Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
48

Elia

481

48:1-2
1 Kon. 17:1
Toen kwam Elia, een profeet als een vuur,

zijn profetieën brandden als een fakkel.

2

48:2
1 Kon. 18:2
Hij bracht hongersnood over het volk,

door zijn inzet voor de Heer maakte hij het klein in aantal.

3

48:3
1 Kon. 18:38
2 Kon. 1:10,12
Luc. 4:25
Op bevel van de Heer hield hij de regen tegen

en liet hij driemaal vuur uit de hemel komen.

4Hoezeer werd u geroemd, Elia, om uw wonderdaden,

wie kan zich in roem met u vergelijken?

5

48:5
1 Kon. 17:17-24
U hebt een gestorvene opgewekt uit de dood,

uit het dodenrijk, op bevel van de Allerhoogste.

6

48:6
1 Kon. 21:17-24
2 Kon. 1:16
U hebt koningen ten onder doen gaan

en voorname mannen op hun ziekbed laten sterven.

7

48:7
1 Kon. 19:17
Op de Sinai hebt u terechtwijzingen gehoord

en op de Horeb strafgerichten.

8

48:8
1 Kon. 19:15-16,19-21
U hebt koningen gezalfd om te vergelden

en profeten om u op te volgen.

9

48:9
2 Kon. 2:1-12
U werd opgenomen in een wervelwind van vuur,

in een wagen met vurige paarden.

10

48:10
Mal. 3:24
Over u staat geschreven dat u klaarstaat voor de vastgestelde tijd,

om de toorn te stillen vóór hij razernij wordt,

de ouders te verzoenen met de kinderen,

de stammen van Jakob te herstellen.

11Gelukkig zijn zij die u gezien hebben

en in liefde zijn gestorven;

ook wij zullen zeker leven.

Elisa

12

48:12
2 Kon. 2:9-15
Elia verdween in een wervelwind,

en Elisa werd van zijn geest vervuld.

Hij beefde in zijn tijd voor geen enkele leider,

niemand kreeg hem in zijn macht.

13

48:13
2 Kon. 13:21
Niets ging zijn krachten te boven,

zelfs toen hij al gestorven was, profeteerde zijn lichaam nog.

14Bij zijn leven gaf hij tekenen,

ook na zijn dood verrichtte hij wonderbaarlijke daden.

15Maar het volk kwam door dit alles niet tot inkeer,

het hield niet op met zondigen,

totdat het uit het land werd weggevoerd

en over de hele aarde werd verstrooid.

Slechts een heel klein volk bleef er over,

met een heerser uit het huis van David.

16Sommigen van hen deden het goede,

maar anderen zondigden steeds meer.

Hizkia en Jesaja

17

48:17
2 Kon. 20:20
Jes. 22:11
Hizkia versterkte zijn stad

en leidde er water naar binnen.

Hij doorboorde met ijzeren werktuigen de rotsen

en bouwde waterreservoirs.

18

48:18-22
Jes. 36:1-37:38
Tijdens zijn regering rukte Sanherib op,

die stuurde zijn rabsake.48:18 die stuurde zijn rabsake – Voorgestelde lezing. Brontekst: ‘die stuurde zijn rabsake, en die ging weer weg’.

Deze hief zijn hand op tegen Sion

en sprak in zijn hoogmoed verwaande woorden.

19Toen beefde de bevolking van angst

en sidderde als een vrouw in barensnood.

20Ze riepen de barmhartige Heer aan

en hieven hun handen naar hem op.

De Heilige in de hemel verhoorde hen snel

en redde hen door toedoen van Jesaja.

21Hij versloeg het leger van de Assyriërs,

zijn engel vernietigde het.

22Want Hizkia had gedaan wat de Heer goed vindt,

hij hield krachtig vast aan de levenswijze van zijn voorvader David,

zoals de profeet Jesaja hem had voorgeschreven –

groot was die en betrouwbaar in zijn visioenen.

23

48:23
2 Kon. 20:5-11
Jes. 38:4-8
In zijn tijd ging de zon achteruit

en werd het leven van de koning verlengd.

