Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

Tobits blindheid

21Tijdens de regering van koning Esarhaddon keerde ik terug naar huis en werd ik weer verenigd met Anna en Tobias. Tijdens ons Pinksterfeest, het Wekenfeest, werd er voor mij een feestmaal bereid. Toen ik aan tafel ging 2en de talrijke schotels zag die voor me waren klaargezet, zei ik tegen Tobias: ‘Jongen, kijk eens of je onder onze volksgenoten die hier in de stad als ballingen verblijven, iemand vindt die niets heeft en die de Heer met heel zijn hart dient. Neem hem mee om samen met mij deze maaltijd te gebruiken. Ik begin niet voordat je terug bent.’ 3Tobias vertrok om te doen wat ik hem gevraagd had, maar kwam alleen terug. ‘Vader!’ riep hij. ‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Vader, er ligt iemand van ons volk vermoord op het marktplein. Ze hebben hem gewurgd.’ 4Ik sprong onmiddellijk op, liet de maaltijd staan zonder er ook maar iets van te hebben gegeten en bracht de dode van het plein naar een van mijn bijgebouwen. Na zonsondergang zou ik hem begraven. 5Thuis waste ik me en at ik in een droevige stemming mijn maal. 6

2:6
Amos 8:10
Ik moest denken aan wat de profeet Amos over Betel zei: ‘Jullie feesten zullen omslaan in rouw, jullie liederen in klaagzangen.’ 7En ik huilde.

Zodra het donker was geworden, dolf ik een graf en begroef mijn volksgenoot. 8

2:8
Tob. 1:19
Mijn buren dreven de spot met mij. ‘Waar is die angst van hem ineens gebleven? Toen hij werd gezocht omdat ze hem voor dit vergrijp wilden doden, wist hij niet hoe snel hij de benen moest nemen. Maar moet je nu eens kijken: hij is waarachtig alweer doden aan het begraven.’

9Ik kwam midden in de nacht thuis, waste me en legde me tegen de muur van de binnenplaats te slapen. Omdat het zo warm was, liet ik mijn gezicht onbedekt. 10

2:10
Marc. 5:26
Maar ik had niet gezien dat er boven mij mussen op de muur zaten. Hun nog warme uitwerpselen vielen in mijn ogen en vormden witte vliezen. Ik bezocht allerlei artsen om dat te laten verhelpen, maar hoe vaker ze mijn ogen behandelden, des te minder kon ik door die vliezen zien. Ten slotte werd ik helemaal blind, en dat ben ik vier jaar lang gebleven.

Mijn hele familie beklaagde me om mijn lot. Voor zijn vertrek naar Elymaïs heeft Achikar nog twee jaar in mijn levensonderhoud voorzien. 11Anna verdiende in die tijd geld met spinnen en weven. 12Als ze haar werk af had bracht ze het naar haar opdrachtgevers, die haar dan betaalden. Toen ze eens, op de zevende dag van de maand dystros, iets afleverde, betaalden ze niet alleen haar volledige loon, maar gaven ze haar bovendien een jong geitje uit hun kudde mee naar huis. 13Toen ze ermee thuiskwam begon het te mekkeren. ‘Hoe kom je aan dat geitje?’ vroeg ik haar. ‘Je hebt het toch niet gestolen? Dan moet je het terugbrengen naar de eigenaar; we mogen niets eten dat gestolen is.’ 14

2:14
Job 2:9
Ze antwoordde: ‘Ik heb het als geschenk gekregen, naast mijn loon.’ Maar ik geloofde haar niet en werd boos, en zei haar nogmaals dat ze het geitje moest terugbrengen naar de eigenaar. Toen beet ze me toe: ‘En wat waren al die goede en rechtschapen daden van jou dan waard? Moet je zien wat die ons hebben opgeleverd!’

