Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
46

Jozua en Kaleb

461Jozua, de zoon van Nun, was een machtig krijgsman

en hij volgde Mozes op in het profetenambt.

Hij was wat zijn naam betekent:

een groot redder van Gods uitverkorenen;

hij strafte de toegestormde vijanden af

en gaf Israël een grondgebied.

2

46:2
Joz. 8:18-19,26
Hoe glorieus was hij toen hij zijn hand ophief

en zijn zwaard uitstrekte tegen de steden.

3Wie eerder was zo standvastig als hij?

Hij voerde de oorlogen van de Heer.

4

46:4-5
Joz. 10:11-14
Was het niet zijn hand waardoor de zon werd tegengehouden

en één dag de lengte van twee dagen kreeg?

5Hij riep de hoogste heerser aan

toen hij van alle kanten door zijn vijanden belaagd werd.

De machtige Heer verhoorde hem:

hij liet hagelstenen vallen van een geweldige kracht.

6Hij teisterde de vijand met de strijd

en doodde zijn tegenstanders op de bergpas;

zo liet hij de volken de kracht van zijn wapens voelen,

omdat ze oorlog voerden tegen de Heer.

Want ook Jozua vertrouwde volledig op de Machtige.

7

46:7
Num. 14:6-10
Al ten tijde van Mozes bewees hij zijn trouw,

hij en Kaleb, de zoon van Jefunne:

ze verzetten zich tegen het volk,

hielden het af van zonde

en stopten het kwalijke geklaag.

8Van zeshonderdduizend man voetvolk

werden alleen zij tweeën gespaard

om het gebied binnen te trekken:

het land dat overvloeit van melk en honing.

9

46:9
Num. 14:24
Joz. 14:10-15
De Heer gaf Kaleb kracht,

die hij tot op hoge leeftijd behield;

zo kon hij het bergland in trekken

en kreeg zijn nageslacht het in bezit.

10Zo kon heel Israël ervaren

dat het goed is om de Heer te volgen.

De rechters

11En de rechters, ieder met zijn eigen faam,

diegenen onder hen die zich niet met afgoden inlieten

en zich niet hebben afgewend van de Heer –

moge hun nagedachtenis gezegend zijn,

12mogen hun beenderen in hun graf weer opbloeien

en hun glorierijke naam op hun nakomelingen overgaan.

13

46:13
1 Sam. 10:1
16:13
Samuel, geliefd bij zijn Heer,

profeet van de Heer, stelde het koningschap in

en zalfde leiders van zijn volk.

14Hij sprak recht over de gemeenschap volgens de wet van de Heer,

en de Heer keek welwillend naar Jakob.

15Door zijn geloofwaardigheid bleek hij een waar profeet te zijn,

door zijn profetieën werd hij als een waarachtig ziener erkend.

16

46:16-17
1 Sam. 7:9-10
46:16
Sir. 46:5
47:5
Toen zijn vijanden hem van alle kanten belaagden,

riep hij de machtige Heer aan

en bracht hij hem een zooglam als offer.

17

46:17
1 Sam. 12:18
En de Heer liet uit de hemel zijn donder klinken

en zijn dreunende stem horen;

18

46:18
1 Sam. 7:13
hij vernietigde de aanvoerders van de Tyriërs

en de leiders van de Filistijnen.

19

46:19
1 Sam. 12:3-5
Voordat Samuel voor eeuwig te ruste ging,

getuigde hij ten overstaan van de Heer en zijn gezalfde:

‘Ik heb van niemand ook maar iets aangenomen, zelfs geen sandaal.’

Geen mens heeft hem beschuldigd.

20

46:20
1 Sam. 28:6-25
Zelfs na zijn dood profeteerde hij

en toonde hij de koning zijn levenseinde;

hij verhief zijn stem vanuit de aarde

om door zijn profetie de wetteloosheid van het volk uit te wissen.

47

Natan en David

471

47:1-11
2 Sam. 7:4
12:1
Na hem trad Natan op,

hij profeteerde ten tijde van David.

2Zoals het vet wordt afgezonderd van het vredeoffer,

zo werd David afgezonderd van het volk van Israël.

3

47:3
1 Sam. 17:34-37
Hij speelde met leeuwen als met geitenbokjes

en met beren als met lammeren.

