Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
39

391onderzoekt de wijsheid van vroeger tijden

en houdt zich bezig met de profetieën,

2onthoudt de uiteenzettingen van beroemde mannen

en doorgrondt de betekenis van spreuken.

3Hij onderzoekt geheimzinnige gezegden

en houdt zich bezig met raadselachtige spreuken.

4

39:4
Sir. 34:12
51:13
Aanzienlijken biedt hij zijn diensten aan

en hij verkeert onder leiders.

Hij reist door landen van vreemde volken

en ervaart wat er aan goed en kwaad is onder de mensen.

5Al vroeg in de morgen zoekt hij met hart en ziel de Heer,

die hem gemaakt heeft;

hij bidt tot de Allerhoogste.

Hij spreekt een gebed uit

en vraagt om vergeving voor zijn zonden.

6

39:6
Jes. 11:2
Jak. 1:5
Als de Heer, de machtige, het wil

wordt hij van inzicht vervuld.

Dan laat hij zijn wijze woorden stromen

en looft de Heer in een gebed.

7Hij richt zich op kennis en inzicht

en overdenkt Gods verborgenheden.

8Hij geeft blijk van de vorming die hij heeft gekregen

en laat zich voorstaan op de wet van het verbond met de Heer.

9Velen prijzen zijn kennis

en hij zal nooit worden vergeten;

de herinnering aan hem gaat nooit verloren,

zijn naam leeft voort van generatie op generatie.

10

39:10
Sir. 44:15
Volken zullen over zijn wijsheid vertellen

en de gemeenschap zal zijn lof verkondigen.

11Zolang hij leeft krijgt hij meer lof dan duizend anderen,

wanneer hij sterft blikt hij tevreden terug.39:11 blikt hij tevreden terug – Voorgestelde lezing. Brontekst: ‘is het hem voldoende’.

Lofzang op de Heer

12Nog meer van mijn gedachten zal ik uitspreken,

als de volle maan zo vol ben ik ervan.

13

39:13
Ps. 1:3
Luister naar mij, mijn vrome zonen,

en bloei als een roos bij een waterstroom.

14Geur zo aangenaam als wierook

en bloei als een lelie.

Verhef je stem, zing samen een loflied

en prijs de Heer om al zijn daden.

15Verheerlijk zijn naam

en prijs hem met lofgezang,

met liederen en citerspel.

Loof hem met deze woorden:

16

39:16
Gen. 1:31
Ps. 104:24
Pred. 3:11
De daden van de Heer zijn alle voortreffelijk,

alles wat hij beschikt gebeurt op de juiste tijd.

17Zeg niet: ‘Wat is dit? Waartoe dient het?’

want alles blijkt nuttig op het juiste moment.

Met zijn woord heeft hij het water bijeengebracht

en op zijn bevel werd het in bekkens verzameld.

18

39:18
1 Sam. 14:6
Op zijn bevel gebeurt wat hem goeddunkt

en niemand kan verhinderen dat hij redt.

19

39:19
Wijsh. 1:7-8
Sir. 15:18-19
Hij doorziet de daden van de mensen,

niets blijft voor hem verborgen.

20Van eeuw tot eeuw ziet hij toe,

niets is onbegrijpelijk voor hem.

21Zeg niet: ‘Wat is dit? Waartoe dient het?’

want alles werd geschapen om in een behoefte te voorzien.

22Zijn zegen bevloeit het dorre land als een rivier

en drenkt het als een watervloed.

23Zoals hij water in een zoutzee heeft veranderd,

zo zal zijn toorn de volken treffen.

24Zijn wegen zijn effen voor de vromen,

maar vol struikelblokken voor de wettelozen.

25

39:25
Sir. 33:14-15
Het goede werd vanaf het begin voor goede mensen geschapen,

het slechte voor zondaars.

26

39:26
Sir. 29:21
De eerste levensbehoeften van een mens zijn

water, vuur, ijzer en zout,

tarwebloem, melk en honing,

druivensap, olijfolie en kleding.

27

39:27
Ps. 18:27
Dit alles is goed voor vrome mensen,

maar voor zondaars wordt het slecht.

28Stormen zijn geschapen om te straffen,

in hun razernij gaan ze tekeer.

Wanneer hun maker straft, tonen ze hun geweld,

daarmee stillen ze zijn woede.

29Vuur, hagel, hongersnood en dood,

dit alles werd geschapen om te straffen.