3

31Overmand door verdriet barstte ik in tranen uit, en snikkend bad ik: 2

3:2
Ps. 119:137
Toev.Dan. 1:4-9
‘Heer, u bent rechtvaardig, alles wat u doet is rechtvaardig. Al uw daden getuigen van uw barmhartigheid en trouw. U bent rechter van de wereld. 3
3:3
Ex. 34:7
Ps. 79:8
Dan. 9:5-6
Bar. 1:17-18
Vergeet mij toch niet en vestig uw blik op mij, Heer, en straf mij niet voor mijn zonden en mijn onbezonnen daden, noch voor die van mijn voorouders. Ze hebben tegen u gezondigd 4
3:4
Deut. 28:48
Bar. 2:4-5
3:8
en uw geboden niet in acht genomen. Daarom hebt u ons prijsgegeven aan plundering, ballingschap en dood, en worden we bespot, belasterd en beledigd door alle volken waaronder we zijn verstrooid. 5Ja, uw oordeel over mij is rechtvaardig, want ik heb gezondigd. We hebben uw geboden niet in acht genomen en zijn u niet trouw gebleven. 6
3:6
Num. 11:15
1 Kon. 19:4
Job 7:15
Jona 4:3,8
Doe daarom met mij wat u wilt, gebied toch dat mijn levensadem wordt teruggenomen. Dan word ik tenminste verlost van dit aardse bestaan en verga ik tot stof. Ik kan maar beter sterven dan dat ik nog langer moet leven, want de leugenachtige verwijten die ik heb moeten aanhoren, hebben me diep gegriefd. Ach Heer, gebied toch dat ik van deze ellende word bevrijd en laat me naar mijn eeuwige rustplaats gaan. Wend uw blik niet van me af, Heer, want het is beter dat ik sterf dan dat ik in ellende moet leven en me vals moet laten beschuldigen.’

Sara beledigd

7Diezelfde dag werd Sara, de dochter van Raguel uit Ekbatana in Medië, door een van de slavinnen van haar vader beledigd. 8Sara was al aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze geest Asmodeüs had ze allemaal in de huwelijksnacht gedood, nog voordat ze – zoals gebruikelijk is in de huwelijksnacht – gemeenschap met haar hadden gehad. De slavin wierp haar voor de voeten: ‘U vermoordt al uw echtgenoten. Aan maar liefst zeven mannen bent u al uitgehuwelijkt, maar van niet één draagt u de naam. 9Moet u óns mishandelen omdat uw echtgenoten zijn gestorven? Ga ze liever achterna, dan wordt ons tenminste voor altijd een kind van u bespaard.’

10

3:10
Gen. 37:35
42:38
44:29-31
Tob. 6:15
Huilend van verdriet vluchtte Sara naar de bovenverdieping van haar vaders huis. Ze wilde zich daar verhangen, maar kwam tot bezinning en dacht: Ze zullen tegen mijn vader zeggen: ‘Je enige kind, je dochter van wie je zoveel hield, heeft zich van ellende verhangen.’ Wat een schande zal dat voor hem zijn op zijn oude dag. Hij zal nog van verdriet sterven. Nee, dat kan ik hem niet aandoen. Ik mag me niet verhangen. Het is beter dat ik de Heer vraag of hij me wil laten sterven; dan hoef ik nooit meer van die valse beschuldigingen aan te horen. 11
3:11
Ps. 28:2
134:2
Dan. 6:11
Ze ging naar het raam, hief haar handen omhoog en bad: ‘Geprezen bent u, barmhartige God, uw naam zij voor eeuwig en altijd geprezen. Laat heel uw schepping u tot in eeuwigheid prijzen. 12Ik wend mij tot u, ik sla mijn ogen naar u op. 13Bevrijd me toch van deze wereld, laat me nooit meer zo worden beledigd. 14U weet, Heer, dat nog geen enkele man mijn zuiverheid bezoedeld heeft 15en dat ik in dit land waar ik als balling leef, mijn naam nooit te schande heb gemaakt, en ook niet die van mijn vader. Ik ben zijn enige kind, hij heeft geen andere erfgenaam dan ik. En er is in onze hele familie niemand meer wiens vrouw ik zou kunnen worden. Er zijn al zeven mannen van me omgekomen. Waarom zou ik nog moeten leven? Maar als u mij niet wilt laten sterven, Heer, sla dan tenminste acht op de schande die me is aangedaan.’

De gebeden van Tobit en Sara verhoord

16

3:16
Tob. 12:12
De gebeden van Tobit en Sara vonden op hetzelfde moment gehoor voor de troon van God. 17
3:17
Tob. 6:12
Hij stuurde de engel Rafaël om hen te bevrijden: Tobit van zijn blindheid, zodat hij weer het licht zou zien dat door God geschapen is, en Sara, de dochter van Raguel, van de boze geest Asmodeüs, zodat ze aan Tobias, de zoon van Tobit, tot vrouw kon worden gegeven. Want van alle mannen die Sara als vrouw wilden hebben, kwam het Tobias het meest toe met haar te trouwen. Op het moment dat Tobit van de binnenplaats zijn huis binnenging, ging Sara, de dochter van Raguel, van de bovenverdieping naar beneden.

