Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

Tobias op reis met Rafaël

51Tobias antwoordde: ‘Vader, ik zal alles doen wat u me opgedragen hebt, 2maar hoe kan ik het geld bij Gabaël ophalen? We kennen elkaar niet. Hoe moet ik hem laten weten wie ik ben, zodat hij me vertrouwt en mij het geld geeft? Bovendien weet ik niet hoe ik in Medië moet komen.’ 3‘Gabaël en ik hebben een ontvangstbewijs getekend,’ zei Tobit, ‘en dat heb ik in tweeën gedeeld. We hebben allebei een stuk; het zijne heb ik bij het geld gelegd. Het is nu twintig jaar geleden dat ik hem het geld in bewaring heb gegeven. Zoek een betrouwbare reisgenoot. We zullen hem voor de hele reis betalen. Kom, ga het geld bij Gabaël ophalen.’

4Hierop ging Tobias op zoek naar iemand die met hem naar Medië kon reizen, iemand die wist hoe je daar moest komen. Hij liep naar buiten – en daar stond Rafaël voor hem (een engel van God, maar dat wist hij niet). 5‘Waar kom je vandaan?’ vroeg hij hem. ‘Ik ben net als jij een Israëliet,’ antwoordde Rafaël. ‘Ik ben hierheen gekomen om werk te zoeken.’ Tobias vroeg: ‘Ken je de weg naar Medië?’ 6

5:6
Tob. 1:14
‘Zeker,’ zei Rafaël, ‘ik ben daar vaak geweest en ken er alle wegen. Als ik ernaartoe ging, overnachtte ik altijd bij Gabaël, een volksgenoot van ons die in Rages woont. Rages ligt in de bergen, twee dagreizen van Ekbatana, dat in de vlakte ligt.’ 7Toen Tobias dat hoorde, vroeg hij Rafaël op hem te wachten. ‘Ik moet dit aan mijn vader vertellen,’ zei hij, ‘want ik heb je nodig als reisgenoot. Je zult ervoor worden betaald.’ 8‘Goed,’ antwoordde Rafaël, ‘ik wacht, maar blijf niet te lang weg.’

9Tobias ging het huis in en vertelde Tobit dat hij iemand gevonden had, een Israëliet. ‘Vraag of hij bij me komt,’ zei Tobit. ‘Ik moet weten uit welke familie en stam hij komt en of hij als reisgenoot betrouwbaar is.’ 10Tobias ging weer naar buiten en zei tegen Rafaël: ‘Mijn vader vraagt of je bij hem komt.’ Rafaël ging mee naar binnen, Tobit groette hem, en Rafaël groette terug: ‘Moge u veel goeds ten deel vallen.’ ‘Ach,’ zei Tobit, ‘wat voor goeds zou er voor mij nog kunnen zijn? Ik ben een blinde man, ik kan niets meer zien. Ik verkeer in de duisternis, net als de doden, die ook het licht niet meer zien. Ik leef, maar ben eigenlijk al gestorven. Ik hoor de mensen praten, maar zien kan ik ze niet.’ ‘Houd moed,’ zei Rafaël, ‘God zal u spoedig genezen, dus houd moed.’ Tobit vertelde dat Tobias van plan was naar Medië te reizen. ‘Wil jij hem als gids vergezellen?’ vroeg hij. ‘Ik zal je uiteraard betalen.’ ‘Dat wil ik zeker,’ zei Rafaël. ‘Ik ben vaak in Medië geweest en weet er goed de weg. Ik ben over elke vlakte en door alle bergen getrokken en ken er ieder weggetje.’ 11Hierop vroeg Tobit of Rafaël wilde vertellen wat zijn afkomst was en uit welke stam hij kwam. 12Rafaël zei echter: ‘Waarom wilt u dat weten?’ ‘Omdat ik nu eenmaal precies wil weten wie je bent,’ herhaalde Tobit. ‘Vertel me je naam.’ 13Rafaël antwoordde toen: ‘Ik heet Azarias en ben een zoon van de vermaarde Ananias, die uit uw eigen stam komt.’ 14‘Welkom, vriend,’ zei Tobit. ‘Moge het je goed gaan. Neem me niet kwalijk dat ik zekerheid over je afkomst wilde hebben. Nu weet ik dat je inderdaad een stamgenoot bent en uit een goede en eerbiedwaardige familie komt. Ik heb Ananias en Natan, de zonen van de vermaarde Semelias, goed gekend. Ze gingen altijd met me mee op bedevaart naar Jeruzalem en zijn de Heer altijd trouw gebleven. Je behoort tot een goede familie, op je afstamming is niets aan te merken. Wees welkom.’ 15En Tobit voegde hieraan toe: ‘Ik betaal je een drachme per dag en voor je onkosten krijg je evenveel als mijn zoon. En als je de hele reis bij hem blijft, 16krijg je ook nog een extra bedrag.’ Rafaël zei: ‘Ik zal een goede reisgenoot zijn. U hoeft u nergens zorgen over te maken. Er zal ons niets overkomen, niet op de heenreis en niet op de terugreis, want we nemen een veilige weg.’ 17

