Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
32

321Als jou de leiding van een feestmaal wordt gegeven,

laat je daar dan niet op voorstaan.

Wees als een gast onder je gasten,

bekommer je eerst om hen, ga pas daarna zelf zitten.

2Neem pas plaats wanneer je al je taken hebt vervuld,

dan verheug je je over hun tevredenheid

en krijg je een krans voor je hoffelijkheid.

Gepast en ongepast spreken

3Oude man, het siert je het woord te nemen

en te spreken over zaken waarvan je kennis hebt,

maar wees stil wanneer er muziek wordt gemaakt.

4Stort tijdens een uitvoering geen woordenvloed uit,

toon je wijsheid niet op een ongelegen moment.

5Muziek terwijl je samen wijn drinkt,

is als een zegel van granaat op een gouden sieraad.

6Als een zegel van smaragd in goud gevat,

zo is een melodie bij kostelijke wijn.

7Jongeman, spreek alleen als het nodig is

en hoogstens als het je tweemaal wordt gevraagd.

8Spreek kort, zeg veel met weinig woorden,

wees als iemand die weet en toch zwijgt.

9Wanneer je onder aanzienlijken bent, stel jezelf dan niet aan hen gelijk,

wanneer je onder oude mensen bent, voer dan niet het hoogste woord.

10

32:10
Spr. 15:33
18:12
Zoals de bliksem voor de donder komt,

zo snelt de vriendelijkheid een bescheiden mens vooruit.

11Ga op tijd weer weg, treuzel niet,

ga snel naar huis, blijf niet op straat rondhangen.

12Thuis kun je je vermaken en doen wat je prettig vindt,

maar bezondig je niet aan hooghartige woorden.

13Prijs om dit alles hem die je gemaakt heeft

en jou met zo veel goeds overstelpt.

Ontzag voor de Heer en de wet

14Wie ontzag heeft voor de Heer aanvaardt zijn onderricht,

wie hem in alle vroegte zoekt ondervindt zijn gunst.

15Wie de wet zoekt wordt ervan vervuld,

wie hem veinst te zoeken komt erdoor ten val.

16

32:16
Ps. 119:105
Wie ontzag heeft voor de Heer leert wat rechtvaardig is

en laat zijn voorschriften schijnen als een licht.

17

32:17
Spr. 12:1
Een zondig mens schuift een terechtwijzing terzijde,

hij legt haar uit zoals het hem uitkomt.

18Een bedachtzaam mens bezint zich op alles,

maar een roekeloos en hoogmoedig mens32:18 een roekeloos en hoogmoedig mens – Voorgestelde lezing. Brontekst: ‘een hoogmoedige vreemdeling’. deinst nergens voor terug.

19Handel nooit zonder na te denken,

anders krijg je spijt van je daden.

20

32:20
Rom. 9:32-33
1 Petr. 2:8
Ga niet over een moeilijk begaanbare weg,

je zou over stenen kunnen struikelen.

21Waag je niet op een onbekende weg,

22wees voorzichtig op je paden.32:22 wees voorzichtig op je paden – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. Brontekst: ‘hoed je voor je kinderen’.

23Heb vertrouwen in jezelf bij alles wat je doet,

ook daarmee houd je je aan de geboden.

24Wie op de wet vertrouwt neemt de geboden in acht,

wie op de Heer vertrouwt wordt niet geschaad.

33

331

33:1
Job 5:19
Spr. 12:21
24:16
Wie ontzag heeft voor de Heer wordt niet door het kwaad getroffen;

treffen hem beproevingen, dan komt hij ze te boven.

2Een wijs mens veracht de wet niet,

maar wie veinst dat hij de wet liefheeft, is als een schip in een storm.

3Een verstandig mens vertrouwt op de wet,

die is voor hem zo betrouwbaar als de orakelstenen.