4

Tobits afscheidswoorden

41

4:1
Tob. 1:14
Diezelfde dag dacht Tobit aan het geld dat hij Gabaël uit Rages, in Medië, in bewaring had gegeven. 2Hij zei bij zichzelf: Ik heb om de dood gevraagd, dus zou het niet verstandig zijn om voordat ik sterf Tobias over dat geld in te lichten? 3
4:3
Ex. 20:12
Spr. 23:22
Hij riep hem bij zich en zei: ‘Begraaf me op gepaste wijze. Toon eerbied voor je moeder, laat haar zolang ze leeft niet in de steek, doe wat haar vreugde geeft en bezorg haar nooit verdriet. 4
4:4
Sir. 7:27
Houd altijd voor ogen dat ze veel voor jou heeft moeten doorstaan toen ze je in haar schoot droeg. Wanneer ze sterft, moet je haar naast mij in hetzelfde graf begraven. 5En, jongen, denk altijd aan de Heer, je leven lang. Pas op dat je niet zondigt en zijn geboden niet overtreedt. Handel elke dag van je leven rechtvaardig, ga nooit de weg van het onrecht, 6-7
4:6-7
Deut. 15:7-8,11
Spr. 3:27
19:17
Tob. 12:8-10
13:6
Sir. 4:1-6
Mat. 6:1-4
Joh. 3:21
1 Joh. 3:17
want4:7-18 Aangevuld vanuit de korte tekst. wie eerlijk leeft zal slagen in alles wat hij doet. Ondersteun met je bezittingen iedereen die een rechtvaardig leven leidt; en wanneer je iemand helpt, doe het dan niet met tegenzin. Wend je blik niet af van iemand die in nood zit, dan zal God zijn blik niet van jou afwenden. 8
4:8
Sir. 35:12
Wanneer je veel bezit, geef dan ook ruimhartig. Wanneer je zelf maar weinig bezit, aarzel dan niet om van dat beetje toch te geven. 9
4:9
Sir. 29:12
De hulp die je geeft is de beste investering voor moeilijke tijden 10en behoedt je voor het duister van de dood. 11
4:11
Sir. 3:31
Wie de armen helpt, brengt een offer dat de Allerhoogste welgevallig is. 12
4:12
Gen. 11:31
24:3-4
25:20
28:1-2
29:15-30
Recht. 14:3
Onthoud je van een onrein huwelijk, trouw alleen met een vrouw uit de stam van je vader en voorouders. Kies beslist geen andere vrouw, want wij stammen van profeten af. Denk aan Noach, Abraham, Isaak en Jakob, onze allereerste voorouders; ze trouwden alle vier met een vrouw uit hun eigen familie, ze werden gezegend met kinderen, en hun nageslacht zal het land bezitten. 13Heb je eigen volk lief, jongen, voel je niet te goed om een vrouw te kiezen uit hun midden, uit de vrouwen van je eigen volk. Hoogmoed leidt alleen maar tot ellende en ontreddering, en luiheid tot verval en bittere armoede, want luiheid is de moeder van de honger. 14
4:14
Lev. 19:13
Deut. 24:15
Iemand die voor je gewerkt heeft, moet je nog op dezelfde dag zijn loon uitbetalen. Stel het niet uit. Wanneer je God zo dient, word ook jij beloond. Neem jezelf in acht bij alles wat je doet en gedraag je altijd zoals wij je hebben opgevoed. 15
4:15
Spr. 23:31
Mat. 7:12
Luc. 6:31
Doe een ander niets aan dat je zelf verafschuwt. Bedrink je niet aan wijn, ga niet als een dronkaard door het leven. 16
4:16
Deut. 15:10
Jes. 58:7
Mat. 25:35-36
2 Kor. 9:7
Laat wie honger heeft delen in je brood en wie geen kleren heeft in je kleding. Alles wat je kunt missen moet je weggeven, zonder dat je het betreurt. 17Wanneer een rechtschapen mens sterft, houd dan een maaltijd voor zijn nabestaanden, maar doe dat niet bij de dood van een zondaar. 18Win de raad in van ieder wijs mens en sla geen enkel bruikbaar advies in de wind. 19
4:19
1 Sam. 2:7
Ps. 119:10,12,26,33
Prijs God, de Heer, altijd en vraag hem om je over rechte wegen te leiden en je te laten slagen in alles wat je doet. Er is geen enkel volk dat wijsheid bezit, alleen de Heer geeft wijsheid. Hij verstoot wie hij maar wil tot in het diepst van het dodenrijk. Jongen, denk altijd aan deze raadgevingen, neem ze altijd ter harte.

20Welnu, je moet weten dat ik in Rages in Medië bij Gabaël, de broer van Gabri, een bedrag van tien talent zilver in bewaring heb gegeven. 21

4:21
Sir. 11:21-22
1 Tim. 6:6
Maak je dus geen zorgen over onze armoede, want wanneer je ontzag hebt voor God wacht je een groot vermogen. Ga elke zonde uit de weg en doe wat de Heer, je God, welgevallig is.’