5:17
Gen. 24:7,40
‘Moge Gods zegen met je zijn, vriend,’ antwoordde Tobit.

Hij riep zijn zoon en droeg hem op zich klaar te maken om met zijn reisgenoot te vertrekken. Hij wenste hem toe: ‘Moge God in de hemel jullie beschermen en gezond bij mij terugbrengen. Moge een engel jullie onderweg beschermen.’ Bij zijn vertrek kuste Tobias zijn vader en moeder. Tobit wenste hem een goede reis, 18maar Anna moest huilen. ‘Waarom stuur je mijn kind op reis?’ verweet ze Tobit. ‘Is hij niet in alles onze steun en toeverlaat? 19Wat moeten we met dat geld. Ik heb liever ons kind. 20Laten we toch tevreden zijn met het leven dat de Heer ons gegeven heeft.’ 21Maar Tobit stelde haar gerust: ‘Wees niet bang. Ons kind zal op zijn reis niets overkomen, hij komt weer gezond bij ons terug. Beslist, je zult hem weer veilig en wel terugzien. Dus je hoeft niet bang te zijn, lieve vrouw, maak je geen zorgen om hem, 22want hij wordt vast en zeker beschermd door een goede engel. Hij zal een voorspoedige reis hebben en weer gezond terugkomen.’

6

61Toen droogde Anna haar tranen.

Naar Medië

2Tobias ging samen met de engel op weg. Zijn hond kwam achter hen aan. De eerste nacht sliepen ze bij de Tigris. 3Toen Tobias de rivier in ging om zijn voeten te wassen, dook er plotseling een grote vis uit het water op die naar een van zijn voeten beet. De jongen schreeuwde het uit, 4maar de engel riep: ‘Grijp die vis, laat hem niet ontsnappen!’ De jongen kreeg de vis te pakken en bracht hem op het droge. 5‘Snijd hem open,’ zei de engel, ‘en haal de gal, het hart en de lever eruit. Bewaar die goed, want het zijn goede medicijnen. De rest van de ingewanden kun je weggooien.’ 6Tobias deed dit, waarna hij de vis roosterde en er een deel van at. De rest zoutte hij in. De volgende ochtend reisden ze verder. Toen ze niet ver meer van Medië waren, 7vroeg Tobias aan de engel: ‘Azarias, waartegen zijn het hart, de lever en de gal van die vis een medicijn?’ 8De engel antwoordde: ‘Als iemand wordt gekweld door een demon of een boze geest, moet je het hart en de lever in zijn aanwezigheid verbranden. Dan vlucht de boze geest voor de stank en komt hij nooit meer terug. 9De gal moet je in de ogen van een blinde smeren; als je er dan op blaast kan hij weer zien.’

