Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

Onrecht

71

7:1
Gen. 4:7
Doe geen kwaad,

dan treft het kwaad je niet.

2Ga onrecht uit de weg,

dan keert het zich van je af.

3

7:3
Gen. 4:15,24
Job 4:8
Spr. 22:8
Gal. 6:7-8
Zaai niet in de voren van de onrechtvaardigheid,

dan oogst je haar niet zevenvoudig.

Macht

4

7:4
Spr. 25:6-7
Sir. 13:9-10
Vraag de Heer niet om macht,

noch de koning om een erezetel.

5

7:5
Gen. 3:12-13
4:9
Veins geen rechtvaardigheid tegenover de Heer

en geen wijsheid tegenover de koning.

6

7:6
Lev. 19:15
Probeer geen rechter te worden:

het zou je kunnen overkomen

dat je niet in staat bent onrecht op te heffen,

of dat je een machthebber vreest

en je onkreukbaarheid schendt.

7Maak je niet schuldig tegenover het volk in de stad,

verneder jezelf niet tegenover de massa.

Waarschuwingen

8Bega niet tweemaal dezelfde zonde,

voor de eerste word je al gestraft.

9

7:9
Spr. 21:27
Sir. 34:23
Denk niet: De allerhoogste God ziet mijn talloze gaven,

als ik hem een offer breng neemt hij het aan.

10

7:10
Jak. 1:6
Wees niet terughoudend in je gebed,

verzuim niet aalmoezen te geven.

11

7:11
1 Sam. 2:7
Luc. 1:52
Lach niet om een mens die verbitterd is,

want hij die vernedert kan ook verheffen.

12Strooi geen leugens rond over je broer

en ook niet over je vriend.

13Vertel niet leugen na leugen,

almaar liegen loopt slecht af.

14

7:14
Mat. 6:7
Voer in gezelschap van oude mensen niet het hoogste woord,

en verval als je bidt niet in herhaling.

15

7:15
Gen. 3:17-19
Spr. 24:27
Heb geen hekel aan zware arbeid, of aan werken op het land;

het is door de Allerhoogste ingesteld.

16

7:16
Sir. 5:7
Voorkom dat je tot de zondaars wordt gerekend,

bedenk dat de toorn niet op zich laat wachten.

17

7:17
Jes. 66:24
Judit 16:17
Marc. 9:48
Wees uiterst nederig,

want vuur en wormen wachten de goddeloze.

Omgang met je naasten en de priester

18Wissel een vriend niet in voor geld,

je eigen broer niet voor het goud van Ofir.

19Laat een wijze, goede vrouw niet los,

want haar gratie is meer waard dan goud.

20

7:20
Deut. 24:14-15
Sir. 33:25-33
Doe een slaaf die eerlijk werkt geen kwaad,

noch een dagloner die zich ten volle inzet.

21

7:21
Ex. 21:2
Deut. 15:12-15
Van een verstandige slaaf moet je houden,

weiger hem de vrijheid niet.

22

7:22
Spr. 27:23
Heb je vee? Zorg ervoor;

als het je tot nut is, houd het dan bij je.

23

7:23
Spr. 13:24
Sir. 30:1-13
Heb je kinderen? Voed hen op,

buig hun nek al in hun jongste jaren.

24

7:24
Sir. 22:4
42:9-14
Heb je dochters? Waak over hun lichaam,

geef niet te veel aan hen toe.

25

7:25
1 Kor. 7:36
Huwelijk een dochter uit,

dan heb je een grote taak volbracht;

schenk haar aan een verstandig man.

26Heb je een vrouw naar je hart?

Verstoot haar dan niet.

Heb je een hekel aan je vrouw?

Neem haar dan niet in vertrouwen.

27

7:27
Ex. 20:12
Tob. 4:4
Eerbiedig je vader met heel je hart,

vergeet de barensweeën van je moeder niet;

28bedenk dat jij uit hen geboren bent.

Wat kun jij hun teruggeven voor dat geschenk?

29Heb met heel je hart ontzag voor de Heer,

heb respect voor zijn priesters.

30Heb je maker lief met al je kracht,

laat zijn dienaren niet in de steek.

31

7:31
Num. 18:8-31
Deut. 12:19
Heb ontzag voor de Heer en eer de priester,

geef hem zijn deel, zoals je is opgedragen:

de vruchten van de nieuwe oogst, het hersteloffer, de achterbouten,

het heiligingsoffer en de heffing van de heilige gaven.

32

7:32
Deut. 14:29
Ps. 41:2
Sir. 29:8-13
Strek je hand uit naar de arme,

dan word je volkomen gezegend.

33

7:33
2 Sam. 2:5
Wees vrijgevig voor ieder die leeft,

ontzeg ook een dode je gaven niet.

34

7:34
Sir. 37:12
Mat. 25:35
Rom. 12:15
Ga wie verdriet heeft niet uit de weg,

klaag met hen die klagen.

35Aarzel niet een zieke te bezoeken,

dan maak je je geliefd.

36Denk bij alles wat je zegt aan het einde,

dan zul je je leven lang niet zondigen.

8

Omgang met anderen

81Ga geen woordenstrijd aan met een machthebber,

anders val je hem in handen.

2

8:2
Spr. 10:15
Maak geen ruzie met een rijkaard,

anders laat hij je zijn overwicht voelen.

