Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
36

Gebed om erbarmen voor Israël

361Heer, God van alles wat bestaat, ontferm u over ons,

2boezem alle volken angst voor u in.

3

36:3
Ps. 79:6
Jer. 10:25
Ezech. 28:22
38:23
Hef uw hand op tegen vreemde volken,

laat hen uw macht ervaren.

4

36:4
Deut. 32:39
1 Kon. 8:43
2 Kon. 19:19
Aan hen hebt u door ons uw heiligheid getoond,

toon zo door hen aan ons uw macht.

5

36:5
1 Kron. 17:20
Jes. 45:14
Laten zij u erkennen, zoals ook wij erkennen, Heer,

dat er geen god is buiten u.

6Hernieuw de tekenen, herhaal de wonderen,

7toon de grote macht van uw hand en rechterarm.

8Wek uw woede op, stort uw toorn uit,

9vernietig de tegenstander, verdelg de vijand.

10Haast u, volvoer uw besluit,

laat iedereen over uw grote daden vertellen.

11Laat wie vlucht door uw vurige toorn worden verteerd,

vernietig ieder die uw volk kwaad doet.

12Verbrijzel de hoofden van de aanvoerders van de vijanden,

die zeggen: ‘Er is niemand buiten ons.’

13Breng de stammen van Jakob weer samen

en geef hun het gebied van vroeger.

14

36:14
Ex. 4:22
Heer, ontferm u over uw volk, naar uw naam genoemd,

over Israël, dat u tot uw eerstgeborene hebt gemaakt.

15

36:15
Ps. 102:14
Ontferm u over de stad van uw heiligdom,

over Jeruzalem, waar uw rustplaats is.

16Vervul Sion met de lofprijzing van uw glorie

en uw tempel met uw luister.

17Neem het op voor uw eerste schepselen,

vervul de profetieën die in uw naam zijn uitgesproken.

18Beloon wie standvastig op u wachten,

laat uw profeten geloofwaardig blijken.

Verhoor, Heer, het gebed van uw dienaren,

19u was uw volk toch altijd welgezind?

Dan zullen allen op aarde weten

dat u de Heer bent, de eeuwige God.

De vrouw, de vriend en de raadgever

20De maag verteert alle voedsel,

maar het ene voedsel is beter dan het andere.

21Zoals de tong het wild aan de smaak herkent,

zo herkent een verstandig mens leugens.

22Een verdorven mens veroorzaakt ellende,

een ervaren mens verdedigt zich ertegen.

23Een vrouw moet iedere man accepteren,

maar een man kan de beste vrouw uitkiezen.

24De schoonheid van een vrouw verblijdt het gezicht van haar man

en overtreft alles wat hij kan wensen;

25heeft ze ook een zachte en vriendelijke tong,

dan is geen sterveling met haar man te vergelijken.

26

36:26
Gen. 2:18
Wie een vrouw verwerft legt de grondslag voor zijn bezit,

krijgt een helper die bij hem past, een zuil van rust.

27

36:27
Gen. 4:12
Waar geen omheining is wordt het bezit geroofd,

waar geen vrouw is zwerft een man zwaarmoedig rond.

28Want wie vertrouwt een zwaarbewapende rover,

die van stad naar stad trekt?

Zo vertrouwt men evenmin een mens zonder thuis,

die overnacht waar hij laat in de avond aankomt.

37

371

37:1-6
Sir. 6:5-17
37:1
Spr. 20:6
Elke vriend zal zeggen: ‘Ik ben je vriend,’

maar sommige zijn het alleen in naam.

2Is het geen dodelijk verdriet

als een boezemvriend in een vijand verandert?

3Verdorven gezindheid, waar kom je vandaan,

jij die de aarde bedekt met bedrog?

4De ene vriend verheugt zich over de vreugde van zijn vriend,

maar in tijden van tegenspoed keert hij zich tegen hem.

5De andere vriend zwoegt samen met zijn vriend voor voedsel,

en in tijden van oorlog verdedigt hij hem met zijn schild.

6

37:6
Spr. 27:10
Houd een vriend altijd in gedachten,

vergeet hem niet in tijden van voorspoed.

7

37:7
Sir. 6:6
Elke raadgever prijst zijn eigen raad,

maar sommige denken alleen aan zichzelf.