24

48:24
Jes. 40:1
Met zijn grote geest zag hij de laatste dingen

en sprak hij de treurenden van Sion moed in.

25

48:25
Jes. 46:10
Hij kondigde aan wat ging gebeuren, tot in de verste toekomst,

voordat het gebeurde voorspelde hij wat nog verborgen was.

49

Josia en Jeremia

491

49:1-3
2 Kon. 22:1-23:30
De herinnering aan Josia is als een geurig reukoffer,

door een reukwerker bereid.

Spreken over hem is zo zoet als honing,

als muziek bij het samen drinken van wijn.

2Hij ging het volk voor op de weg van inkeer

en maakte een einde aan de goddeloze gruwelen.

3Hij richtte zich op de Heer

en versterkte de vroomheid in een tijd van goddeloosheid.

4Behalve David, Hizkia en Josia

begingen alle koningen van Juda talloze zonden.

Ze verlieten de wet van de Allerhoogste,

waardoor het koningschap van Juda ophield te bestaan.

5Ze moesten hun macht aan anderen afstaan,

hun roem aan een vreemd volk.

6

49:6
Jer. 21:10
34:2
Klaagl. 1:4
2:3
Dat stak de uitverkoren stad van het heiligdom in brand

en ontvolkte de straten.

7

49:7
Jer. 1:4-10
Dit was geprofeteerd door Jeremia,

die door zijn eigen volk mishandeld was.

Hij was al in de moederschoot tot profeet gewijd,

om uit te rukken, af te breken en te verwoesten,

maar evenzeer om op te bouwen en te planten.

Ezechiël en de twaalf profeten

8

49:8
Ezech. 1:4-28
Ezechiël zag een stralende verschijning,

die de Heer hem boven de wagen met cherubs liet zien.

9Ook herinnerde hij aan Job,49:9 Ook herinnerde hij aan Job – Volgens het Hebreeuws. Brontekst: ‘Ook gedacht hij de vijanden in een regenstorm’.

die altijd op de rechte weg bleef.

10

49:10
Sir. 46:12
Dan zijn er de twaalf profeten:

mogen hun beenderen in hun graf weer opbloeien.

Want ze hebben Jakob moed gegeven

en het volk door hoop en vertrouwen gered.

Zerubbabel, Jozua en Nehemia

11

49:11-12
Ezra 3:2
49:11
Hag. 2:23
Hoe kunnen we Zerubbabel prijzen?

Hij was als een zegelring aan de rechterhand.

12Zo ook Jozua, de zoon van Josadak.

Ze bouwden in hun tijd het huis van God,

richtten de tempel op, gewijd aan de Heer,

bestemd voor zijn eeuwige luister.

13

49:13
Neh. 2:17
7:1
Blijvend is de herinnering aan Nehemia,

die onze ingestorte muren herbouwde,

poorten met grendels plaatste

en onze huizen herstelde.

Henoch, Jozef, Sem, Set en Adam

14

49:14
Gen. 5:24
Sir. 44:16
Niemand op aarde is geschapen als Henoch,

en ook hij werd van de aarde weggenomen.

15

49:15
Gen. 42:6
50:25-26
Joz. 24:32
Ook is er geen mens geboren als Jozef,

de leider van zijn broers, de steun van zijn volk.

Zijn beenderen worden zorgvuldig bewaard.

16

49:16
Gen. 4:25
9:26
Sem en Set werden geëerd onder de mensen,

maar boven alles wat leeft in de schepping staat Adam.

50

Simon de hogepriester

501Simon, zoon van Onias en hogepriester,

herstelde bij zijn leven het huis van God,

versterkte in zijn tijd de tempel.

2Hij legde het fundament voor de hoge muren,

een hoge steunmuur als omheining van het heiligdom.

3In zijn tijd werd een waterbekken gebouwd,

een bekken zo groot als de Zee.

4Hij behoedde zijn volk voor de ondergang

en versterkte de stad tegen belegeraars.

