Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

41Mijn kind, ontneem een arme niet

wat hij nodig heeft om te leven,

kijk niet weg van smekende ogen.

2Doe een mens die honger lijdt geen pijn,

maak iemand in nood niet verbitterd.

3

4:3
Spr. 3:27-28
Maak een verbitterd hart niet radeloos,

onthoud een bedelaar je aalmoes niet.

4

4:4
Tob. 4:6-7
Wijs een bedelaar in nood niet af,

keer een arme niet de rug toe.

5Wend je blik niet af van iemand die bedelt,

geef een mens geen aanleiding je te vervloeken.4:5 geef een mens geen aanleiding je te vervloeken – Volgens de handschriften. Brontekst: ‘geef hem geen kans je te vervloeken’.

6

4:6
Ex. 22:22
Deut. 15:9
Want als hij je uit verbittering vervloekt,

luistert hij die hem gemaakt heeft naar zijn bede.

7Maak jezelf geliefd in de gemeenschap,

buig het hoofd voor hooggeplaatsten.

8Leen een arme je oor,

antwoord hem vriendelijk en zachtmoedig.

9

4:9
Job 29:12
Bevrijd wie onrecht werd gedaan van zijn belager,

en wees niet lafhartig in je vonnis.

10

4:10
Ex. 22:21
Ps. 41:2-4
Jes. 49:15
Luc. 6:35
Joh. 14:21,23
Wees voor wezen als een vader,

voor hun moeder als een man.

Dan zul je als een zoon van de Allerhoogste zijn,

hij zal van je houden, meer dan je moeder.

Wijsheid brengt zegen

11

4:11-12
Sir. 6:27-28
De wijsheid verhoogt de eer van haar kinderen

en is wie haar zoekt tot steun.

12

4:12
Spr. 3:16-18
Wijsh. 6:14
8:17-18
Wie haar bemint bemint het leven,

wie haar in alle vroegte zoekt wordt van vreugde vervuld.

13

4:13
Spr. 3:35
Wie haar bezit verwerft eer,

waar ze komt geeft de Heer zijn zegen.

14

4:14
Joh. 14:21
Wie haar dient dient de Heilige,

wie haar bemint wordt door de Heer bemind.

15Wie naar haar luistert zal rechtspreken over de volken,

wie acht op haar slaat voelt zich veilig in zijn woning.

16Wie op haar vertrouwt zal haar verwerven,

en zijn nageslacht zal haar bezitten.

17

4:17
Mat. 7:14
In het begin brengt zij hem op een kronkelige weg,

ze wekt angst en ontzetting in hem.

Ze pijnigt hem met haar onderricht,

totdat ze vertrouwen in hem stelt;

ze beproeft hem met haar voorschriften.

18

4:18
Job 11:6
Dan. 2:21-22
Joh. 15:15
Maar dan brengt zij hem op de rechte weg,

ze zal hem vreugde schenken en verborgen dingen onthullen.

19Als hij afdwaalt laat ze hem achter,

zodat hij ten val komt.

Schaamte

20Wacht je tijd af, hoed je voor het kwaad

en zorg ervoor dat je je niet hoeft te schamen.

21

4:21
Sir. 20:22
41:16-42:8
Er is schaamte die tot zonde leidt

en er is schaamte die eer en genade brengt.

22Wees niet partijdig, want je schaadt jezelf,

ontzie iemand niet te zeer, want je komt ten val.

23Spreek wanneer het nodig is,

verberg je wijsheid niet omwille van je goede naam.

24Wijsheid laat zich immers kennen door het woord,

wat je hebt geleerd blijkt uit wat je zegt.

25Zeg niets dat in strijd is met de waarheid,

schaam je voor je gebrek aan opvoeding.

26

4:26
Lev. 5:5
Num. 5:7
1 Kon. 21:27-28
Schaam je niet je zonden te bekennen,

houd de stroom van een rivier niet tegen.

27Laat je niet opzijzetten door een dwaas,

zie een machtig man niet naar de ogen.