10Ze kwamen in Medië. Toen ze vlak bij Ekbatana waren, 11

6:11
Tob. 3:7
zei Rafaël tegen de jongen: ‘Tobias, luister.’ ‘Wat is er?’ vroeg Tobias. Rafaël zei: ‘We kunnen voor vannacht het beste onderdak zoeken bij Raguel. Die is familie van je. Hij heeft een dochter, die Sara heet. 12
6:12
Tob. 3:17
Verder heeft hij geen kinderen, Sara is zijn enige kind. Jij bent haar van iedereen het naast verwant en hebt dus het recht met haar te trouwen en haar vaders bezittingen te erven. Het is een verstandig, dapper en buitengewoon mooi meisje en haar vader is een goed mens. 13Het komt jou toe haar tot vrouw te nemen. Luister nu naar wat ik zeg. Ik zal vanavond met de vader over het meisje spreken en hem voor jou om haar hand vragen. Dan vieren we de bruiloft wanneer we terug zijn uit Rages. Ik weet dat Raguel haar jou niet kan weigeren of aan een ander kan beloven. Daar staat volgens het voorschrift in het boek van Mozes de doodstraf op. Het is hem bekend dat jij van alle mannen als eerste in aanmerking komt haar tot vrouw te nemen. Dus luister goed naar me: we zullen haar vanavond voor je ten huwelijk vragen, en zodra we terug zijn uit Rages nemen we haar mee naar je huis.’ 14
6:14
Tob. 3:8
Maar Tobias wierp tegen: ‘Azarias, ik heb gehoord dat ze al aan zeven mannen is uitgehuwelijkt en dat die allemaal in de huwelijksnacht zijn omgekomen toen ze in het bruidsvertrek waren. Ik heb begrepen dat een demon dat heeft gedaan. 15Ik ben bang. Haar doet hij geen kwaad, maar hij doodt elke man die bij haar probeert te komen. Als mij dat ook gebeurt zullen mijn vader en moeder van verdriet sterven. Ik ben hun enige zoon, ze hebben geen andere zoon die hen kan begraven.’ 16
6:16
Tob. 4:12-13
Rafaël antwoordde: ‘Je bent de geboden van je vader toch niet vergeten? Heeft hij je niet opgedragen met een vrouw uit zijn familie te trouwen? Maak je niet druk over die demon. Trouw met haar. Ik verzeker je dat ze je nog deze nacht tot vrouw gegeven wordt. 17Als je in het bruidsvertrek bent, moet je het hart en een stuk van de lever van de vis op de brandende wierook leggen. Als de geur zich verspreidt 18en de demon die ruikt, slaat hij op de vlucht, en dan komt hij nooit ofte nimmer meer bij haar terug. Maar voordat je met haar slaapt moeten jullie beiden tot de Heer van de hemel bidden. Vraag hem of hij zich over jullie ontfermt en jullie beschermt. Wees niet bang, want ze was al vóór het begin der tijden voor jou bestemd. Jij zult haar redden, ze zal met jou mee naar huis gaan. Je zult vast en zeker kinderen bij haar krijgen, en die zullen je steun en toeverlaat zijn. Dus maak je nergens zorgen over.’ Toen Tobias dit hoorde, toen hij Rafaël hoorde zeggen dat Sara tot de familie van zijn vader behoorde, vatte hij onmiddellijk veel liefde voor haar op. Vanaf dat moment was ze steeds in zijn gedachten.

