. Bewaar die goed, want het zijn goede medicijnen. De rest van de ingewanden kun je weggooien.’ 6Tobias deed dit, waarna hij de vis roosterde en er een deel van at. De rest zoutte hij in. De volgende ochtend reisden ze verder. Toen ze niet ver meer van Medië waren, 7vroeg Tobias aan de engel: ‘Azarias, waartegen zijn het hart, de lever en de gal van die vis een medicijn?’ 8De engel antwoordde: ‘Als iemand wordt gekweld door een demon of een boze geest, moet je het hart en de lever in zijn aanwezigheid verbranden. Dan vlucht de boze geest voor de stank en komt hij nooit meer terug. 9De gal moet je in de ogen van een blinde smeren; als je er dan op blaast kan hij weer zien.’

10Ze kwamen in Medië. Toen ze vlak bij Ekbatana waren, 11

6:11
Tob. 3:7
zei Rafaël tegen de jongen: ‘Tobias, luister.’ ‘Wat is er?’ vroeg Tobias. Rafaël zei: ‘We kunnen voor vannacht het beste onderdak zoeken bij Raguel. Die is familie van je. Hij heeft een dochter, die Sara heet. 12
6:12
Tob. 3:17
Verder heeft hij geen kinderen, Sara is zijn enige kind. Jij bent haar van iedereen het naast verwant en hebt dus het recht met haar te trouwen en haar vaders bezittingen te erven. Het is een verstandig, dapper en buitengewoon mooi meisje en haar vader is een goed mens. 13Het komt jou toe haar tot vrouw te nemen. Luister nu naar wat ik zeg. Ik zal vanavond met de vader over het meisje spreken en hem voor jou om haar hand vragen. Dan vieren we de bruiloft wanneer we terug zijn uit Rages. Ik weet dat Raguel haar jou niet kan weigeren of aan een ander kan beloven. Daar staat volgens het voorschrift in het boek van Mozes de doodstraf op. Het is hem bekend dat jij van alle mannen als eerste in aanmerking komt haar tot vrouw te nemen. Dus luister goed naar me: we zullen haar vanavond voor je ten huwelijk vragen, en zodra we terug zijn uit Rages nemen we haar mee naar je huis.’ 14
6:14
Tob. 3:8
Maar Tobias wierp tegen: ‘Azarias, ik heb gehoord dat ze al aan zeven mannen is uitgehuwelijkt en dat die allemaal in de huwelijksnacht zijn omgekomen toen ze in het bruidsvertrek waren. Ik heb begrepen dat een demon dat heeft gedaan. 15Ik ben bang. Haar doet hij geen kwaad, maar hij doodt elke man die bij haar probeert te komen. Als mij dat ook gebeurt zullen mijn vader en moeder van verdriet sterven. Ik ben hun enige zoon, ze hebben geen andere zoon die hen kan begraven.’ 16
6:16
Tob. 4:12-13
Rafaël antwoordde: ‘Je bent de geboden van je vader toch niet vergeten? Heeft hij je niet opgedragen met een vrouw uit zijn familie te trouwen? Maak je niet druk over die demon. Trouw met haar. Ik verzeker je dat ze je nog deze nacht tot vrouw gegeven wordt. 17Als je in het bruidsvertrek bent, moet je het hart en een stuk van de lever van de vis op de brandende wierook leggen. Als de geur zich verspreidt 18en de demon die ruikt, slaat hij op de vlucht, en dan komt hij nooit ofte nimmer meer bij haar terug. Maar voordat je met haar slaapt moeten jullie beiden tot de Heer van de hemel bidden. Vraag hem of hij zich over jullie ontfermt en jullie beschermt. Wees niet bang, want ze was al vóór het begin der tijden voor jou bestemd. Jij zult haar redden, ze zal met jou mee naar huis gaan. Je zult vast en zeker kinderen bij haar krijgen, en die zullen je steun en toeverlaat zijn. Dus maak je nergens zorgen over.’ Toen Tobias dit hoorde, toen hij Rafaël hoorde zeggen dat Sara tot de familie van zijn vader behoorde, vatte hij onmiddellijk veel liefde voor haar op. Vanaf dat moment was ze steeds in zijn gedachten.

