Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

Rafaël naar Gabaël in Rages

91Hierop zei Tobias tegen Rafaël: 2

9:2
Tob. 4:20
5:3
‘Azarias, neem vier slaven en twee kamelen en ga naar Gabaël in Rages. Laat hem het ontvangstbewijs zien, neem het geld mee en nodig hem uit voor de bruiloft. 3-4Je weet dat mijn vader de dagen telt tot ik terugkom; ik doe hem veel verdriet als ik ook maar één dag te lang wegblijf. Maar je weet ook wat Raguel gezworen heeft, en daar kan ik me niet zomaar aan onttrekken.’ 5Dus reisde Rafaël met de slaven en kamelen naar Rages in Medië, waar Gabaël hem gastvrij ontving. Rafaël liet hem het ontvangstbewijs zien en vertelde hem dat Tobits zoon Tobias net was getrouwd en Gabaël uitnodigde voor de bruiloft. Gabaël haalde toen de verzegelde zakjes met het geld en telde ze voor Rafaël uit. Vervolgens bonden ze de zakjes op de kamelen.

6De volgende ochtend gingen ze al vroeg op weg naar het bruiloftsfeest. Toen ze het huis van Raguel binnenkwamen, zat Tobias juist aan het feestmaal, maar hij sprong op om Gabaël te begroeten. Deze zegende Tobias met tranen in zijn ogen. Hij zei: ‘Je bent een goede en waardige zoon van een goed en rechtschapen man, van een rechtvaardig mens die veel goeds voor anderen heeft gedaan. Moge de Heer je vele zegeningen van de hemel schenken, en ook je vrouw, en de vader en de moeder van je vrouw. God zij geprezen, ik zie mijn neef Tobit voor me staan, zo veel lijk je op je vader!’

10

De terugkeer van Tobias

101Tobit telde de dagen die nog moesten verstrijken tot Tobias van zijn reis zou terugkeren. Toen ze voorbij waren en zijn zoon er nog niet was, 2zei hij: ‘Hij wordt daar misschien opgehouden, of misschien is Gabaël gestorven en kan hij bij niemand het geld innen.’ 3Toch begon hij zich zorgen te maken. 4Maar Anna zei: ‘Mijn kind leeft niet meer, hij is omgekomen,’ en ze barstte uit in jammerklachten over haar zoon en begon te huilen. 5‘Ach jongen,’ snikte ze, ‘waarom heb ik je op reis laten gaan. Je bent het licht van mijn ogen.’ 6‘Stil nu maar,’ zei Tobit, ‘denk nu niet meteen het ergste. Hij maakt het goed. Ze zijn beslist door het een of ander opgehouden. Hij heeft een uitermate betrouwbare reisgenoot, iemand van ons eigen volk. Wees niet verdrietig, lieve vrouw, hij komt vast en zeker snel terug.’ 7

10:7
Gen. 24:54-61
45:26
Maar Anna voer tegen hem uit: ‘Wees liever zelf stil, en maak me niets wijs. Mijn kind is dood.’ Toch ging ze elke dag naar buiten en keek de weg af waarover haar zoon was afgereisd, en niemand kon haar weerhouden. Pas bij zonsondergang ging ze weer naar binnen, en ze huilde en jammerde dan de hele nacht, zonder in slaap te kunnen komen.

Raguel had gezworen dat het bruiloftsfeest van zijn dochter veertien dagen zou duren. Die waren intussen voorbij. Tobias ging naar hem toe met het verzoek: ‘Vader, laat me nu vertrekken. Het kan niet anders of mijn vader en moeder hebben de hoop opgegeven dat ze me ooit nog zullen zien. Daarom vraag ik u: laat me naar mijn vader gaan. Ik heb u verteld in wat voor toestand ik hem heb achtergelaten.’ 8‘Tobias, mijn zoon,’ antwoordde Raguel, ‘waarom blijf je niet bij ons. Ik stuur wel boden naar je vader om hem te vertellen hoe het met je gaat.’ 9Maar Tobias zei: ‘Nee, ik smeek u: laat me nu weer naar mijn vader gaan.’ 10Toen vertrouwde Raguel Sara aan Tobias toe en gaf hij hem de helft van zijn bezit: slaven en slavinnen, runderen en schapen, ezels en kamelen, kleding, zilver en vaatwerk. 11Hij nam afscheid van hen beiden en wenste hun alle goeds. Terwijl hij Tobias omhelsde zei hij: ‘Vaarwel jongen, heb een voorspoedige reis. Moge de Heer van de hemel jou en je vrouw Sara een gelukkig leven geven. Ik hoop dat ik voor mijn dood jullie kinderen nog mag zien.’ 12En tegen zijn dochter zei hij: ‘Ga naar je schoonouders en beschouw hen vanaf nu als je eigen ouders. Het ga je goed, dochter. Ik hoop zolang ik leef niets dan goeds over je te horen.’ Met deze afscheidswoorden liet hij hen vertrekken. Edna zei tegen Tobias: ‘Lieve jongen, lieve zoon, moge de Heer je veilig en wel naar huis brengen. Ik hoop voor mijn dood jullie kinderen nog te zien. Ten overstaan van de Heer vertrouw ik je mijn dochter toe. Doe haar nooit verdriet. Het ga je goed, zoon. Vanaf nu ben ik je moeder en is Sara je vrouw. Moge de Heer ons allemaal een voorspoedig leven geven.’ Ze kuste Tobias en Sara en wenste hun een voorspoedige reis.

