Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

21Ik ben een lelie van de Saron,

een wilde lelie in het dal.

Hij

2Als een lelie tussen de distels,

zo is mijn vriendin tussen de meisjes.

Zij

3

2:3
Hoogl. 8:5
Als een appelboom tussen de bomen van het bos,

zo is mijn lief tussen de jongens.

Ik verlang in zijn schaduw te zitten,

met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.

4Hij brengt mij in het wijnhuis,

boven mij zijn vaandel van liefde.

5Verkwik me met rozijnen,

verfris me met appels,

want ik ben ziek van liefde.

6

2:6
Hoogl. 8:3
Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,

met zijn rechterarm omhelst hij mij.

7

2:7
Hoogl. 3:5
8:4
Meisjes van Jeruzalem,

ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:

wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken

voordat zij het wil.

Zij

8Hoor! Mijn lief!

Kijk! Hij komt,

springend over de bergen,

dansend over de heuvels.

9Als een gazelle is mijn lief,

als het jong van een hert.

Kijk! Hij staat al bij de muur.

Hij blikt door het venster,

tuurt door de spijlen.

10Mijn lief roept mij toe:

‘Sta op, vriendin!

Mooi meisje, kom!

11Kijk! De winter is voorbij,

voorbij zijn de regens, weggegaan.

12De bloemen zijn verschenen op het veld,

nu breekt de zangtijd aan,

het koeren van de duif klinkt op het land.

13

2:13
Hoogl. 6:11
7:13-14
De vijgenboom is al vol vruchten,

de wijnstok rankt en geurt.

Sta op, vriendin,

Mooi meisje, kom!

14Mijn duif in de rotskloof,

verscholen in de bergwand,

laat mij je gezicht zien,

laat mij luisteren naar je stem,

want je stem is zo lieflijk,

je gezicht zo bekoorlijk.’

Hij en zij

15Vang voor ons de vossen,

vang die kleine vossen.

Ze vernielen de wijngaard,

onze wijngaard vol bloeiende ranken.

Zij

16

2:16
Hoogl. 6:3
Mijn lief is van mij,

en ik ben van hem.

Hij weidt tussen de lelies.

17Nu de dag weer ademt

en het duister vlucht –

ga nu weg, mijn lief.

Spring als een gazelle,

als het jong van een hert

over de geurige bergen.

3

31

3:1
Hoogl. 5:6
’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.

Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

2Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,

laat ik in de straten, op de pleinen,

zoeken naar mijn allerliefste.

Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

3

3:3
Hoogl. 5:7
De wachters vinden mij

op hun ronde door de stad.

‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’

4

3:4
Hoogl. 8:2
Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij

of ik vind mijn lief.

Ik grijp hem vast en laat hem niet meer los

tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis,

in de kamer van haar die mij baarde.

5

3:5
Hoogl. 2:7
5:8
8:4
Meisjes van Jeruzalem,

ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:

wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken

voordat zij het wil.

Meisjes

6

3:6
Hoogl. 6:10
8:5
Wie is zij,

die daar komt uit de woestijn

als een zuil van rook,

in een wolk van wierook en mirre,

in een geur van kostbare kruiden?

7Kijk! Salomo’s draagstoel,

omringd door zestig helden

uit de keurtroepen van Israël,

8allen met de hand op het zwaard,

geoefend in de strijd,

ieder met het zwaard op de heup,

bedacht op nachtelijk gevaar.

9Een draagkoets maakte koning Salomo,

een koets van cederhout.

10De stijlen zijn van zilver,

het baldakijn van goud,

de zetel is van purper.

Hij is versierd met tekens van liefde

door de meisjes van Jeruzalem.

11Kom kijken, meisjes van Sion,

kijk naar koning Salomo!

Kijk! De kroon waarmee zijn moeder hem tooide

op zijn bruiloftsdag,

de dag die zijn hart zo verblijdt.

4
Hij

41

4:1-3
Hoogl. 6:5-7
Je bent zo mooi, vriendin van mij,

je bent zo mooi!

Je ogen zijn duiven,

door je sluier heen.

Je haar golft als een kudde geiten

die afdaalt van Gileads bergen.

2Je tanden zijn als witte schapen:

klaar voor de scheerder

komen ze twee aan twee uit het water,

er ontbreekt er niet een.

3Als een koord van karmozijn zijn je lippen,

je mond is betoverend.

Als het rood van een granaatappel

fonkelt je lach,

door je sluier heen.

4Je hals is als de toren van David,

die in ringen is gebouwd,

die met schilden is behangen,

met wel duizend schilden van helden.

5

4:5
Hoogl. 7:4
Je borsten zijn als kalfjes,

als de tweeling van een gazelle,

die tussen de lelies weidt.

6Nu de dag weer ademt

en het duister vlucht,

ga ik naar de mirreberg,

ga ik naar de wierookheuvel.

7Vriendin, aan jou is alles mooi,

niets ontsiert je schoonheid.

8Mijn bruid, ga met me mee,

kom mee, weg van de Libanon.

Daal af van de top van de Amana,

de top van de Senir, de Hermon.

Weg van de bergen waar leeuwen huizen,

weg van de holen waar panters schuilen.

9Zusje, bruid van mij,

je brengt me in vervoering,

je brengt me in verrukking

met maar één blik van je ogen,

met één flonker van je ketting.

10

4:10
Hoogl. 1:2-4
Zusje, bruid van mij,

hoe heerlijk is jouw liefde,

hoeveel zoeter nog dan wijn.

Hoeveel zoeter is je geur

dan alle balsems die er zijn.

11

4:11
Hos. 14:7
Mijn bruid, je lippen druipen van honing,

melk en honing proef ik onder je tong,

je kleed geurt naar de Libanon.

12

4:12-16
Hoogl. 6:2
Zusje, bruid,

een besloten hof ben jij,

een gesloten tuin,4:12 een gesloten tuin – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften, de Septuaginta, de Targoem en de Vulgata. MT: ‘een gesloten steenhoop’.

een verzegelde bron.

13Aan jou ontspruit een boomgaard vol granaatappels,

met een overvloed aan vruchten,

hennabloemen, nardusplanten,

14nardus en saffraan, kalmoes en kaneel,

wierookbomen, allerlei soorten,

mirre, aloë,

balsems, allerfijnst.

15

4:15
Spr. 5:15-16
Je bent een bron omringd door tuinen,

een put met helder water,

een bergbeek van de Libanon.

Zij

16Ontwaak, noordenwind! Kom, zuidenwind!

Waai door mijn hof,

laat zijn balsems geuren.

Mijn lief moet in zijn hof komen,

laat hij daar zijn zoete vruchten proeven.