Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)

441

44:1-15
1 Mak. 2:51-64
Laat ons de beroemde mannen prijzen,

onze voorvaders, generatie na generatie.

2De Heer heeft hun veel luister toebedeeld,

hen vanaf het begin groot gemaakt.

3Er waren heersers over koninkrijken,

mannen vermaard om hun kracht,

raadgevers vol inzicht,

verkondigers van profetieën,

4leiders van het volk door hun raad

en door hun verstandige onderricht van het volk –

wijs waren hun woorden bij hun onderwijs.

5Er waren mensen die melodieën bedachten,

en mensen die spreuken te boek stelden,

6rijke mensen met invloed,

vredestichters in hun woonplaatsen.

7Ze werden allen door hun tijdgenoten geroemd,

ze waren de trots van hun tijd.

8Sommigen van hen lieten een naam na,

zodat hun lof nog steeds verkondigd wordt.

9Aan anderen wordt niet meer gedacht,

ze zijn verdwenen alsof ze nooit hadden bestaan,

alsof ze nooit waren geboren;

en zo verging het ook hun kinderen.

10Maar de eersten waren barmhartig,

hun rechtvaardigheid werd niet vergeten.

11Hun naam blijft met hun nageslacht,

hun nakomelingen zijn hun goede erfenis.

12

44:12
Sir. 39:9
Hun nageslacht houdt zich aan de verbonden,

hun nakomelingen doen dat dankzij hen.

13Hun nageslacht blijft tot in eeuwigheid,

hun roem zal niet worden uitgewist.

14Ze werden in vrede begraven,

hun naam leeft voort van generatie op generatie.

15

44:15
Sir. 39:10
Over hun wijsheid zullen de volken vertellen,

de gemeenschap zal hun lof verkondigen.

Henoch en Noach

16

44:16
Gen. 5:24
Hebr. 11:5
Henoch was de Heer welgevallig en hij werd weggenomen,

een toonbeeld van inkeer voor alle generaties.

17

44:17
Gen. 6:9
7:1
1 Petr. 3:20
2 Petr. 2:5
Noach werd voorbeeldig en rechtschapen bevonden,

ten tijde van Gods toorn was hij het losgeld.

Toen de zondvloed kwam

bleef dankzij hem een rest van de aarde behouden.

18

44:18
Gen. 8:21-22
9:9-17
Met hem werd een eeuwig verbond gesloten,

zodat niet nog eens alle leven door een vloed zou worden weggevaagd.

Abraham, Isaak en Jakob

19

44:19-21
Rom. 4:13-18
Abraham is de aartsvader van een menigte volken,

er kleeft geen smet aan zijn roem.

20

44:20-21
Gen. 17:2-5
22:1-18
44:20
1 Mak. 2:52
Hebr. 11:17
Hij hield zich aan de wet van de Allerhoogste

en had met hem een verbond.

Dat verbond heeft hij in zijn lichaam gesneden,

en toen hij werd beproefd, bleek zijn trouw.

21

44:21
Gen. 12:2-3
15:5,18
Hand. 3:25
Gal. 3:8
Daarom heeft de Heer hem onder ede beloofd

dat door zijn nageslacht de volken gezegend zouden zijn.

Hij zou het zo talrijk maken als het stof van de aarde,

zijn nageslacht als sterren verheffen,

het een gebied geven van zee tot zee,

van de Rivier tot aan de einden der aarde.

22

44:22
Gen. 26:3-4
Aan Isaak beloofde hij hetzelfde,

vanwege zijn vader Abraham.

Ook liet hij het verbond en de zegen voor alle mensen

23

44:23
Gen. 17:19
28:14
Deut. 32:8-9
op het hoofd van Jakob rusten.

Door zijn zegen erkende hij hem

en gaf hij hem een gebied,

dat hij verdeelde onder de twaalf stammen.

Mozes

Hij bracht uit Jakob een barmhartig man voort,

die ieders genegenheid won,