7

Tobias en Sara trouwen

71Ze kwamen in Ekbatana aan. ‘Azarias,’ zei Tobias, ‘breng je me nu direct naar onze volksgenoot Raguel?’ De engel deed wat hij vroeg en ze troffen Raguel zittend bij de deur van de binnenplaats. Ze groetten hem, waarop hij hen teruggroette en hen hartelijk welkom heette. Hij nam hen mee zijn huis in. 2Tegen zijn vrouw Edna zei hij: ‘Wat lijkt die jongen veel op mijn neef Tobit!’ 3

7:3-5
Gen. 29:4-6
43:27-30
‘Waar komen jullie vandaan, broeders?’ vroeg Edna. Ze vertelden haar dat ze tot de stam Naftali behoorden en als ballingen naar Nineve waren gevoerd. 4
7:4
Tob. 1:1
‘Kennen jullie onze neef Tobit?’ vroeg Edna. ‘Ja, die kennen we,’ zeiden ze. ‘Gaat het goed met hem?’ wilde Edna weten. 5‘Hij leeft nog en maakt het goed,’ antwoordden ze, en Tobias zei: ‘Hij is mijn vader.’ 6
7:6
Gen. 33:4
45:14
Luc. 15:20
Raguel sprong op en kuste Tobias. 7Huilend zei hij: ‘God zegene je, je bent de zoon van een rechtschapen en goede vader. Wat is het toch verschrikkelijk dat zo’n rechtvaardig man, die zo veel goeds voor anderen heeft gedaan, blind moest worden.’ Hij omhelsde Tobias, zijn neef, terwijl de tranen hem over de wangen stroomden. 8Ook Edna moest om Tobit huilen en Sara, hun dochter, eveneens. 9Raguel liet een ram uit zijn kudde slachten en onthaalde hen gastvrij.

Nadat ze hadden gebaad en hun handen hadden gewassen, gingen ze aanliggen om te eten. Tobias fluisterde tegen Rafaël: ‘Azarias, vraag aan Raguel of hij me Sara tot vrouw geeft.’ 10‘Neef,’ zei Raguel – die Tobias’ vraag had gehoord –, ‘eet, drink en geniet van deze avond. Jij bent de enige man die het recht heeft met mijn dochter Sara te trouwen; ik mag haar alleen aan jou geven, want je bent mijn naaste familielid. Maar ik moet je de waarheid vertellen. 11Ik heb haar al aan zeven mannen uit mijn familie ten huwelijk gegeven, maar ze zijn allemaal in de huwelijksnacht gestorven. Geniet nu maar eerst van deze maaltijd, en moge de Heer jullie bijstaan.’ Maar Tobias hield voet bij stuk: ‘Ik eet en drink helemaal niets voordat u deze zaak met mij geregeld hebt.’ ‘Goed,’ gaf Raguel toe, ‘dat zal ik dan nu doen. Ik geef je haar overeenkomstig het voorschrift in het boek van Mozes. Het is zo besloten in de hemel. Neem haar tot vrouw. Vanaf nu ben jij haar man en is zij jouw vrouw; vanaf nu hoort ze voor altijd bij jou. Moge de Heer van de hemel jullie deze nacht behoeden. Laat hij zich over jullie ontfermen en jullie voorspoed geven.’

12Raguel liet toen zijn dochter komen. Hij nam haar bij de hand en gaf haar aan Tobias met de woorden: ‘Neem haar tot vrouw overeenkomstig het voorschrift dat is opgetekend in het boek van Mozes. Zorg goed voor haar en breng haar gezond bij je vader. Moge de God van de hemel jullie voorspoed en vrede geven.’ 13

7:13
Num. 36:6-8
Toen liet hij Sara’s moeder roepen, die hij om schrijfgerei vroeg. Hij stelde een huwelijkscontract op, waarin werd vastgelegd dat zijn dochter overeenkomstig het voorschrift in de wet van Mozes aan Tobias tot vrouw gegeven werd. 14Daarna begonnen ze aan de maaltijd. 15Raguel riep opnieuw zijn vrouw en zei: ‘Edna, maak de andere kamer in orde en breng Sara ernaartoe.’ 16Edna deed wat haar gevraagd was. Ze moest huilen toen ze Sara naar de kamer bracht, maar droogde haar tranen en zei: 17‘Wees flink, dochter. Moge de Heer van de hemel je deze keer geen verdriet maar vreugde geven. Wees flink.’ Toen verliet ze de kamer.