28Vecht tot de dood voor de waarheid,

dan zal God, de Heer, voor jou strijd voeren.

29Wees niet te zelfverzekerd als je spreekt,

niet achteloos en lui in je werk.

30Gedraag je in je huis niet als een leeuw,

wees geen blaaskaak tegenover je slaven.

31

4:31
Hand. 20:35
Strek je hand niet uit om te nemen,

houd hem niet gesloten als je moet geven.

5

Verwaandheid

51

5:1
Sir. 11:24
Luc. 12:15-21
Verlaat je niet op je bezit, zeg niet:

‘Ik ben van niemand afhankelijk.’

2Volg niet de weg van je eigen begeerte,

geef niet toe aan je eigen verlangens.

3

5:3
Ps. 12:5
Zeg niet: ‘Wie kan mij bevelen?’

want de Heer straft je zeker.

4

5:4
Pred. 8:11-14
Zeg niet: ‘Ik heb gezondigd, maar is mij iets overkomen?’

De Heer neemt alle tijd.

5Denk niet dat je toch wel vergeven wordt,

wees niet zo zorgeloos dat je zonde op zonde stapelt.

6

5:6
Ex. 20:5-6
Sir. 16:11
Zeg niet: ‘Zijn erbarmen is groot,

hij zal mij al mijn zonden vergeven.’

Weet goed: hij kent zowel ontferming als woede,

en zondaars treft hij met zijn toorn.

7

5:7
Jes. 55:6-7
Luc. 12:35-40
Wacht er niet mee terug te keren naar de Heer,

stel het niet dag na dag uit.

De toorn van de Heer barst plotseling los,

als hij je straft word je volledig te gronde gericht.

8

5:8
Spr. 10:2
Verlaat je niet op onrechtmatig verkregen bezit,

het helpt je niets in tijden van tegenspoed.

Spreken met dubbele tong

9Wan het koren niet bij elke wind, sla niet ieder zijpad in,

dat doet een zondaar, die spreekt met dubbele tong.

10

5:10
Mat. 5:37
Jak. 5:12
Wees standvastig in je denken,

verdraai je woorden niet.

11

5:11
Jak. 1:19
Wees meteen bereid tot luisteren,

maar neem de tijd voor je antwoord.

12

5:12
Spr. 30:32
Antwoord een ander alleen

als je iets verstandigs te zeggen hebt;

heb je dat niet, houd dan je mond.

13

5:13
Spr. 18:21
Jak. 3:6
Spreken kan zowel tot eer als schande leiden,

een mens komt door zijn tong ten val.

14Verwerf je geen naam als roddelaar,

leg voor jezelf geen hinderlaag met je tong.

Een valsaard wordt immers te schande gemaakt,

wie met dubbele tong spreekt treft een vernietigend oordeel.

15Bega geen misstap uit onwetendheid, geen grote en geen kleine.

6

61Verander niet van een vriend in een vijand.

Een slechte naam brengt schande en smaad;

dat overkomt een zondaar die spreekt met dubbele tong.

Onbeheerste hartstocht

2Laat je niet beheersen door je hartstocht,

die zou als een stier je kracht afgrazen;

3

6:3
Joh. 15:5-6
hij zou je loof wegvreten, je vruchten afrukken

en je achterlaten als een dorre boom.

4Wie door kwade hartstocht wordt beheerst, wordt erdoor vernietigd,

en zijn vijanden bespotten hem.

Vriendschap

5

6:5-17
Sir. 12:8-12
37:1-15
6:5
Spr. 15:1
Hartelijke woorden maken veel vrienden,

wie goede dingen zegt krijgt een hoffelijk antwoord.

6Laat velen vriendschappelijk met je omgaan,

maar laat slechts één op de duizend je raadgever zijn.

7

6:7
Spr. 17:18
Als je iemand tot vriend wilt maken,

stel hem dan eerst op de proef, vertrouw hem niet te snel.

8Sommige vrienden zijn enkel je vriend in goede tijden,

in slechte tijden zie je ze niet.

