Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

Verwaandheid

51

5:1
Sir. 11:24
Luc. 12:15-21
Verlaat je niet op je bezit, zeg niet:

‘Ik ben van niemand afhankelijk.’

2Volg niet de weg van je eigen begeerte,

geef niet toe aan je eigen verlangens.

3

5:3
Ps. 12:5
Zeg niet: ‘Wie kan mij bevelen?’

want de Heer straft je zeker.

4

5:4
Pred. 8:11-14
Zeg niet: ‘Ik heb gezondigd, maar is mij iets overkomen?’

De Heer neemt alle tijd.

5Denk niet dat je toch wel vergeven wordt,

wees niet zo zorgeloos dat je zonde op zonde stapelt.

6

5:6
Ex. 20:5-6
Sir. 16:11
Zeg niet: ‘Zijn erbarmen is groot,

hij zal mij al mijn zonden vergeven.’

Weet goed: hij kent zowel ontferming als woede,

en zondaars treft hij met zijn toorn.

7

5:7
Jes. 55:6-7
Luc. 12:35-40
Wacht er niet mee terug te keren naar de Heer,

stel het niet dag na dag uit.

De toorn van de Heer barst plotseling los,

als hij je straft word je volledig te gronde gericht.

8

5:8
Spr. 10:2
Verlaat je niet op onrechtmatig verkregen bezit,

het helpt je niets in tijden van tegenspoed.

Spreken met dubbele tong

9Wan het koren niet bij elke wind, sla niet ieder zijpad in,

dat doet een zondaar, die spreekt met dubbele tong.

10

5:10
Mat. 5:37
Jak. 5:12
Wees standvastig in je denken,

verdraai je woorden niet.

11

5:11
Jak. 1:19
Wees meteen bereid tot luisteren,

maar neem de tijd voor je antwoord.

12

5:12
Spr. 30:32
Antwoord een ander alleen

als je iets verstandigs te zeggen hebt;

heb je dat niet, houd dan je mond.

13

5:13
Spr. 18:21
Jak. 3:6
Spreken kan zowel tot eer als schande leiden,

een mens komt door zijn tong ten val.

14Verwerf je geen naam als roddelaar,

leg voor jezelf geen hinderlaag met je tong.

Een valsaard wordt immers te schande gemaakt,

wie met dubbele tong spreekt treft een vernietigend oordeel.

15Bega geen misstap uit onwetendheid, geen grote en geen kleine.

6

61Verander niet van een vriend in een vijand.

Een slechte naam brengt schande en smaad;

dat overkomt een zondaar die spreekt met dubbele tong.

Onbeheerste hartstocht

2Laat je niet beheersen door je hartstocht,

die zou als een stier je kracht afgrazen;

3

6:3
Joh. 15:5-6
hij zou je loof wegvreten, je vruchten afrukken

en je achterlaten als een dorre boom.

4Wie door kwade hartstocht wordt beheerst, wordt erdoor vernietigd,

en zijn vijanden bespotten hem.

Vriendschap

5

6:5-17
Sir. 12:8-12
37:1-15
6:5
Spr. 15:1
Hartelijke woorden maken veel vrienden,

wie goede dingen zegt krijgt een hoffelijk antwoord.

6Laat velen vriendschappelijk met je omgaan,

maar laat slechts één op de duizend je raadgever zijn.

7

6:7
Spr. 17:18
Als je iemand tot vriend wilt maken,

stel hem dan eerst op de proef, vertrouw hem niet te snel.

8Sommige vrienden zijn enkel je vriend in goede tijden,

in slechte tijden zie je ze niet.

9

6:9
Spr. 25:9-10
Er zijn vrienden die opeens je vijand worden

en jullie ruzie tot je schande verder vertellen.

10Er zijn vrienden die met je aan tafel zitten,

maar in slechte tijden zie je ze niet.

11

6:11
Spr. 19:4,7
Als het je goed gaat lopen ze achter je aan

en gaan ze gemoedelijk met je slaven om;

12maar als het je slecht gaat,

keren ze zich tegen je en laten ze je in de steek.

13

6:13
Jer. 9:3
Ga je vijanden uit de weg en houd je vrienden in de gaten.