8

Verdrijving van de demon

81Toen ze klaar waren met de maaltijd en het tijd was om naar bed te gaan, brachten Raguel en Edna de jongeman naar de kamer. 2

8:2
Tob. 6:17
Tobias, die Rafaëls aanwijzingen goed onthouden had, nam de lever en het hart van de vis uit zijn reistas en legde ze op de brandende wierook. 3De demon deinsde terug voor de stank en vluchtte weg, tot diep in Egypte. Rafaël achtervolgde hem tot daar, overmeesterde hem en bond hem onmiddellijk vast.

4

8:4
Tob. 6:18
Nadat Edna en Raguel de kamer hadden verlaten en de deur hadden gesloten, stond Tobias op van het bed en zei tegen Sara: ‘Sara, laten we bidden en onze Heer vragen of hij zich over ons ontfermt en ons beschermt.’ 5
8:5
Ps. 148:1-14
Toev.Dan. 1:3
Ook zij stond op, en samen baden ze om ontferming en bescherming. Tobias sprak: ‘Geprezen bent u, God van onze voorouders, geprezen zij uw naam tot in alle eeuwigheid. Laat de hemel en heel uw schepping u voor eeuwig en altijd prijzen. 6
8:6
Gen. 2:7,18
U hebt Adam gemaakt en hem zijn vrouw Eva als helper en metgezel gegeven, en uit hen is heel de mensheid voortgekomen. U hebt gezegd: “Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.” 7Ik zeg u dat ik deze vrouw niet uit begeerte heb getrouwd, maar omdat ik trouw aan uw wet wil zijn. Toon ons uw barmhartigheid en laat ons samen oud worden.’ 8Hierop zeiden ze gezamenlijk: ‘Amen, amen.’ 9Toen sliepen ze met elkaar.

Intussen stond Raguel op en riep zijn slaven bij zich om een graf te delven, 10want hij dacht: Stel je voor dat deze ook is omgekomen. Als dat bekend wordt, worden we door iedereen bespot en uitgelachen. 11Toen het graf gedolven was, ging Raguel weer zijn huis in. 12Hij vroeg zijn vrouw een slavin te laten komen; die moest gaan kijken of Tobias nog leefde. ‘Als hij dood is moeten we hem meteen begraven,’ zei hij tegen Edna, ‘dan komt niemand het te weten.’ 13Ze ontstaken licht, openden de deur en stuurden de slavin naar binnen. Die zag dat Tobias en Sara sliepen. 14Ze kwam weer naar buiten met het bericht dat Tobias leefde en dat alles in orde was. 15Toen prezen Raguel en Edna de God van de hemel. Raguel sprak: ‘Geprezen bent u, God, met ieder zuiver loflied. Laat iedereen u voor eeuwig en altijd prijzen. 16Geprezen bent u om de vreugde die u mij geschonken hebt. Wat ik vreesde is niet gebeurd; u hebt ons uw grote barmhartigheid betoond. 17

8:17
Tob. 3:15
6:15
Geprezen bent u omdat u zich hebt ontfermd over deze twee kinderen, die geen broers of zusters hebben. Heer, blijf u over hen ontfermen en bescherm hen, schenk hun tot aan hun dood vreugde en barmhartigheid.’ 18Na deze woorden gaf Raguel zijn slaven opdracht het graf dicht te gooien, nog vóór het licht werd.

19Raguel vroeg zijn vrouw een groot aantal broden te bakken. Zelf ging hij naar zijn kudde en zocht twee runderen en vier rammen uit. Hij gaf opdracht die te slachten en voor het bruiloftsfeest te bereiden. 20Hij riep Tobias bij zich en zei: ‘Deze bruiloft zal veertien dagen duren. Ik sta erop dat je al die tijd blijft. Eet en drink met ons, dan maak je mijn dochter, die zo veel geleden heeft, gelukkig. 21Bij je vertrek geef ik je alvast de helft van mijn bezit mee. Zorg ervoor dat je gezond bij je vader terugkomt. De andere helft krijgen jullie wanneer mijn vrouw en ik gestorven zijn. Je hoeft je dus nergens zorgen over te maken. Ik ben je vader, Edna is je moeder en jij en Sara liggen ons na aan het hart. Dat zal altijd zo blijven, dus maak je nergens zorgen over.’