9

6:9
Spr. 25:9-10
Er zijn vrienden die opeens je vijand worden

en jullie ruzie tot je schande verder vertellen.

10Er zijn vrienden die met je aan tafel zitten,

maar in slechte tijden zie je ze niet.

11

6:11
Spr. 19:4,7
Als het je goed gaat lopen ze achter je aan

en gaan ze gemoedelijk met je slaven om;

12maar als het je slecht gaat,

keren ze zich tegen je en laten ze je in de steek.

13

6:13
Jer. 9:3
Ga je vijanden uit de weg en houd je vrienden in de gaten.

14

6:14
Pred. 4:9-12
Een trouwe vriend is een veilige schuilplaats,

wie er een gevonden heeft, heeft een schat gevonden.

15Een trouwe vriend is onbetaalbaar,

tegen zijn waarde weegt niets op.

16

6:16
Spr. 17:17
18:24
Een trouwe vriend is een krachtig medicijn,

wie ontzag heeft voor de Heer vindt zo’n vriend.

17Wie ontzag heeft voor de Heer zoekt de juiste vrienden uit;

zoals hijzelf is, zo zijn zijn vrienden.

Wijsheid is rust en vreugde

18

6:18
Spr. 22:6
Mijn kind, laat je van jongs af aan onderrichten,

dan vind je nog wijsheid wanneer je grijze haren hebt.

19

6:19
Spr. 8:18-19
Wijsh. 7:14
Benader haar als iemand die ploegt en zaait,

wacht op haar goede vruchten.

Haar verwerven kost je wel enige moeite,

maar al vlug zul je van haar vruchten eten.

20

6:20
Spr. 24:7
Hoe hard is de wijsheid voor wie niets geleerd heeft,

een dwaas houdt het niet bij haar uit.

21Ze drukt op hem als een steen die zijn kracht beproeft,

hij zal niet aarzelen die van zich af te gooien.

22De wijsheid is wat haar naam inhoudt,

haar betekenis is niet voor iedereen te doorzien.

23Luister, mijn kind, aanvaard mijn inzicht,

wijs mijn raad niet af.

24

6:24
Mat. 11:29
Doe de boeien van de wijsheid om je voeten,

leg haar juk op je nek.

25Zet je schouders onder haar en til haar op,

laat je niet hinderen door haar boeien.

26

6:26
Deut. 6:5
Benader haar met hart en ziel,

volg met al je kracht haar wegen.

27

6:27-28
Sir. 4:11-12
Zoek haar, spoor haar op, dan leer je haar kennen.

Heb je haar in je bezit, laat haar dan niet gaan.

28

6:28
Jer. 6:16
Ten slotte zul je rust bij haar vinden

en zal ze jou tot vreugde worden.

29

6:29
Spr. 1:9
Haar boeien bieden je een machtige bescherming,

haar juk wordt een sierlijk gewaad.

30Want haar juk is een gouden tooi,

haar boeien zijn een purperen weefsel.

31

6:31
Spr. 4:9
Als een sierlijk gewaad trek je haar aan,

als een vreugdekrans zet je haar op je hoofd.

32Mijn kind, als je wilt zul je onderricht krijgen,

als je je inspant zul je verstandig worden.

33

6:33
Spr. 13:20
Als je van luisteren houdt zul je inzicht krijgen,

als je je oren gebruikt zul je wijs worden.

34Begeef je onder oude mensen,

hang aan de lippen van de wijzen onder hen.6:34 hang aan de lippen van de wijzen onder hen – Volgens sommige handschriften. Brontekst: ‘luister goed naar hun wijsheid’.

35Luister met genoegen naar elk gesprek over God

en laat geen wijze spreuk je ontgaan.

36Als je een verstandig mens leert kennen, zoek hem dan in alle vroegte op

en laat je voeten de dorpel van zijn deur verslijten.

37

6:37
Ps. 1:2
Richt je aandacht op de voorschriften van de Heer

en denk bij alles wat je doet aan zijn geboden.

Hij zal je sterken en je de wijsheid schenken waarnaar je verlangt.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]