8Wees op je hoede voor iemand die raad geeft,

ga eerst na wat zijn belang is;

zijn raad kan ook op eigen voordeel zijn gericht.

Geef je lot niet in handen van iemand die tegen je zegt:

9‘Je bent op de goede weg,’

maar die enkel toekijkt als je wat overkomt.

10Vraag geen raad aan wie je niet recht in de ogen kijkt,

geef geen raad aan wie jaloers op je is.

11

37:11
Spr. 20:14
Vraag geen raad aan een vrouw over haar rivale,

aan een lafaard over oorlog,

aan een koopman over zaken,

aan een koper over verkoop,

aan een jaloers mens over dankbaarheid,

aan een onbarmhartig mens over edelmoedigheid,

aan een luiaard over werk,

aan een losse werkkracht over de voltooiing van een taak,

aan een luie slaaf over veel werk.

Vertrouw de raad van geen van hen,

12

37:12
Sir. 9:15
maar ga steeds naar een vroom mens,

iemand van wie je weet dat hij de geboden naleeft,

die één van geest met je is

en die als je struikelt de pijn met je deelt.

13Volg de raad van je eigen verstand,

er is voor jou geen betrouwbaarder raad.

14Het verstand van een mens heeft soms meer te zeggen

dan zeven wachters op een uitkijktoren.

15

37:15
Spr. 16:9
En bid bij dit alles tot de Allerhoogste

dat hij je levensweg richt op de waarheid.

16Ieder werk begint met overleg,

aan elke daad gaat een plan vooraf.

17De wortel van alle beleid is het verstand,37:17 De wortel van alle beleid is het verstand – Volgens het Hebreeuws. Brontekst: ‘Verandering komt voort uit het hart’.

18

37:18
Spr. 18:21
daar spruiten vier loten uit voort:

goed en kwaad, leven en dood,

maar uiteindelijk beslist de tong erover.

19Er zijn verstandige mannen die velen onderwijzen,

maar zichzelf niet tot nut zijn.

20Er zijn mannen die wijze woorden spreken,

maar worden veracht,

ze zullen elk genoegen ontberen,

21want de Heer onthoudt hun zijn gunst,

hun wijsheid wordt niet erkend.

22Er zijn mannen die wijs zijn voor zichzelf,

de vrucht van hun verstand komt hunzelf ten goede.

23Een wijs man onderricht zijn volk,

de vrucht van zijn verstand is betrouwbaar.

24Een wijs man wordt rijkelijk gezegend,

allen die hem ontmoeten zullen hem gelukkig prijzen.

25De dagen van een mensenleven zijn te tellen,

maar de dagen van Israël zijn ontelbaar.

26Een wijze verwerft eer bij zijn volk,

zijn naam leeft voort tot in eeuwigheid.

Matigheid

27Mijn kind, toets jezelf je leven lang,

stel vast wat slecht voor je is, en geef daar niet aan toe,

28

37:28
1 Kor. 6:12
10:23
want niet alles is voor iedereen goed,

niet iedereen schept in alles genoegen.

29Geef je niet gulzig over aan alle genot,

ga je niet aan lekkernijen te buiten,

30want overdadig eten maakt ziek

en gulzigheid leidt tot onpasselijkheid.

31Door gulzigheid zijn velen gestorven,

wie matig is verlengt zijn leven.

38

Gezondheid

381Eer een arts, want je hebt hem nodig,

ook hij is door de Heer geschapen,

2en hoewel genezing van de Allerhoogste komt,

wordt hij door de koning beloond.

3Een arts wordt om zijn kennis geëerd,

hij wordt door aanzienlijken bewonderd.

4Door de Heer brengt de aarde geneeskrachtige kruiden voort,

een verstandig mens versmaadt ze niet.

5

38:5
Ex. 15:23-25
Werd het water niet zoet door een stuk hout,

zodat zijn kracht zichtbaar werd?

6De Heer zelf gaf de mensen de kennis,

zodat hij om zijn wonderbaarlijke kruiden wordt geprezen.

7Daarmee geneest hij en neemt hij de pijn weg,

8de apotheker maakt er een balsem van.

Het werk van de Heer kent geen einde,

hij brengt genezing op de aarde.

9Mijn kind, negeer je ziekte niet,

maar bid tot de Heer, dan zal hij je genezen.