14

6:14
Pred. 4:9-12
Een trouwe vriend is een veilige schuilplaats,

wie er een gevonden heeft, heeft een schat gevonden.

15Een trouwe vriend is onbetaalbaar,

tegen zijn waarde weegt niets op.

16

6:16
Spr. 17:17
18:24
Een trouwe vriend is een krachtig medicijn,

wie ontzag heeft voor de Heer vindt zo’n vriend.

17Wie ontzag heeft voor de Heer zoekt de juiste vrienden uit;

zoals hijzelf is, zo zijn zijn vrienden.

Wijsheid is rust en vreugde

18

6:18
Spr. 22:6
Mijn kind, laat je van jongs af aan onderrichten,

dan vind je nog wijsheid wanneer je grijze haren hebt.

19

6:19
Spr. 8:18-19
Wijsh. 7:14
Benader haar als iemand die ploegt en zaait,

wacht op haar goede vruchten.

Haar verwerven kost je wel enige moeite,

maar al vlug zul je van haar vruchten eten.

20

6:20
Spr. 24:7
Hoe hard is de wijsheid voor wie niets geleerd heeft,

een dwaas houdt het niet bij haar uit.

21Ze drukt op hem als een steen die zijn kracht beproeft,

hij zal niet aarzelen die van zich af te gooien.

22De wijsheid is wat haar naam inhoudt,

haar betekenis is niet voor iedereen te doorzien.

23Luister, mijn kind, aanvaard mijn inzicht,

wijs mijn raad niet af.

24

6:24
Mat. 11:29
Doe de boeien van de wijsheid om je voeten,

leg haar juk op je nek.

25Zet je schouders onder haar en til haar op,

laat je niet hinderen door haar boeien.

26

6:26
Deut. 6:5
Benader haar met hart en ziel,

volg met al je kracht haar wegen.

27

6:27-28
Sir. 4:11-12
Zoek haar, spoor haar op, dan leer je haar kennen.

Heb je haar in je bezit, laat haar dan niet gaan.

28

6:28
Jer. 6:16
Ten slotte zul je rust bij haar vinden

en zal ze jou tot vreugde worden.

29

6:29
Spr. 1:9
Haar boeien bieden je een machtige bescherming,

haar juk wordt een sierlijk gewaad.

30Want haar juk is een gouden tooi,

haar boeien zijn een purperen weefsel.

31

6:31
Spr. 4:9
Als een sierlijk gewaad trek je haar aan,

als een vreugdekrans zet je haar op je hoofd.

32Mijn kind, als je wilt zul je onderricht krijgen,

als je je inspant zul je verstandig worden.

33

6:33
Spr. 13:20
Als je van luisteren houdt zul je inzicht krijgen,

als je je oren gebruikt zul je wijs worden.

34Begeef je onder oude mensen,

hang aan de lippen van de wijzen onder hen.6:34 hang aan de lippen van de wijzen onder hen – Volgens sommige handschriften. Brontekst: ‘luister goed naar hun wijsheid’.

35Luister met genoegen naar elk gesprek over God

en laat geen wijze spreuk je ontgaan.

36Als je een verstandig mens leert kennen, zoek hem dan in alle vroegte op

en laat je voeten de dorpel van zijn deur verslijten.

37

6:37
Ps. 1:2
Richt je aandacht op de voorschriften van de Heer

en denk bij alles wat je doet aan zijn geboden.

Hij zal je sterken en je de wijsheid schenken waarnaar je verlangt.

7

Onrecht

71

7:1
Gen. 4:7
Doe geen kwaad,

dan treft het kwaad je niet.

2Ga onrecht uit de weg,

dan keert het zich van je af.

3

7:3
Gen. 4:15,24
Job 4:8
Spr. 22:8
Gal. 6:7-8
Zaai niet in de voren van de onrechtvaardigheid,

dan oogst je haar niet zevenvoudig.

Macht

4

7:4
Spr. 25:6-7
Sir. 13:9-10
Vraag de Heer niet om macht,

noch de koning om een erezetel.

5

7:5
Gen. 3:12-13
4:9
Veins geen rechtvaardigheid tegenover de Heer

en geen wijsheid tegenover de koning.

6

7:6
Lev. 19:15
Probeer geen rechter te worden:

het zou je kunnen overkomen

dat je niet in staat bent onrecht op te heffen,

of dat je een machthebber vreest

en je onkreukbaarheid schendt.

