Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
8

Omgang met anderen

81Ga geen woordenstrijd aan met een machthebber,

anders val je hem in handen.

2

8:2
Spr. 10:15
Maak geen ruzie met een rijkaard,

anders laat hij je zijn overwicht voelen.

Want goud heeft velen omgebracht

en het hart van koningen misleid.

3Ga geen woordenstrijd aan met een lasteraar,

stapel geen hout op zijn vuur.

4Maak je niet vrolijk over iemand zonder vorming,

anders worden je voorouders beschimpt.

5

8:5
Mat. 7:1-5
Rom. 3:9-20
1 Joh. 1:8-10
Bespot niet wie zich afkeert van de zonde,

bedenk dat we allen schuld dragen.

6

8:6
Lev. 19:32
Beschimp geen oude mensen,

sommigen van ons worden ook oud.

7Maak je niet vrolijk over een dode,

bedenk dat we allen zullen sterven.

8

8:8
Spr. 13:20
14:35
16:13-14
Negeer het betoog van de wijzen niet,

blijf hun spreuken overdenken,

want zij zullen je vormen

en je leren hooggeplaatsten te dienen.

9

8:9
Job 8:8
Ps. 78:3-4
Laat het betoog van oude mensen je niet ontgaan,

ook zij hebben van hun ouders geleerd;

zij zullen je begrip bijbrengen

en je leren antwoord te geven als het nodig is.

10Laat de kolen van een zondaar niet gloeien,

brand je niet aan zijn vlammen.

11Laat je niet uitdagen door een snoever,

anders vangt hij je met je eigen woorden.

12Leen niet aan iemand die sterker is dan jij,

doe je het toch, beschouw je geld dan als verloren.

13

8:13
Sir. 29:14-20
Sta niet borg boven je vermogen,

doe je het toch, ga er dan maar vanuit dat jij betaalt.

14Voer geen rechtszaak tegen een rechter,

zijn aanzien bepaalt het vonnis over hem.

15

8:15
Spr. 22:24-25
Ga niet op weg met een waaghals,

hij zou je in het ongeluk kunnen storten.

Hij doet immers zijn eigen zin,

door zijn blindheid ga je met hem ten onder.

16

8:16
Spr. 15:18
Maak geen ruzie met een driftkop,

trek niet met hem door de woestijn.

Bloedvergieten is voor hem een kleinigheid,

als niemand je te hulp komt slaat hij je dood.

17Overleg niet met een dwaas,

hij kan niets voor zich houden.

18Doe in het bijzijn van een vreemde

niets dat geheim moet blijven,

je weet niet wat ervan komt.

19Open je hart niet voor ieder mens,

probeer niet ieders gunst te verwerven.

9

Omgang met vrouwen

91

9:1
Num. 5:14-15
Wees niet jaloers op de vrouw van je hart,

leer haar geen slechte dingen, want dat treft jezelf.

2

9:2
Recht. 16:4-21
1 Kon. 11:1-4
Spr. 31:3
Geef je hart niet zó aan een vrouw

dat zij de baas over je wordt.

3

9:3
Spr. 7:6-27
23:27
Houd je niet op met een lichtekooi,

anders raak je in haar netten verstrikt.

4Blijf niet te lang bij een zangeres,

anders bezwijk je voor haar verleidingen.

5

9:5
Job 31:1
Mat. 5:28
Laat je oog niet op een meisje vallen,

anders moet je daar duur voor betalen.

6

9:6
Spr. 29:3
Lever jezelf niet uit aan een hoer,

anders kost het je je erfenis.

7Kijk niet rond in de straten van de stad,

dwaal niet door stille buurten.

8

9:8
2 Sam. 11:2
Spr. 2:16
Judit 12:16
Wend je blik af van een mooie vrouw,

kijk niet naar schoonheid die een ander toebehoort.

De schoonheid van een vrouw doet velen dwalen

en ontvlamt het vuur van de liefde.

9Ga nooit naast een getrouwde vrouw zitten,

feest en drink niet samen met haar.

Dan voel je je niet tot haar aangetrokken

en ga je niet door hartstocht ten onder.

Andere omgangsregels

10Laat een oude vriend niet in de steek,

want een nieuwe evenaart hem niet.

Een nieuwe vriend is als jonge wijn,

pas wanneer hij rijp is smaakt hij goed.

11

9:11
Ps. 37:1
73:12-19
Benijd het aanzien van een zondaar niet,

want je weet niet hoe het met hem afloopt.

12Verheug je niet in de voorspoed van goddelozen,

bedenk: tot in het dodenrijk toe worden ze niet vrijgesproken.

13Ga een moorddadig man uit de weg,

dan heb je zelfs geen weet van angst voor de dood.

Als je in zijn nabijheid bent, pas dan op je tellen,

anders berooft hij je van het leven.

Besef dat je te midden van valstrikken loopt,

dat je je op vestingmuren van een stad beweegt.

14

9:14
Sir. 37:7-15
Kijk goed uit met wie je omgaat,

overleg alleen met wijzen.

15Spreek met verstandige mensen,

houd je bij elk gesprek aan de wet van de Allerhoogste.

16

9:16
Sir. 1:11
10:22
Maak rechtvaardigen tot je tafelgenoot,

zoek je roem in ontzag voor de Heer.