30Schorpioenen en adders, de tanden van wilde dieren,

het wrekende zwaard dat goddelozen vernietigt –

31

39:31
Job 38:22-23
Sir. 39:17
43:14
ze voeren maar al te graag zijn opdracht uit.

Ze zijn bereid hun taak op aarde te vervullen;

als het moment is gekomen, doen ze wat hun opgedragen is.

32Daarom had ik vanaf het begin deze overtuiging,

die ik heb overdacht en op schrift heb gesteld:

33de daden van de Heer zijn alle goed,

hij voorziet op de juiste tijd in elke behoefte.

34Zeg niet: ‘Dit is slechter dan dat,’

want alles blijkt van waarde op zijn tijd.

35

39:35
Ps. 145:21
Zing daarom met heel je hart, uit volle borst,

en prijs de naam van de Heer.

40

Zorgen en ellende

401

40:1
Gen. 3:16-19
Job 7:1-2
14:1-2
Ps. 90:10
Ieder mens zijn veel zorgen beschoren,

de nakomelingen van Adam dragen een zwaar juk,

vanaf de dag dat zij de moederschoot hebben verlaten

tot op de dag dat zij naar hun aller moeder terugkeren.

2Hun gepieker komt voort uit het besef van wat zal komen,

ze worden beheerst door angst voor de dag van hun dood.

3Wie op zijn luisterrijke troon zetelt,

maar ook wie neerzit in stof en as,

4wie het purper draagt, en de kroon,

maar ook wie een grof linnen kiel draagt –

5

40:5-6
Deut. 28:65-67
Job 7:4
Pred. 2:23
allen kennen woede en afgunst, verwarring en onrust,

angst voor de dood, wrok en ruzie.

’s Nachts in bed, wanneer zij rusten,

brengt de slaap hun nieuwe onrust,

6ze krijgen weinig of geen rust,

in hun dromen worden ze even moe als overdag,

beangstigd door wat ze zien,

als mensen op de vlucht voor oorlog.

7Wanneer de nood het hoogst is worden ze wakker,

verbaasd dat ze bang waren voor niets.

8Zo gaat het met alles wat leeft, van mens tot dier,

maar zondaars worden zevenmaal erger getroffen;

9hun wachten dood, geweld, strijd, zwaard,

rampen, hongersnood, onderdrukking, plagen.

10

40:10
Gen. 6:13
Sir. 39:25,29
Dit alles werd geschapen voor de wettelozen,

door hen is de watervloed gekomen.

11

40:11
Gen. 3:19
Ps. 146:4
Pred. 1:7
Sir. 41:10
Alles wat uit de aarde komt, keert naar de aarde terug,

alles wat uit het water komt, keert naar de zee terug.

Onrecht en goedgunstigheid

12Elk geschenk dat voortkomt uit onrechtvaardigheid vergaat,

maar trouw houdt eeuwig stand.

13Het bezit van de onrechtvaardige is als een rivier die droogvalt,

als een donderslag die wegsterft bij een regenbui.

14Wie vrijgevig is zal vreugde ondervinden,

wie overtredingen begaat verliest zijn leven.

15

40:15
Wijsh. 4:3
Sir. 23:25
Het nageslacht van goddelozen vertakt zich niet,

het heeft zwakke wortels op een harde rotsgrond,

16

40:16
Job 8:11-12
het is als riet aan de waterkant of de oever van een rivier,

dat voor al het andere gras wordt uitgerukt.

17

40:17
Sir. 40:27
Goedgunstigheid is als een hof vol zegeningen

en barmhartigheid houdt eeuwig stand.

Ontzag voor de Heer

18Wie van zijn bezit of zijn werk leeft heeft het goed,

maar wie een schat vindt heeft het beter.

19Kinderen en de bouw van een stad vestigen je naam,

maar beter dan beide is een onberispelijke vrouw.

20

40:20
Ps. 104:15
Wijn en muziek verblijden het hart,

maar beter dan beide is liefde voor wijsheid.

21Fluit en harp maken een melodie bekoorlijk,

maar beter dan beide is een mooie stem.

22Gratie en schoonheid strelen het oog,

maar beter dan beide is het opkomend gewas.

23Boezemvrienden ontmoeten elkaar op afgesproken tijden,

maar beter is het samenzijn van man en vrouw.

24

40:24
Spr. 17:17
Een behulpzame broer steunt je in tijden van nood,

maar beter is barmhartigheid die redt.

