Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
35

351

35:1
Deut. 12:6
14:23
26:12-15
1 Sam. 15:22
Wie de wet in acht neemt brengt veel offers:

2

35:2
Hebr. 13:16
wie de geboden naleeft brengt een vredeoffer,

3wie een weldaad bewijst brengt een graanoffer,

4wie barmhartigheid betoont brengt een dankoffer.

5Je verre houden van slechtheid is de Heer welgevallig,

je verre houden van onrecht brengt verzoening.

6

35:6
Deut. 16:16
Verschijn niet met lege handen voor de Heer,

7want dit alles eisen de geboden.

8

35:8
Gen. 8:21
Lev. 2:2
Het offer van een rechtvaardige maakt het altaar vet,

de aangename geur stijgt op naar de Allerhoogste.

9Het offer van een rechtvaardige wordt aanvaard,

het zal niet worden vergeten.

10

35:10
Deut. 26:1-11
Prijs de Heer met je vrijgevigheid,

wees niet karig met de vruchten van de nieuwe oogst.

11

35:11
Lev. 27:30,32
Breng elke gave met een blij gezicht

en heilig de tienden met vreugde.

12

35:12
2 Kor. 9:7
Geef de Allerhoogste naar wat hij gegeven heeft,

wees vrijgevig, geef naar vermogen,

13want de Heer beloont je,

hij geeft het je zevenvoudig terug.

De Heer zorgt voor de zwakken

14

35:14
Deut. 10:17
Job 34:19
Probeer de Heer niet om te kopen,

want hij gaat er niet op in.

15Vertrouw niet op een offergave die door onrecht is verkregen,

want de Heer is een rechter

en persoonlijk aanzien is voor hem niet van belang.

16Hij is niet partijdig ten koste van de arme,

hij verhoort de bede van wie onrecht werd gedaan.

17

35:17
Ex. 22:21-23
Luc. 18:1-8
Hij slaat acht op de smeekbede van een wees

en op de jammerklachten van een weduwe.

18Stromen een weduwe de tranen niet over de wangen,

19weeklaagt ze niet om de man die haar tranen doet stromen?

20Wie de Heer zo dient dat het hem behaagt, wordt aangenomen,

zijn bede reikt tot aan de wolken.

21Het gebed van een nederige dringt door de wolken heen,

hij is ontroostbaar zolang het niet aankomt,

hij volhardt totdat de Allerhoogste er aandacht aan schenkt,

22totdat hij ten gunste van de rechtvaardige oordeelt

en dat oordeel uitvoert.

De Heer talmt niet en heeft geen geduld met de onbarmhartige,

hij breekt hem de heupen.

23Hij straft de volken,

roeit alle hoogmoedigen uit,

verbrijzelt de scepters van de onrechtvaardigen.

24Hij beloont de mens naar zijn daden,

beoordeelt hun daden naar hun bedoelingen.

25Hij doet zijn volk recht

en geeft het vreugde door zijn barmhartigheid.

26Even welkom is zijn barmhartigheid in tijden van verdrukking

als regenwolken in tijden van droogte.

36

Gebed om erbarmen voor Israël

361Heer, God van alles wat bestaat, ontferm u over ons,

2boezem alle volken angst voor u in.

3

36:3
Ps. 79:6
Jer. 10:25
Ezech. 28:22
38:23
Hef uw hand op tegen vreemde volken,

laat hen uw macht ervaren.

4

36:4
Deut. 32:39
1 Kon. 8:43
2 Kon. 19:19
Aan hen hebt u door ons uw heiligheid getoond,

toon zo door hen aan ons uw macht.

5

36:5
1 Kron. 17:20
Jes. 45:14
Laten zij u erkennen, zoals ook wij erkennen, Heer,

dat er geen god is buiten u.

6Hernieuw de tekenen, herhaal de wonderen,

7toon de grote macht van uw hand en rechterarm.

8Wek uw woede op, stort uw toorn uit,

9vernietig de tegenstander, verdelg de vijand.

10Haast u, volvoer uw besluit,

laat iedereen over uw grote daden vertellen.

11Laat wie vlucht door uw vurige toorn worden verteerd,

vernietig ieder die uw volk kwaad doet.

12Verbrijzel de hoofden van de aanvoerders van de vijanden,

die zeggen: ‘Er is niemand buiten ons.’

13Breng de stammen van Jakob weer samen

en geef hun het gebied van vroeger.

14

36:14
Ex. 4:22
Heer, ontferm u over uw volk, naar uw naam genoemd,

over Israël, dat u tot uw eerstgeborene hebt gemaakt.

15

36:15
Ps. 102:14
Ontferm u over de stad van uw heiligdom,

over Jeruzalem, waar uw rustplaats is.

16Vervul Sion met de lofprijzing van uw glorie

en uw tempel met uw luister.

17Neem het op voor uw eerste schepselen,

vervul de profetieën die in uw naam zijn uitgesproken.

18Beloon wie standvastig op u wachten,

laat uw profeten geloofwaardig blijken.

Verhoor, Heer, het gebed van uw dienaren,

19u was uw volk toch altijd welgezind?

Dan zullen allen op aarde weten

dat u de Heer bent, de eeuwige God.

De vrouw, de vriend en de raadgever

20De maag verteert alle voedsel,

maar het ene voedsel is beter dan het andere.

