Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
33

331

33:1
Job 5:19
Spr. 12:21
24:16
Wie ontzag heeft voor de Heer wordt niet door het kwaad getroffen;

treffen hem beproevingen, dan komt hij ze te boven.

2Een wijs mens veracht de wet niet,

maar wie veinst dat hij de wet liefheeft, is als een schip in een storm.

3Een verstandig mens vertrouwt op de wet,

die is voor hem zo betrouwbaar als de orakelstenen.

4Bereid je voor als je moet spreken, dan wordt er naar je geluisterd,

ga bij jezelf te rade voordat je antwoordt.

5Het gemoed van een dwaas is als een wagenrad,

zijn denken is als een draaiende as.

6Een spotlustige vriend is als een dekhengst,

hij hinnikt onder iedere berijder.

Het ene tegenover het andere

7Waardoor is de ene dag beter dan de andere?

Het licht van de dag komt toch het hele jaar door van de zon?

8In zijn wijsheid heeft de Heer de dagen verschillend gemaakt,

hij heeft de feesten hun plaats in de tijd gegeven.

9Sommige dagen heeft hij verheven en geheiligd,

van andere heeft hij de gewone dagen gemaakt.

10

33:10
Gen. 2:7
Alle mensen komen voort uit de aarde,

uit aarde werd Adam geschapen.

11Toch zijn ze verschillend door de grote wijsheid van de Heer,

hij heeft hun verschillende wegen gewezen.

12

33:12
1 Sam. 2:6-8
Sir. 10:14-15
Luc. 1:51-53
Sommige mensen heeft hij gezegend en verheven,

anderen heeft hij geheiligd en in zijn nabijheid gebracht;

sommige mensen heeft hij vervloekt en vernederd

en heeft hij van hun plaats verdreven.

13

33:13
Jes. 29:16
45:9
Jer. 18:6
Rom. 9:21
Zoals klei in de hand van de pottenbakker,

die ervan maakt wat hij wil,

zo zijn mensen in de hand van hun maker,

die hen maakt zoals hij wil.

14Zoals het goede tegenover het kwade staat,

het leven tegenover de dood,

zo staat de vrome tegenover de zondaar.

15

33:15
Pred. 3:1-8
Sir. 42:24-25
Kijk zo naar alles wat de Allerhoogste heeft gemaakt:

twee aan twee, het een tegenover het ander.

16

33:16
Jes. 24:13
En ik – ik bleef als laatste waken,

als een nalezer liep ik achter druivenplukkers;

17maar door de zegen van de Heer kwam ik naar voren

en als een druivenplukker vulde ik de perskuip.

18Bedenk dat ik niet alleen voor mijzelf heb gezwoegd,

maar voor allen die onderricht zoeken.

19Luister naar mij, aanzienlijken onder het volk,

leiders van de volksvergadering, hoor mij aan.

Onafhankelijkheid

20Laat zoon noch vrouw, broer noch vriend

zolang je leeft ooit macht over je krijgen;

en geef je geld niet aan een ander,

dan hoef je er later niet vol spijt om te bedelen.

21Laat zolang je leeft, zolang er adem in je is,

geen mens je van je plaats verdrijven.

22Beter dat je kinderen jou iets vragen

dan dat jij afhankelijk van je kinderen bent.

23Doe alles wat je doet uitmuntend,

laat geen smet op je waardigheid komen.

24Op de dag dat je leven eindigt, in het uur van je dood –

verdeel pas dan je erfenis.

Omgang met slaven

25

33:25
Spr. 26:3
Wat voor een ezel voer, stok en lasten zijn,

dat zijn brood, tucht en arbeid voor een slaaf.

26Zet je hem onder tucht aan het werk, dan heb je rust,

geef je hem niets te doen, dan zoekt hij de vrijheid.

27Een juk en een halster buigen de nek,

voor een kwaadwillige slaaf zijn er lijfstraffen en folteringen.

28Zet hem hard aan het werk, anders wordt hij een luiaard,

29

33:29
Spr. 29:19
en van luiheid leert hij allerlei kwaad.

30Laat hem werken, zoals hem betaamt,

gehoorzaamt hij niet, sla zijn voeten dan in boeien.

Maar verg niet te veel van een mens, wees niet onbillijk.

31

33:31
Sir. 7:20
Heb je een slaaf, behandel hem dan als jezelf,

want je hebt hem met je zuurverdiende geld gekocht.

Heb je een slaaf, behandel hem dan als een broer,

want je hebt hem nodig als jezelf.

32Als je hem kwaad doet en hij gaat ervandoor,

33waar zul je hem dan zoeken?

34

Dromen

341Een onverstandig mens heeft ijdele en valse verwachtingen

en dromen brengen dwazen het hoofd op hol.

2Wie zich aan een droom vastklampt

is als iemand die een schaduw wil grijpen en wind najaagt.

3Een droombeeld is niet meer dan een spiegeling,

zoals de spiegeling van een gezicht.

4

34:4
Job 14:4
Kan reinheid voortkomen uit onreinheid?

Komt waarheid voort uit leugen?

5

34:5
Pred. 5:6
Waarzeggerij, wichelarij en dromen zijn bedrog,

ze benauwen je als barensnood een vrouw.

6Als een droom niet door de Allerhoogste is gezonden,

schenk er dan geen aandacht aan,

7want dromen hebben velen doen dwalen,

wie erop vertrouwde kwam ten val.

8De wet komt zonder die illusies tot gelding,

in de mond van een betrouwbaar mens komt de wijsheid tot haar recht.

Kennis en ervaring

9Wie veel heeft gereisd, heeft veel kennis opgedaan,

wie veel ervaring heeft, kan verstandige dingen vertellen.