10Bega geen misstappen, handel rechtschapen,

reinig je van elke zonde.

11Breng een aangenaam geurend offer, geef een handvol tarwebloem,

breng een rijk offer, alsof je al op sterven ligt.

12Laat de dokter zijn werk doen, ook hij is door de Heer geschapen,

houd hem niet op een afstand, ook hij is nodig.

13De goede afloop ligt soms in zijn handen;

14ook hij bidt tot de Heer

dat hij hem de weg naar genezing wijst

en het leven redt.

15Moge wie zondigt tegen zijn maker

in handen vallen van een arts.

Rouw

16Mijn kind, stort tranen over een dode,

lijd bitter om hem en hef een klaagzang aan.

Begraaf hem op gepaste wijze

en verwaarloos zijn graf niet.

17Stort bittere tranen, weeklaag hevig,

rouw zoals past bij zijn waardigheid.

Rouw één dag, rouw er twee, om opspraak te voorkomen,

en vind dan troost voor je verdriet.

18Want verdriet tast je krachten aan

en leidt tot de dood.

19In ellende duurt het verdriet voort,

een leven in armoede is een vloek voor het hart.

20

38:20
Sir. 7:36
28:6
30:21
Geef je niet over aan verdriet,

zet het van je af, weet dat het tot de dood leidt.

21

38:21
Job 14:7-22
Bedenk dat er geen weg terug is,

je helpt de dode niet en je doet jezelf kwaad.

22Bedenk dat zijn lot ook het jouwe zal zijn,

gisteren ik, vandaag jij.

23Als de dode rust, laat dan ook zijn nagedachtenis rusten,

wees getroost nu hij is heengegaan.

Werklieden en schriftgeleerden

24Om wijs te worden moet een schriftgeleerde tijd voor studie hebben,

hoe minder je werkt, hoe wijzer je wordt.

25Hoe wordt iemand wijs die de ploeg bestuurt,

vol trots de ossenprik hanteert,

de ossen drijft, ermee werkt

en het steeds maar over jonge stieren heeft?

26Met hart en ziel trekt hij voren,

hij offert zijn slaap op om de kalveren te voeren.

27Zo vergaat het iedere handwerker, iedere vakman,

die dag en nacht werkt;

zo vergaat het ieder die zegels snijdt,

hij wordt niet moe om telkens iets nieuws te maken.

Met hart en ziel maakt hij een afbeelding die lijkt,

hij offert zijn slaap op om zijn werk te voltooien.

28Zo vergaat het de smid die bij het aambeeld staat,

een en al aandacht voor het ijzer dat hij bewerkt.

Zijn vlees verschroeit in de gloed van het vuur,

hij vecht tegen de hitte van de oven,

de hamerslagen dreunen in zijn oren,38:28 de hamerslagen dreunen in zijn oren – Voorgestelde lezing. Brontekst: ‘de hamerslagen vernieuwen zijn oor’.

zijn ogen zijn gericht op het model.

Met hart en ziel voltooit hij zijn werk,

hij offert zijn slaap op om het zo mooi mogelijk te maken.

29Zo vergaat het de pottenbakker die aan het werk is

en met zijn voeten het wiel draait,

die zich altijd maar zorgen maakt over zijn werk,

het vereiste aantal potten moet maken.

30Met zijn handen vormt hij de klei

en met zijn voeten kneedt hij hem.

Met hart en ziel brengt hij glazuur aan,

hij offert zijn slaap op om de oven schoon te maken.

31Ieder van hen vertrouwt op zijn handen

en ieder van hen is wijs in zijn vak.

32Zonder hen is geen stad bewoonbaar

en komen daar vreemdelingen noch reizigers.

Maar voor de volksraad worden ze niet gevraagd

33en in de volksvergadering nemen ze geen belangrijke plaats in,

op de rechterstoel nemen ze niet plaats

en van rechtsbesluiten hebben ze geen verstand.

Ze geven blijk van vorming noch oordeel

en spreuken krijg je van hen niet te horen.

34

38:34-39:1
Ps. 1:1-2
Maar wat voor altijd geschapen is, krijgt door hen zijn plaats,

ze hebben alleen de behoefte hun ambacht uit te oefenen.

Wie echter met heel zijn geest nadenkt over de wet van de Allerhoogste,