7

Tobias en Sara trouwen

71Ze kwamen in Ekbatana aan. ‘Azarias,’ zei Tobias, ‘breng je me nu direct naar onze volksgenoot Raguel?’ De engel deed wat hij vroeg en ze troffen Raguel zittend bij de deur van de binnenplaats. Ze groetten hem, waarop hij hen teruggroette en hen hartelijk welkom heette. Hij nam hen mee zijn huis in. 2Tegen zijn vrouw Edna zei hij: ‘Wat lijkt die jongen veel op mijn neef Tobit!’ 3

7:3-5
Gen. 29:4-6
43:27-30
‘Waar komen jullie vandaan, broeders?’ vroeg Edna. Ze vertelden haar dat ze tot de stam Naftali behoorden en als ballingen naar Nineve waren gevoerd. 4
7:4
Tob. 1:1
‘Kennen jullie onze neef Tobit?’ vroeg Edna. ‘Ja, die kennen we,’ zeiden ze. ‘Gaat het goed met hem?’ wilde Edna weten. 5‘Hij leeft nog en maakt het goed,’ antwoordden ze, en Tobias zei: ‘Hij is mijn vader.’ 6
7:6
Gen. 33:4
45:14
Luc. 15:20
Raguel sprong op en kuste Tobias. 7Huilend zei hij: ‘God zegene je, je bent de zoon van een rechtschapen en goede vader. Wat is het toch verschrikkelijk dat zo’n rechtvaardig man, die zo veel goeds voor anderen heeft gedaan, blind moest worden.’ Hij omhelsde Tobias, zijn neef, terwijl de tranen hem over de wangen stroomden. 8Ook Edna moest om Tobit huilen en Sara, hun dochter, eveneens. 9Raguel liet een ram uit zijn kudde slachten en onthaalde hen gastvrij.

Nadat ze hadden gebaad en hun handen hadden gewassen, gingen ze aanliggen om te eten. Tobias fluisterde tegen Rafaël: ‘Azarias, vraag aan Raguel of hij me Sara tot vrouw geeft.’ 10‘Neef,’ zei Raguel – die Tobias’ vraag had gehoord –, ‘eet, drink en geniet van deze avond. Jij bent de enige man die het recht heeft met mijn dochter Sara te trouwen; ik mag haar alleen aan jou geven, want je bent mijn naaste familielid. Maar ik moet je de waarheid vertellen. 11Ik heb haar al aan zeven mannen uit mijn familie ten huwelijk gegeven, maar ze zijn allemaal in de huwelijksnacht gestorven. Geniet nu maar eerst van deze maaltijd, en moge de Heer jullie bijstaan.’ Maar Tobias hield voet bij stuk: ‘Ik eet en drink helemaal niets voordat u deze zaak met mij geregeld hebt.’ ‘Goed,’ gaf Raguel toe, ‘dat zal ik dan nu doen. Ik geef je haar overeenkomstig het voorschrift in het boek van Mozes. Het is zo besloten in de hemel. Neem haar tot vrouw. Vanaf nu ben jij haar man en is zij jouw vrouw; vanaf nu hoort ze voor altijd bij jou. Moge de Heer van de hemel jullie deze nacht behoeden. Laat hij zich over jullie ontfermen en jullie voorspoed geven.’

12Raguel liet toen zijn dochter komen. Hij nam haar bij de hand en gaf haar aan Tobias met de woorden: ‘Neem haar tot vrouw overeenkomstig het voorschrift dat is opgetekend in het boek van Mozes. Zorg goed voor haar en breng haar gezond bij je vader. Moge de God van de hemel jullie voorspoed en vrede geven.’ 13

7:13
Num. 36:6-8
Toen liet hij Sara’s moeder roepen, die hij om schrijfgerei vroeg. Hij stelde een huwelijkscontract op, waarin werd vastgelegd dat zijn dochter overeenkomstig het voorschrift in de wet van Mozes aan Tobias tot vrouw gegeven werd. 14Daarna begonnen ze aan de maaltijd. 15Raguel riep opnieuw zijn vrouw en zei: ‘Edna, maak de andere kamer in orde en breng Sara ernaartoe.’ 16Edna deed wat haar gevraagd was. Ze moest huilen toen ze Sara naar de kamer bracht, maar droogde haar tranen en zei: 17‘Wees flink, dochter. Moge de Heer van de hemel je deze keer geen verdriet maar vreugde geven. Wees flink.’ Toen verliet ze de kamer.