4Bereid je voor als je moet spreken, dan wordt er naar je geluisterd,

ga bij jezelf te rade voordat je antwoordt.

5Het gemoed van een dwaas is als een wagenrad,

zijn denken is als een draaiende as.

6Een spotlustige vriend is als een dekhengst,

hij hinnikt onder iedere berijder.

Het ene tegenover het andere

7Waardoor is de ene dag beter dan de andere?

Het licht van de dag komt toch het hele jaar door van de zon?

8In zijn wijsheid heeft de Heer de dagen verschillend gemaakt,

hij heeft de feesten hun plaats in de tijd gegeven.

9Sommige dagen heeft hij verheven en geheiligd,

van andere heeft hij de gewone dagen gemaakt.

10

33:10
Gen. 2:7
Alle mensen komen voort uit de aarde,

uit aarde werd Adam geschapen.

11Toch zijn ze verschillend door de grote wijsheid van de Heer,

hij heeft hun verschillende wegen gewezen.

12

33:12
1 Sam. 2:6-8
Sir. 10:14-15
Luc. 1:51-53
Sommige mensen heeft hij gezegend en verheven,

anderen heeft hij geheiligd en in zijn nabijheid gebracht;

sommige mensen heeft hij vervloekt en vernederd

en heeft hij van hun plaats verdreven.

13

33:13
Jes. 29:16
45:9
Jer. 18:6
Rom. 9:21
Zoals klei in de hand van de pottenbakker,

die ervan maakt wat hij wil,

zo zijn mensen in de hand van hun maker,

die hen maakt zoals hij wil.

14Zoals het goede tegenover het kwade staat,

het leven tegenover de dood,

zo staat de vrome tegenover de zondaar.

15

33:15
Pred. 3:1-8
Sir. 42:24-25
Kijk zo naar alles wat de Allerhoogste heeft gemaakt:

twee aan twee, het een tegenover het ander.

16

33:16
Jes. 24:13
En ik – ik bleef als laatste waken,

als een nalezer liep ik achter druivenplukkers;

17maar door de zegen van de Heer kwam ik naar voren

en als een druivenplukker vulde ik de perskuip.

18Bedenk dat ik niet alleen voor mijzelf heb gezwoegd,

maar voor allen die onderricht zoeken.

19Luister naar mij, aanzienlijken onder het volk,

leiders van de volksvergadering, hoor mij aan.

Onafhankelijkheid

20Laat zoon noch vrouw, broer noch vriend

zolang je leeft ooit macht over je krijgen;

en geef je geld niet aan een ander,

dan hoef je er later niet vol spijt om te bedelen.

21Laat zolang je leeft, zolang er adem in je is,

geen mens je van je plaats verdrijven.

22Beter dat je kinderen jou iets vragen

dan dat jij afhankelijk van je kinderen bent.

23Doe alles wat je doet uitmuntend,

laat geen smet op je waardigheid komen.

24Op de dag dat je leven eindigt, in het uur van je dood –

verdeel pas dan je erfenis.

Omgang met slaven

25

33:25
Spr. 26:3
Wat voor een ezel voer, stok en lasten zijn,

dat zijn brood, tucht en arbeid voor een slaaf.

26Zet je hem onder tucht aan het werk, dan heb je rust,

geef je hem niets te doen, dan zoekt hij de vrijheid.

27Een juk en een halster buigen de nek,

voor een kwaadwillige slaaf zijn er lijfstraffen en folteringen.

28Zet hem hard aan het werk, anders wordt hij een luiaard,

29

33:29
Spr. 29:19
en van luiheid leert hij allerlei kwaad.

30Laat hem werken, zoals hem betaamt,

gehoorzaamt hij niet, sla zijn voeten dan in boeien.

Maar verg niet te veel van een mens, wees niet onbillijk.

31

33:31
Sir. 7:20
Heb je een slaaf, behandel hem dan als jezelf,

want je hebt hem met je zuurverdiende geld gekocht.