4

47:4
1 Sam. 17:1-58
Doodde hij in zijn jeugd niet een reus

en bevrijdde hij het volk niet van de schande,

doordat hij met zijn slingersteen

de grootspraak van Goliat brak?

5Want hij riep de Heer, de Allerhoogste, aan;

die gaf zijn rechterhand de kracht

om een machtig krijgsman te vellen

en de macht van het volk te vergroten.

6

47:6
1 Sam. 18:7
2 Sam. 5:1-3
Ze eerden hem om zijn tienduizenden

en prezen hem om de zegeningen van de Heer

door hem een erekroon te geven.

7Want hij verdelgde de vijanden alom,

hij vernietigde zijn tegenstanders, de Filistijnen,

hij brak hun macht voorgoed.

8Bij al zijn daden dankte hij de Heilige, de Allerhoogste, met een lofprijzing,

met heel zijn hart bezong hij zijn maker en had hij hem lief.

9

47:9
1 Kron. 16:4-6
25:1
Hij stelde zangers bij het altaar op

om met hun stem mooie liederen te laten klinken;

ze brengen elke dag lofzangen ten gehore.

10Hij zette de feesten luister bij

en stelde hun tijden vast, voor het hele jaar.

En de heilige naam van de Heer werd geprezen,

vanaf de vroege morgen klonken melodieën in het heiligdom.

11

47:11
2 Sam. 7:12-16
12:13
Ps. 89:25
De Heer vergaf hem zijn zonden

en vergrootte zijn macht voor altijd,

hij sloot een koninklijk verbond met hem

en gaf hem een luisterrijke troon in Israël.

Salomo, Rechabeam en Jerobeam

12

47:12
1 Kon. 2:1-11:40
Na David kwam zijn wijze zoon,

die dankzij hem ongestoord kon wonen.

13

47:13
1 Kon. 5:17-19
Sir. 1:17-19
Salomo was koning in een tijd van vrede,

God gaf hem aan alle kanten rust

om een huis te bouwen voor Gods naam,

om voor eeuwig een heiligdom te vestigen.

14

47:14
1 Kon. 3:4-28
5:9-14
Hoe wijs was u in uw jeugd,

u liep over van kennis als een rivier.

15Uw geest bevloeide de aarde

en u vulde haar met spreuken en raadsels.

16Tot aan verre eilanden reikte uw naam

en u was geliefd omdat u vrede bracht.

17

47:17
1 Kon. 10:1-9
Hele landen stonden versteld

over uw liederen, spreuken, gelijkenissen en duidingen.

18

47:18
1 Kon. 10:11-15,27
Maar in de naam van de Heer,

die de God van Israël wordt genoemd,

hebt u goud verzameld als tin,

zilver opgestapeld als lood.

19

47:19
1 Kon. 11:1-13
U hebt u aan vrouwen overgegeven

en was de slaaf van uw lichaam.

20U hebt uw eer bezoedeld

en uw nageslacht besmet,

zodat u toorn over uw kinderen bracht

en hen door uw dwaasheid in de ellende stortte,

21waardoor de heerschappij in tweeën brak

en met Efraïm een opstandig koninkrijk ontstond.

22

47:22
Ps. 89:31-38
Maar de Heer blijft trouw,

hij verbreekt geen enkele belofte.

Het nageslacht van zijn uitverkorenen vaagt hij niet weg,

de nakomelingen van wie hem liefhebben vernietigt hij niet.

Hij liet Jakob een rest en David een loot aan zijn stam.

23

47:23
1 Kon. 12:1-19
Salomo ging bij zijn voorouders te ruste,

maar hij liet het volk een dwaas na, een onbenul:

Rechabeam, die door zijn raadsbesluit een scheuring teweegbracht onder het volk.

En dan ook nog Jerobeam, de zoon van Nebat!

Hij zette Israël aan tot zonde,

hij voerde Efraïm op een zondig pad.

24

47:24
1 Kon. 12:26-33
2 Kon. 17:21-23
Hun zonden werden zo groot in aantal

dat ze werden weggevoerd uit hun land.

25Ze liepen achter alles aan wat slecht was,

totdat ze werden gestraft.

48

Elia

481

48:1-2
1 Kon. 17:1
Toen kwam Elia, een profeet als een vuur,

zijn profetieën brandden als een fakkel.