10Wie geen ervaring heeft weet weinig,

11maar wie veel heeft gereisd, groeit in levenswijsheid.

12Op mijn reizen heb ik veel gezien,

ik weet meer dan ik kan vertellen.

13

34:13
2 Kor. 11:26
Vaak was ik in doodsgevaar

maar dankzij kennis en ervaring ontsnapte ik.

14

34:14
Ps. 112:7-8
Wie ontzag heeft voor de Heer blijft in leven,

15want zijn hoop is gericht op wie hem redt.

16Wie ontzag heeft voor de Heer heeft niets te vrezen,

hij kent geen angst, want de Heer zelf is zijn hoop.

17Gelukkig is wie ontzag heeft voor de Heer.

18

34:18
Spr. 21:27
Aan wie houdt hij zich vast, wie is zijn steun?

19

34:19
Ps. 33:18
34:16
Jes. 4:6
Sir. 15:19
De ogen van de Heer zijn gericht op wie hem liefheeft;

hij is een machtig schild, een sterke steun,

hij beschut tegen brandende hitte, geeft schaduw tegen de middagzon,

hij behoedt je voor struikelen, voorkomt dat je valt,

20hij vult het hart met vreugde, doet de ogen oplichten,

hij geneest, geeft leven en brengt zegen.

Offers

21Offert iemand met onrechtmatig verkregen goed, dan is dat offer bezoedeld,

22en gaven van wettelozen worden niet aanvaard.

23De Allerhoogste aanvaardt geen offers van goddelozen,

en talrijke offers bewegen hem niet tot vergeving.

24Wie iets van een arme offert,

is als iemand die een zoon offert voor de ogen van zijn vader.

25De armen leven van bedelaarsbrood,

wie het van hen steelt vergiet hun bloed.

26Wie een ander zijn levensonderhoud ontneemt is een moordenaar,

27

34:27
Lev. 19:13
Deut. 24:14-15
Jer. 22:13
wie een dagloner zijn loon ontsteelt is iemand die bloed vergiet.

28Als de een opbouwt en de ander weer afbreekt,

wat levert dat meer op dan dat ze zich inspannen?

29Als de een bidt en de ander vervloekt,

naar wie moet de Heer dan luisteren?

30

34:30
Num. 19:11-19
Als je een dode weer aanraakt na je gewassen te hebben,

wat baat het wassen je dan?

31Zo is een mens die voor zijn zonden vast en opnieuw zondigt.

Wie zal er luisteren naar zijn gebed?

Wat baat het hem dat hij zich vernedert?

35

351

35:1
Deut. 12:6
14:23
26:12-15
1 Sam. 15:22
Wie de wet in acht neemt brengt veel offers:

2

35:2
Hebr. 13:16
wie de geboden naleeft brengt een vredeoffer,

3wie een weldaad bewijst brengt een graanoffer,

4wie barmhartigheid betoont brengt een dankoffer.

5Je verre houden van slechtheid is de Heer welgevallig,

je verre houden van onrecht brengt verzoening.

6

35:6
Deut. 16:16
Verschijn niet met lege handen voor de Heer,

7want dit alles eisen de geboden.

8

35:8
Gen. 8:21
Lev. 2:2
Het offer van een rechtvaardige maakt het altaar vet,

de aangename geur stijgt op naar de Allerhoogste.

9Het offer van een rechtvaardige wordt aanvaard,

het zal niet worden vergeten.

10

35:10
Deut. 26:1-11
Prijs de Heer met je vrijgevigheid,

wees niet karig met de vruchten van de nieuwe oogst.

11

35:11
Lev. 27:30,32
Breng elke gave met een blij gezicht

en heilig de tienden met vreugde.

12

35:12
2 Kor. 9:7
Geef de Allerhoogste naar wat hij gegeven heeft,

wees vrijgevig, geef naar vermogen,

13want de Heer beloont je,

hij geeft het je zevenvoudig terug.

De Heer zorgt voor de zwakken

14

35:14
Deut. 10:17
Job 34:19
Probeer de Heer niet om te kopen,

want hij gaat er niet op in.

15Vertrouw niet op een offergave die door onrecht is verkregen,

want de Heer is een rechter

en persoonlijk aanzien is voor hem niet van belang.

16Hij is niet partijdig ten koste van de arme,

hij verhoort de bede van wie onrecht werd gedaan.

17

35:17
Ex. 22:21-23
Luc. 18:1-8
Hij slaat acht op de smeekbede van een wees

en op de jammerklachten van een weduwe.

18Stromen een weduwe de tranen niet over de wangen,

19weeklaagt ze niet om de man die haar tranen doet stromen?

20Wie de Heer zo dient dat het hem behaagt, wordt aangenomen,

zijn bede reikt tot aan de wolken.

21Het gebed van een nederige dringt door de wolken heen,

hij is ontroostbaar zolang het niet aankomt,

hij volhardt totdat de Allerhoogste er aandacht aan schenkt,

22totdat hij ten gunste van de rechtvaardige oordeelt

en dat oordeel uitvoert.

De Heer talmt niet en heeft geen geduld met de onbarmhartige,

hij breekt hem de heupen.

23Hij straft de volken,

roeit alle hoogmoedigen uit,

verbrijzelt de scepters van de onrechtvaardigen.

24Hij beloont de mens naar zijn daden,

beoordeelt hun daden naar hun bedoelingen.

25Hij doet zijn volk recht

en geeft het vreugde door zijn barmhartigheid.

26Even welkom is zijn barmhartigheid in tijden van verdrukking

als regenwolken in tijden van droogte.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]