Want goud heeft velen omgebracht

en het hart van koningen misleid.

3Ga geen woordenstrijd aan met een lasteraar,

stapel geen hout op zijn vuur.

4Maak je niet vrolijk over iemand zonder vorming,

anders worden je voorouders beschimpt.

5

8:5
Mat. 7:1-5
Rom. 3:9-20
1 Joh. 1:8-10
Bespot niet wie zich afkeert van de zonde,

bedenk dat we allen schuld dragen.

6

8:6
Lev. 19:32
Beschimp geen oude mensen,

sommigen van ons worden ook oud.

7Maak je niet vrolijk over een dode,

bedenk dat we allen zullen sterven.

8

8:8
Spr. 13:20
14:35
16:13-14
Negeer het betoog van de wijzen niet,

blijf hun spreuken overdenken,

want zij zullen je vormen

en je leren hooggeplaatsten te dienen.

9

8:9
Job 8:8
Ps. 78:3-4
Laat het betoog van oude mensen je niet ontgaan,

ook zij hebben van hun ouders geleerd;

zij zullen je begrip bijbrengen

en je leren antwoord te geven als het nodig is.

10Laat de kolen van een zondaar niet gloeien,

brand je niet aan zijn vlammen.

11Laat je niet uitdagen door een snoever,

anders vangt hij je met je eigen woorden.

12Leen niet aan iemand die sterker is dan jij,

doe je het toch, beschouw je geld dan als verloren.

13

8:13
Sir. 29:14-20
Sta niet borg boven je vermogen,

doe je het toch, ga er dan maar vanuit dat jij betaalt.

14Voer geen rechtszaak tegen een rechter,

zijn aanzien bepaalt het vonnis over hem.

15

8:15
Spr. 22:24-25
Ga niet op weg met een waaghals,

hij zou je in het ongeluk kunnen storten.

Hij doet immers zijn eigen zin,

door zijn blindheid ga je met hem ten onder.

16

8:16
Spr. 15:18
Maak geen ruzie met een driftkop,

trek niet met hem door de woestijn.

Bloedvergieten is voor hem een kleinigheid,

als niemand je te hulp komt slaat hij je dood.

17Overleg niet met een dwaas,

hij kan niets voor zich houden.

18Doe in het bijzijn van een vreemde

niets dat geheim moet blijven,

je weet niet wat ervan komt.

19Open je hart niet voor ieder mens,

probeer niet ieders gunst te verwerven.

9

Omgang met vrouwen

91

9:1
Num. 5:14-15
Wees niet jaloers op de vrouw van je hart,

leer haar geen slechte dingen, want dat treft jezelf.

2

9:2
Recht. 16:4-21
1 Kon. 11:1-4
Spr. 31:3
Geef je hart niet zó aan een vrouw

dat zij de baas over je wordt.

3

9:3
Spr. 7:6-27
23:27
Houd je niet op met een lichtekooi,

anders raak je in haar netten verstrikt.

4Blijf niet te lang bij een zangeres,

anders bezwijk je voor haar verleidingen.

5

9:5
Job 31:1
Mat. 5:28
Laat je oog niet op een meisje vallen,

anders moet je daar duur voor betalen.

6

9:6
Spr. 29:3
Lever jezelf niet uit aan een hoer,

anders kost het je je erfenis.

7Kijk niet rond in de straten van de stad,

dwaal niet door stille buurten.

8

9:8
2 Sam. 11:2
Spr. 2:16
Judit 12:16
Wend je blik af van een mooie vrouw,

kijk niet naar schoonheid die een ander toebehoort.

De schoonheid van een vrouw doet velen dwalen

en ontvlamt het vuur van de liefde.

9Ga nooit naast een getrouwde vrouw zitten,

feest en drink niet samen met haar.

Dan voel je je niet tot haar aangetrokken

en ga je niet door hartstocht ten onder.

Andere omgangsregels

10Laat een oude vriend niet in de steek,

want een nieuwe evenaart hem niet.

Een nieuwe vriend is als jonge wijn,

pas wanneer hij rijp is smaakt hij goed.

11

9:11
Ps. 37:1
73:12-19
Benijd het aanzien van een zondaar niet,

want je weet niet hoe het met hem afloopt.

12Verheug je niet in de voorspoed van goddelozen,

bedenk: tot in het dodenrijk toe worden ze niet vrijgesproken.

13Ga een moorddadig man uit de weg,

dan heb je zelfs geen weet van angst voor de dood.

Als je in zijn nabijheid bent, pas dan op je tellen,

anders berooft hij je van het leven.

Besef dat je te midden van valstrikken loopt,

dat je je op vestingmuren van een stad beweegt.

14

9:14
Sir. 37:7-15
Kijk goed uit met wie je omgaat,

overleg alleen met wijzen.

15Spreek met verstandige mensen,

houd je bij elk gesprek aan de wet van de Allerhoogste.

16

9:16
Sir. 1:11
10:22
Maak rechtvaardigen tot je tafelgenoot,

zoek je roem in ontzag voor de Heer.

17Men prijst een werkstuk om de hand van de maker,

de leider van een volk geldt om zijn woorden als wijs.

18Een veelprater is de schrik van de stad,

een zwetser wordt verafschuwd.