2

48:2
1 Kon. 18:2
Hij bracht hongersnood over het volk,

door zijn inzet voor de Heer maakte hij het klein in aantal.

3

48:3
1 Kon. 18:38
2 Kon. 1:10,12
Luc. 4:25
Op bevel van de Heer hield hij de regen tegen

en liet hij driemaal vuur uit de hemel komen.

4Hoezeer werd u geroemd, Elia, om uw wonderdaden,

wie kan zich in roem met u vergelijken?

5

48:5
1 Kon. 17:17-24
U hebt een gestorvene opgewekt uit de dood,

uit het dodenrijk, op bevel van de Allerhoogste.

6

48:6
1 Kon. 21:17-24
2 Kon. 1:16
U hebt koningen ten onder doen gaan

en voorname mannen op hun ziekbed laten sterven.

7

48:7
1 Kon. 19:17
Op de Sinai hebt u terechtwijzingen gehoord

en op de Horeb strafgerichten.

8

48:8
1 Kon. 19:15-16,19-21
U hebt koningen gezalfd om te vergelden

en profeten om u op te volgen.

9

48:9
2 Kon. 2:1-12
U werd opgenomen in een wervelwind van vuur,

in een wagen met vurige paarden.

10

48:10
Mal. 3:24
Over u staat geschreven dat u klaarstaat voor de vastgestelde tijd,

om de toorn te stillen vóór hij razernij wordt,

de ouders te verzoenen met de kinderen,

de stammen van Jakob te herstellen.

11Gelukkig zijn zij die u gezien hebben

en in liefde zijn gestorven;

ook wij zullen zeker leven.

Elisa

12

48:12
2 Kon. 2:9-15
Elia verdween in een wervelwind,

en Elisa werd van zijn geest vervuld.

Hij beefde in zijn tijd voor geen enkele leider,

niemand kreeg hem in zijn macht.

13

48:13
2 Kon. 13:21
Niets ging zijn krachten te boven,

zelfs toen hij al gestorven was, profeteerde zijn lichaam nog.

14Bij zijn leven gaf hij tekenen,

ook na zijn dood verrichtte hij wonderbaarlijke daden.

15Maar het volk kwam door dit alles niet tot inkeer,

het hield niet op met zondigen,

totdat het uit het land werd weggevoerd

en over de hele aarde werd verstrooid.

Slechts een heel klein volk bleef er over,

met een heerser uit het huis van David.

16Sommigen van hen deden het goede,

maar anderen zondigden steeds meer.

Hizkia en Jesaja

17

48:17
2 Kon. 20:20
Jes. 22:11
Hizkia versterkte zijn stad

en leidde er water naar binnen.

Hij doorboorde met ijzeren werktuigen de rotsen

en bouwde waterreservoirs.

18

48:18-22
Jes. 36:1-37:38
Tijdens zijn regering rukte Sanherib op,

die stuurde zijn rabsake.48:18 die stuurde zijn rabsake – Voorgestelde lezing. Brontekst: ‘die stuurde zijn rabsake, en die ging weer weg’.

Deze hief zijn hand op tegen Sion

en sprak in zijn hoogmoed verwaande woorden.

19Toen beefde de bevolking van angst

en sidderde als een vrouw in barensnood.

20Ze riepen de barmhartige Heer aan

en hieven hun handen naar hem op.

De Heilige in de hemel verhoorde hen snel

en redde hen door toedoen van Jesaja.

21Hij versloeg het leger van de Assyriërs,

zijn engel vernietigde het.

22Want Hizkia had gedaan wat de Heer goed vindt,

hij hield krachtig vast aan de levenswijze van zijn voorvader David,

zoals de profeet Jesaja hem had voorgeschreven –

groot was die en betrouwbaar in zijn visioenen.

23

48:23
2 Kon. 20:5-11
Jes. 38:4-8
In zijn tijd ging de zon achteruit

en werd het leven van de koning verlengd.

24

48:24
Jes. 40:1
Met zijn grote geest zag hij de laatste dingen

en sprak hij de treurenden van Sion moed in.

25

48:25
Jes. 46:10
Hij kondigde aan wat ging gebeuren, tot in de verste toekomst,

voordat het gebeurde voorspelde hij wat nog verborgen was.