21Zoals de tong het wild aan de smaak herkent,

zo herkent een verstandig mens leugens.

22Een verdorven mens veroorzaakt ellende,

een ervaren mens verdedigt zich ertegen.

23Een vrouw moet iedere man accepteren,

maar een man kan de beste vrouw uitkiezen.

24De schoonheid van een vrouw verblijdt het gezicht van haar man

en overtreft alles wat hij kan wensen;

25heeft ze ook een zachte en vriendelijke tong,

dan is geen sterveling met haar man te vergelijken.

26

36:26
Gen. 2:18
Wie een vrouw verwerft legt de grondslag voor zijn bezit,

krijgt een helper die bij hem past, een zuil van rust.

27

36:27
Gen. 4:12
Waar geen omheining is wordt het bezit geroofd,

waar geen vrouw is zwerft een man zwaarmoedig rond.

28Want wie vertrouwt een zwaarbewapende rover,

die van stad naar stad trekt?

Zo vertrouwt men evenmin een mens zonder thuis,

die overnacht waar hij laat in de avond aankomt.

37

371

37:1-6
Sir. 6:5-17
37:1
Spr. 20:6
Elke vriend zal zeggen: ‘Ik ben je vriend,’

maar sommige zijn het alleen in naam.

2Is het geen dodelijk verdriet

als een boezemvriend in een vijand verandert?

3Verdorven gezindheid, waar kom je vandaan,

jij die de aarde bedekt met bedrog?

4De ene vriend verheugt zich over de vreugde van zijn vriend,

maar in tijden van tegenspoed keert hij zich tegen hem.

5De andere vriend zwoegt samen met zijn vriend voor voedsel,

en in tijden van oorlog verdedigt hij hem met zijn schild.

6

37:6
Spr. 27:10
Houd een vriend altijd in gedachten,

vergeet hem niet in tijden van voorspoed.

7

37:7
Sir. 6:6
Elke raadgever prijst zijn eigen raad,

maar sommige denken alleen aan zichzelf.

8Wees op je hoede voor iemand die raad geeft,

ga eerst na wat zijn belang is;

zijn raad kan ook op eigen voordeel zijn gericht.

Geef je lot niet in handen van iemand die tegen je zegt:

9‘Je bent op de goede weg,’

maar die enkel toekijkt als je wat overkomt.

10Vraag geen raad aan wie je niet recht in de ogen kijkt,

geef geen raad aan wie jaloers op je is.

11

37:11
Spr. 20:14
Vraag geen raad aan een vrouw over haar rivale,

aan een lafaard over oorlog,

aan een koopman over zaken,

aan een koper over verkoop,

aan een jaloers mens over dankbaarheid,

aan een onbarmhartig mens over edelmoedigheid,

aan een luiaard over werk,

aan een losse werkkracht over de voltooiing van een taak,

aan een luie slaaf over veel werk.

Vertrouw de raad van geen van hen,

12

37:12
Sir. 9:15
maar ga steeds naar een vroom mens,

iemand van wie je weet dat hij de geboden naleeft,

die één van geest met je is

en die als je struikelt de pijn met je deelt.

13Volg de raad van je eigen verstand,

er is voor jou geen betrouwbaarder raad.

14Het verstand van een mens heeft soms meer te zeggen

dan zeven wachters op een uitkijktoren.

15

37:15
Spr. 16:9
En bid bij dit alles tot de Allerhoogste

dat hij je levensweg richt op de waarheid.

16Ieder werk begint met overleg,

aan elke daad gaat een plan vooraf.

17De wortel van alle beleid is het verstand,37:17 De wortel van alle beleid is het verstand – Volgens het Hebreeuws. Brontekst: ‘Verandering komt voort uit het hart’.

18

37:18
Spr. 18:21
daar spruiten vier loten uit voort:

goed en kwaad, leven en dood,

maar uiteindelijk beslist de tong erover.

19Er zijn verstandige mannen die velen onderwijzen,

maar zichzelf niet tot nut zijn.

20Er zijn mannen die wijze woorden spreken,

maar worden veracht,

ze zullen elk genoegen ontberen,

21want de Heer onthoudt hun zijn gunst,

hun wijsheid wordt niet erkend.

22Er zijn mannen die wijs zijn voor zichzelf,

de vrucht van hun verstand komt hunzelf ten goede.

23Een wijs man onderricht zijn volk,

de vrucht van zijn verstand is betrouwbaar.

24Een wijs man wordt rijkelijk gezegend,

allen die hem ontmoeten zullen hem gelukkig prijzen.

25De dagen van een mensenleven zijn te tellen,

maar de dagen van Israël zijn ontelbaar.

26Een wijze verwerft eer bij zijn volk,

zijn naam leeft voort tot in eeuwigheid.

Matigheid

27Mijn kind, toets jezelf je leven lang,

stel vast wat slecht voor je is, en geef daar niet aan toe,

28

37:28
1 Kor. 6:12
10:23
want niet alles is voor iedereen goed,

niet iedereen schept in alles genoegen.

29Geef je niet gulzig over aan alle genot,

ga je niet aan lekkernijen te buiten,

30want overdadig eten maakt ziek

en gulzigheid leidt tot onpasselijkheid.

31Door gulzigheid zijn velen gestorven,

wie matig is verlengt zijn leven.