7Maak je niet schuldig tegenover het volk in de stad,

verneder jezelf niet tegenover de massa.

Waarschuwingen

8Bega niet tweemaal dezelfde zonde,

voor de eerste word je al gestraft.

9

7:9
Spr. 21:27
Sir. 34:23
Denk niet: De allerhoogste God ziet mijn talloze gaven,

als ik hem een offer breng neemt hij het aan.

10

7:10
Jak. 1:6
Wees niet terughoudend in je gebed,

verzuim niet aalmoezen te geven.

11

7:11
1 Sam. 2:7
Luc. 1:52
Lach niet om een mens die verbitterd is,

want hij die vernedert kan ook verheffen.

12Strooi geen leugens rond over je broer

en ook niet over je vriend.

13Vertel niet leugen na leugen,

almaar liegen loopt slecht af.

14

7:14
Mat. 6:7
Voer in gezelschap van oude mensen niet het hoogste woord,

en verval als je bidt niet in herhaling.

15

7:15
Gen. 3:17-19
Spr. 24:27
Heb geen hekel aan zware arbeid, of aan werken op het land;

het is door de Allerhoogste ingesteld.

16

7:16
Sir. 5:7
Voorkom dat je tot de zondaars wordt gerekend,

bedenk dat de toorn niet op zich laat wachten.

17

7:17
Jes. 66:24
Judit 16:17
Marc. 9:48
Wees uiterst nederig,

want vuur en wormen wachten de goddeloze.

Omgang met je naasten en de priester

18Wissel een vriend niet in voor geld,

je eigen broer niet voor het goud van Ofir.

19Laat een wijze, goede vrouw niet los,

want haar gratie is meer waard dan goud.

20

7:20
Deut. 24:14-15
Sir. 33:25-33
Doe een slaaf die eerlijk werkt geen kwaad,

noch een dagloner die zich ten volle inzet.

21

7:21
Ex. 21:2
Deut. 15:12-15
Van een verstandige slaaf moet je houden,

weiger hem de vrijheid niet.

22

7:22
Spr. 27:23
Heb je vee? Zorg ervoor;

als het je tot nut is, houd het dan bij je.

23

7:23
Spr. 13:24
Sir. 30:1-13
Heb je kinderen? Voed hen op,

buig hun nek al in hun jongste jaren.

24

7:24
Sir. 22:4
42:9-14
Heb je dochters? Waak over hun lichaam,

geef niet te veel aan hen toe.

25

7:25
1 Kor. 7:36
Huwelijk een dochter uit,

dan heb je een grote taak volbracht;

schenk haar aan een verstandig man.

26Heb je een vrouw naar je hart?

Verstoot haar dan niet.

Heb je een hekel aan je vrouw?

Neem haar dan niet in vertrouwen.

27

7:27
Ex. 20:12
Tob. 4:4
Eerbiedig je vader met heel je hart,

vergeet de barensweeën van je moeder niet;

28bedenk dat jij uit hen geboren bent.

Wat kun jij hun teruggeven voor dat geschenk?

29Heb met heel je hart ontzag voor de Heer,

heb respect voor zijn priesters.

30Heb je maker lief met al je kracht,

laat zijn dienaren niet in de steek.

31

7:31
Num. 18:8-31
Deut. 12:19
Heb ontzag voor de Heer en eer de priester,

geef hem zijn deel, zoals je is opgedragen:

de vruchten van de nieuwe oogst, het hersteloffer, de achterbouten,

het heiligingsoffer en de heffing van de heilige gaven.

32

7:32
Deut. 14:29
Ps. 41:2
Sir. 29:8-13
Strek je hand uit naar de arme,

dan word je volkomen gezegend.

33

7:33
2 Sam. 2:5
Wees vrijgevig voor ieder die leeft,

ontzeg ook een dode je gaven niet.

34

7:34
Sir. 37:12
Mat. 25:35
Rom. 12:15
Ga wie verdriet heeft niet uit de weg,

klaag met hen die klagen.

35Aarzel niet een zieke te bezoeken,

dan maak je je geliefd.

36Denk bij alles wat je zegt aan het einde,

dan zul je je leven lang niet zondigen.