Heb je een slaaf, behandel hem dan als een broer,

want je hebt hem nodig als jezelf.

32Als je hem kwaad doet en hij gaat ervandoor,

33waar zul je hem dan zoeken?

34

Dromen

341Een onverstandig mens heeft ijdele en valse verwachtingen

en dromen brengen dwazen het hoofd op hol.

2Wie zich aan een droom vastklampt

is als iemand die een schaduw wil grijpen en wind najaagt.

3Een droombeeld is niet meer dan een spiegeling,

zoals de spiegeling van een gezicht.

4

34:4
Job 14:4
Kan reinheid voortkomen uit onreinheid?

Komt waarheid voort uit leugen?

5

34:5
Pred. 5:6
Waarzeggerij, wichelarij en dromen zijn bedrog,

ze benauwen je als barensnood een vrouw.

6Als een droom niet door de Allerhoogste is gezonden,

schenk er dan geen aandacht aan,

7want dromen hebben velen doen dwalen,

wie erop vertrouwde kwam ten val.

8De wet komt zonder die illusies tot gelding,

in de mond van een betrouwbaar mens komt de wijsheid tot haar recht.

Kennis en ervaring

9Wie veel heeft gereisd, heeft veel kennis opgedaan,

wie veel ervaring heeft, kan verstandige dingen vertellen.

10Wie geen ervaring heeft weet weinig,

11maar wie veel heeft gereisd, groeit in levenswijsheid.

12Op mijn reizen heb ik veel gezien,

ik weet meer dan ik kan vertellen.

13

34:13
2 Kor. 11:26
Vaak was ik in doodsgevaar

maar dankzij kennis en ervaring ontsnapte ik.

14

34:14
Ps. 112:7-8
Wie ontzag heeft voor de Heer blijft in leven,

15want zijn hoop is gericht op wie hem redt.

16Wie ontzag heeft voor de Heer heeft niets te vrezen,

hij kent geen angst, want de Heer zelf is zijn hoop.

17Gelukkig is wie ontzag heeft voor de Heer.

18

34:18
Spr. 21:27
Aan wie houdt hij zich vast, wie is zijn steun?

19

34:19
Ps. 33:18
34:16
Jes. 4:6
Sir. 15:19
De ogen van de Heer zijn gericht op wie hem liefheeft;

hij is een machtig schild, een sterke steun,

hij beschut tegen brandende hitte, geeft schaduw tegen de middagzon,

hij behoedt je voor struikelen, voorkomt dat je valt,

20hij vult het hart met vreugde, doet de ogen oplichten,

hij geneest, geeft leven en brengt zegen.

Offers

21Offert iemand met onrechtmatig verkregen goed, dan is dat offer bezoedeld,

22en gaven van wettelozen worden niet aanvaard.

23De Allerhoogste aanvaardt geen offers van goddelozen,

en talrijke offers bewegen hem niet tot vergeving.

24Wie iets van een arme offert,

is als iemand die een zoon offert voor de ogen van zijn vader.

25De armen leven van bedelaarsbrood,

wie het van hen steelt vergiet hun bloed.

26Wie een ander zijn levensonderhoud ontneemt is een moordenaar,

27

34:27
Lev. 19:13
Deut. 24:14-15
Jer. 22:13
wie een dagloner zijn loon ontsteelt is iemand die bloed vergiet.

28Als de een opbouwt en de ander weer afbreekt,

wat levert dat meer op dan dat ze zich inspannen?

29Als de een bidt en de ander vervloekt,

naar wie moet de Heer dan luisteren?

30

34:30
Num. 19:11-19
Als je een dode weer aanraakt na je gewassen te hebben,

wat baat het wassen je dan?

31Zo is een mens die voor zijn zonden vast en opnieuw zondigt.

Wie zal er luisteren naar zijn gebed?

Wat baat het hem dat hij zich vernedert?