13Zo nam Tobias afscheid van Raguel: gezond en opgetogen. Hij prees de Heer van de hemel en de aarde, de koning van de wereld, omdat hij zijn reis had doen slagen. Hij zei tegen zichzelf: Je moet je schoonouders altijd in ere houden.

11

Tobits genezing

111Toen ze in de omgeving van Kaserin waren gekomen, vlak bij Nineve, 2zei Rafaël tegen Tobias: ‘Je weet hoe je vader eraantoe was toen we weggingen. 3Laten we daarom alvast vooruitgaan om ervoor te zorgen dat alles in orde is wanneer je vrouw met de anderen aankomt.’ 4Ze reisden getweeën vooruit; Tobias’ hond kwam achter hen aan. ‘Zorg ervoor dat je de gal bij de hand hebt,’ zei Rafaël. 5Intussen zat Anna weer bij de weg uit te kijken naar haar zoon. 6Toen ze hem zag aankomen, riep ze zijn vader toe: ‘Daar komt je zoon, samen met zijn reisgenoot!’ 7Nog voordat Tobias bij zijn vader was, zei Rafaël: ‘Je vader zal beslist weer kunnen zien. 8

11:8
Tob. 6:9
Doe de gal in zijn ogen, de vliezen zullen door het medicijn krimpen en loslaten, en dan zal hij het licht weer kunnen zien.’ 9
11:9
Gen. 46:29-30
Anna vloog op haar zoon af en viel hem om de hals. ‘Daar ben je dan,’ snikte ze, ‘nu kan ik in vrede sterven.’ 10Tobit was opgestaan en schuifelde door de poort van de binnenplaats naar buiten. Tobias kwam hem tegemoet 11met de gal van de vis en blies in zijn ogen. ‘Houd moed, vader,’ zei hij, terwijl hij hem bij de hand nam. Hij bracht het medicijn aan 12-13
11:12-13
Hand. 9:18
en trok met beide handen de vliezen vanuit de ooghoeken weg. Tobit viel Tobias om de hals. 14
11:14
Tob. 13:2
Huilend zei hij: ‘Ik kan je weer zien, jongen. Je bent het licht van mijn ogen.’ En hij dankte God: ‘God zij geprezen, geprezen is zijn grote naam en geprezen zijn al zijn heilige engelen. Moge zijn grote naam ons beschermen. Geprezen zijn al zijn engelen voor eeuwig en altijd. 15Hij heeft me zwaar beproefd, maar nu kan ik mijn zoon Tobias weer zien.’

Tobias ging zielsgelukkig het huis in, God uitbundig lovend. Hij vertelde zijn vader dat hij een voorspoedige reis had gehad en het geld had meegebracht, en dat hij met Sara, de dochter van Raguel, was getrouwd. ‘Ze komt eraan,’ zei hij, ‘ze is al bij de stadspoort.’ 16Tobit ging daar meteen naartoe, vol blijdschap en God lovend, om zijn schoondochter te verwelkomen. De inwoners van Nineve zagen hem lopen en verbaasden zich erover dat hij dat helemaal op eigen kracht deed, zonder door iemand te worden geleid. 17Tobit bleef tegenover iedereen zijn dank aan God betuigen, omdat God zich over hem had ontfermd en zijn ogen weer geopend had. Toen hij Sara ontmoette, de vrouw van zijn zoon Tobias, zegende hij haar. ‘Welkom, dochter,’ zei hij, ‘gezegend zij God, die je bij ons heeft gebracht. Gezegend is je vader, en gezegend zijn jij en mijn zoon Tobias. Wees welkom in het huis dat nu ook jouw huis is. Ik wens je gezondheid, veel zegen en veel vreugde toe. Welkom, dochter.’

Die dag was er een van vreugde voor alle Joden in Nineve. 18Tobits neven Achikar en Nadab kwamen naar hem toe om in zijn blijdschap te delen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]