25Goud en zilver geven houvast in het leven,

maar beter dan beide is goede raad.

26Bezit en kracht geven zelfvertrouwen,

maar beter dan beide is ontzag voor de Heer.

Ontzag voor de Heer leidt nooit tot gebrek,

daardoor hoef je geen hulp te zoeken.

27

40:27
Sir. 40:17
Ontzag voor de Heer is als een hof vol zegeningen,

het biedt meer bescherming dan een hoge positie.

Bedelen

28Mijn kind, ga niet als bedelaar door het leven,

beter dat je sterft dan dat je bedelt.

29Een mens die naar de tafel van een ander kijkt,

heeft geen leven dat die naam verdient.

Hij verontreinigt zich met vreemde spijzen,

een verstandig en welgemanierd mens hoedt zich daarvoor.

30Een schaamteloos mens bedelt vriendelijk,

maar in zijn binnenste laait een vuur.

41

De dood

411Dood, hoe bitter is de gedachte aan jou

voor een mens die vreedzaam leeft te midden van zijn bezittingen,

die geen zorgen heeft, in alles voorspoed kent

en nog volop van het leven kan genieten.

2

41:2
Job 3:20-21
Dood, hoe goed is je vonnis

voor een mens die gebrek lijdt en wiens kracht afneemt,

voor een hoogbejaarde die zich over alles zorgen maakt,

opstandig is en geen geduld meer heeft.

3Vrees het vonnis van de dood niet,

denk aan wie je voorgingen en aan wie je zullen volgen.

4

41:4
Pred. 6:6
9:10
Het is het vonnis van de Heer over alles wat leeft,

waarom zou je verwerpen wat de Allerhoogste welgevallig is?

Of je nu tien, twintig of duizend jaar geleefd hebt,

in het dodenrijk kun je niet klagen over de duur van je leven.

5De kinderen van zondaars zijn afschuwelijk,

ze verkeren onder goddelozen.

6De erfenis van kinderen van zondaars gaat verloren,

op hun nageslacht rust blijvende schande.

7Kinderen veroordelen een goddeloze vader,

want om hem worden ze belasterd.

8Wee jullie, goddeloze mannen,

die de wet van de Allerhoogste hebben verlaten:

9als jullie kinderen krijgen worden ze vernietigd,

jullie werden vervloekt bij je geboorte,

jullie worden vervloekt bij je dood.

10

41:10
Job 1:21
Sir. 40:11
Alles wat uit de aarde komt, keert naar de aarde terug,

zo gaan de goddelozen van vervloeking naar vernietiging.

11

41:11
Spr. 10:7
De klaagzang over doden geldt alleen hun lichaam,

maar van zondaars wordt zelfs de naam uitgewist.

12

41:12
Spr. 22:1
Pred. 7:1
Behoed je naam, hij blijft langer bij je

dan duizenden grote schatten van goud.

13Een goed leven heeft een eindig aantal dagen,

maar een goede naam blijft tot in eeuwigheid.

Schaamte

14

41:14-15
Sir. 20:30-31
Mat. 5:14-16
Kinderen, onthoud wat je geleerd hebt en wees tevreden.

Welk nut hebben verborgen wijsheid en een onbereikbare schat?

15Beter een mens die zijn dwaasheid verbergt

dan een mens die zijn wijsheid verbergt.

16Schaam je voor de dingen die ik zal noemen

(het is niet goed je voor alles te schamen

en niet ieders oordeel is betrouwbaar).

17Schaam je tegenover je vader en moeder voor ontucht

en tegenover leiders en meerderen voor leugenachtigheid,

18tegenover een rechter en een ambtenaar voor wangedrag

en tegenover het volk en de gemeenschap voor wetteloosheid,

tegenover een vriend en een metgezel voor onrecht

19en tegenover je stadsgenoten voor diefstal.

Schaam je tegenover de waarheid van God en zijn verbond

en voor gulzigheid tijdens een maaltijd,

voor schelden bij het nemen en geven

20en voor zwijgen tegenover hen die je groeten,

voor het kijken naar een hoer

21

41:21
Sir. 9:8
en voor het negeren van een bloedverwant.

Schaam je voor het stelen van een geschenk of iemands deel

en voor het kijken naar de vrouw van een ander,

22voor omgang met zijn slavin

– nader haar bed niet –,

voor beledigingen tegenover vrienden

– beledig hen niet als je iets geeft –,