17Men prijst een werkstuk om de hand van de maker,

de leider van een volk geldt om zijn woorden als wijs.

18Een veelprater is de schrik van de stad,

een zwetser wordt verafschuwd.

10

Gezagsdragers

101Een wijze leider voedt zijn volk op,

een verstandig man voert een doordacht beleid.

2Zoals de leider van een volk is, zo zijn ook zijn raadsheren,

zoals de bestuurder van een stad is, zo zijn ook haar inwoners.

3Een slecht opgeleide koning richt zijn volk te gronde,

verstandige bestuurders maken een stad leefbaar.

4

10:4
Spr. 8:15-16
Jes. 11:2-5
Jer. 27:5
De macht over de aarde is in de hand van de Heer,

wie geschikt is stelt hij op het juiste moment over haar aan.

5

10:5
Rom. 13:1
De voorspoed van een mens is in de hand van de Heer,

hij verleent de wetgevers gezag.

Hoogmoed

6

10:6
Lev. 19:17-18
Mat. 5:21-24
18:21-22
Hoe groot ook het onrecht dat je is gedaan,

koester geen wrok tegen de ander,

neem niet het recht in eigen hand.

7Hoogmoed is bij de Heer en de mensen gehaat,

voor beiden is onrecht een wanklank.

8Door onrecht, gewelddadigheid en hebzucht

veroveren de volken elkaars heerschappij.

Niemand is wettelozer dan een geldwolf,

die biedt zelfs zijn eigen geest te koop aan.

9

10:9
Gen. 2:7
18:27
Sir. 17:32
Stof en as is de mens. Waarom is hij hoogmoedig?

Al bij zijn leven wordt zijn lichaam aangetast.10:9 wordt zijn lichaam aangetast – Volgens het Hebreeuws. Brontekst: ‘heb ik hem aangetast’.

10Een slepende ziekte spot met de arts;

heden koning, morgen dood.

11

10:11
Job 17:14
Jes. 14:11
Wanneer de mens sterft

worden maden, ongedierte en wormen zijn deel.

12

10:12
Deut. 8:14
Hoogmoed begint wanneer de mens de Heer verlaat,

zijn hart zich verwijdert van hem door wie hij gemaakt is.

13Hoogmoed begint met zonde,

wie zich daarin verliest loopt over van gruwelijkheden.

Dan maakt de Heer zijn ellende buitensporig groot,

richt hij hem geheel en al te gronde.

14

10:14
1 Sam. 2:4-8
Luc. 1:52
Tronen van heersers heeft de Heer omvergeworpen,

zachtmoedigen heeft hij aangesteld in hun plaats.

15

10:15
Ps. 80:9-10
Dan. 2:35
Sir. 33:12
Volken heeft de Heer ontworteld,

nederigen heeft hij in hun land geplant.

16De woonplaatsen van volken heeft de Heer verwoest,

hij heeft ze met de grond gelijkgemaakt.

17Hij heeft ze van de mensheid weggerukt en ze verwoest,

de herinnering eraan van de aardbodem weggevaagd.

18De mens is niet geschapen om hoogmoedig te zijn,

wie uit een vrouw geboren is past geen hevige woede.

Eer

19

10:19
1 Kor. 1:26-31
2 Kor. 10:17
Jak. 1:9-10
Welke schepselen worden geëerd?

De mensenkinderen.

Welke mensen worden geëerd?

Mensen die ontzag hebben voor de Heer.

Welke schepselen worden niet geëerd?

De mensenkinderen.

Welke mensen worden niet geëerd?

Mensen die de geboden niet in acht nemen.

20Mensen eren hun leiders,

maar de Heer eert wie ontzag voor hem heeft.

21Aanvaarding door de Heer begint met ontzag voor de Heer,

halsstarrigheid en hoogmoed zijn het begin van verwerping.

22

10:22
Jer. 9:22-23
Sir. 9:16
De vreemdeling, de buitenlander en de arme,

zij zoeken hun roem in ontzag voor de Heer.

23Het is niet rechtvaardig een arm maar wijs mens te verachten,

het past niet een zondig mens te eren.

24Een hooggeplaatste, een rechter en een machthebber worden geëerd,

maar geen van hen is groter dan wie ontzag heeft voor de Heer.

25Een vrij mens moet een wijze slaaf dienen,

een verstandig mens mag daarover niet klagen.

26

10:26
Luc. 17:10
Jak. 2:5-6
Voel jezelf niet te wijs om te werken,

pronk niet met jezelf wanneer het je slecht gaat.

27

10:27
Spr. 12:9
Beter dat je werkt en van alles voorzien bent

dan dat je pronkt met jezelf en niets te eten hebt.

28Mijn kind, heb respect voor jezelf, maar met mate,

geef jezelf alleen de eer die je verdient.

29Als iemand zondigt tegen zichzelf,

wie zal hem dan recht verschaffen?

Als iemand zijn eigen leven veracht,

wie zal hem dan eren?

30

10:30
Sir. 11:1
Een arme wordt geëerd om zijn bekwaamheid,

een rijke om zijn rijkdom.

31Wie als arme wordt geëerd,

wordt het als rijke nog meer.

Wie als rijke wordt geminacht,

wordt het als arme nog meer.