5Welk een glans omgaf hem toen hij uit het Huis van het voorhangsel kwam

en zich tot het volk wendde!50:5 en zich tot het volk wendde – Volgens sommige handschriften. Brontekst: ‘bij een processie voor de tempel’.

6Dan was hij als een morgenster tussen de wolken,

als een volle maan tijdens een feest,

7als de zon die op de tempel van de Allerhoogste straalt,

als de regenboog die de wolken glans geeft,

8als een roos in de lente,

als een lelie bij een waterbron,

als een jonge twijg van de Libanon in de zomer,

9als brandende wierook op een vuurbak,

als een vaas van massief, gehamerd goud,

versierd met allerlei kostbare stenen,

10als een olijfboom vol vruchten,

als een cipres die zich tot in de wolken verheft.

11

50:11
Ex. 28:4
Wanneer hij gekleed ging in een prachtig gewaad,

met volmaakte praal was getooid

en opging naar het heilige altaar,

vervulde hij de voorhof van het heiligdom met luister.

12Staande bij de vuurhaard van het altaar

ontving hij dan de offerstukken van de priesters.

Hij werd omringd door een krans van broeders,

als loten van de ceders op de Libanon,

om hem heen geschaard als palmbomen.

13In hun pracht stonden alle nakomelingen van Aäron

voor heel de gemeenschap van Israël,

met in hun handen een offer voor de Heer.

14En wanneer de dienaren hun werk bij het altaar hadden voltooid,

het offer voor de Allerhoogste, de Almachtige, gereed hadden gemaakt,

15strekte hij zijn handen uit naar de schaal en plengde de wijn,

goot die uit aan de voet van het altaar:

een heerlijke geur voor de Allerhoogste, de koning van allen.

16

50:16
Num. 10:1-10
Dan verhieven de nakomelingen van Aäron hun stem

en bliezen op trompetten van gedreven zilver.

Ze lieten een machtig geluid horen,

een herinnering voor de Allerhoogste.

17Onmiddellijk wierp heel het volk zich ter aarde,

boog diep neer voor zijn Heer, de almachtige God, de Allerhoogste.

18En de zangers prezen hem met hun stem,

luid klonk hun mooi gezang.

19En het volk hief smeekbeden aan tot de Heer, de Allerhoogste,

het bad tot de barmhartige God,

totdat de dienst voor de Heer voltooid was,

de viering voor hem geëindigd was.

20

50:20
Lev. 9:22
Num. 6:23-26
Dan daalde Simon af en strekte zijn handen uit

over heel de gemeenschap van Israël.

Hij sprak de zegen van de Heer uit

en noemde zijn roemvolle naam.

21En zij bogen opnieuw neer

om de zegen van de Allerhoogste te ontvangen.

22Prijs nu de God van alles wat bestaat,

die overal grote daden verricht,

die ons vanaf de moederschoot verheft

en ons zijn barmhartigheid betoont.

23Moge hij ons vreugde geven,

Israël vrede schenken in deze tijd,

zoals in de dagen van weleer.

24Moge hij barmhartig voor ons zijn

en ons in deze tijd bevrijden.

Slotopmerkingen

25Twee volken verafschuw ik,

en het derde is niet eens een volk:

26de bewoners van het gebergte van Samaria, de Filistijnen,

en het dwaze volk dat in Sichem woont.

27Lessen in inzicht en kennis

zijn geschreven in dit boek

door Jezus, de zoon van Eleazar, de zoon van Sirach,50:27 Jezus, de zoon van Eleazar, de zoon van Sirach – Voorgestelde lezing. Brontekst: ‘Jezus, de zoon van Sirach Eleazar’. uit Jeruzalem.

Hij liet wijsheid stromen uit zijn hart.

28Gelukkig is wie zich in deze lessen verdiept,

wie ze ter harte neemt wordt wijs.

29Als je ernaar handelt word je sterk in alles,

want ontzag voor de Heer wijst je de weg.

De Heer geeft wijsheid aan de vromen.

Geprezen zij de Heer tot in eeuwigheid. Amen, amen.

Lofpsalm

Een gebed van Jezus, de zoon van Sirach.