Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
31

Rijkdom

311

31:1
Sir. 14:9
Slapeloosheid door rijkdom mergelt het lichaam uit,

zorg over rijkdom houdt je wakker.

2Zulke zorg maakt dat je zelfs niet sluimert,

als een zware ziekte verdrijft hij de slaap.

3Een rijke werkt hard en hoopt zijn geld op,

en als hij ophoudt met werken kan hij genieten.

4Een arme werkt hard en heeft een schamel bestaan,

en als hij ophoudt met werken lijdt hij gebrek.

5

31:5
Spr. 28:20
Wie van goud houdt kan niet rechtvaardig blijven,

wie rijkdom najaagt komt op een dwaalspoor.

6

31:6
1 Tim. 6:9
Velen zijn door goud ten val gekomen,

ze gingen plotseling ten onder.

7Verzot zijn op goud is als een struikelblok,

iedere dwaas komt erdoor ten val.

8Gelukkig is de rijke die onberispelijk blijkt

en niet achter goud aan loopt.

9Wie is hij? Wij zullen hem gelukkig prijzen,

want hij heeft onder zijn volk iets buitengewoons gedaan.

10Wie werd door goud beproefd en bleek onkreukbaar?

Hij zal worden geroemd.

Wie kon zondigen, maar deed het niet,

wie kon kwaad doen, maar deed het niet?

11Zijn bezit zal vermeerderen

en de gemeenschap zal over zijn weldaden vertellen.

Tafelmanieren

12

31:12-21
Spr. 23:1-3,6-8
Als je aan een welvoorziene tafel zit,

sper dan niet je mond open

en zeg niet: ‘Wat een rijke dis!’

13Bedenk dat een gretig oog iets slechts is,

is er iets slechters geschapen dan zo’n oog?

Daarom traant het bij alles wat het ziet.

14Als iemand naar een schotel kijkt, tast dan niet toe,

graai niet samen met hem in de schotel.

15Beoordeel de gevoelens van je tafelgenoot als die van jezelf

en denk na bij alles wat je doet.

16Eet wat je is voorgezet als een fatsoenlijk mens,

wees geen veelvraat, wek geen weerzin op.

17Wees zo welgemanierd als eerste op te houden,

wees geen gulzigaard, geef geen aanstoot.

18En als je met velen aan tafel zit,

tast dan niet als eerste toe.

19

31:19
Spr. 13:25
Voor een welgemanierd mens is weinig al voldoende,

hij snakt niet naar adem als hij op zijn bed ligt.

20Na met mate te hebben gegeten slaapt hij goed,

hij staat vroeg op en voelt zich uitgerust.

Wie onverzadigbaar is krijgt last van slapeloosheid,

van misselijkheid en maagkrampen.

21Als je veel hebt moeten eten, trek je dan terug,

braak het uit, en je voelt je opgelucht.

22Mijn kind, luister naar mij, sla mijn raad niet in de wind,

op een dag zul je hem begrijpen.

Wees ijverig bij alles wat je doet,

dan krijg je geen enkele ziekte.

23Wie goede tafelmanieren heeft wordt geprezen,

hij zal altijd een goede naam hebben.

24Over wie slechte tafelmanieren heeft spreekt heel de stad schande,

hij zal altijd een slechte naam hebben.

25

31:25
Spr. 20:1
23:20-21,29-35
31:4-7
Jes. 5:22
Wees geen held in het drinken van wijn,

want wijn heeft velen te gronde gericht.

26Zoals de oven gehard staal beproeft,

zo beproeft wijn het karakter van hoogmoedigen die ruziemaken.

27

31:27
Ps. 104:15
Wijn is leven voor een mens

als je hem met mate drinkt.

Wat is het leven zonder wijn?

Wijn werd al in het begin gegeven om vreugde te schenken.

28

31:28
Recht. 9:13
Sir. 40:20
Als je hem op het juiste moment en met mate drinkt,

geeft hij blijdschap en vreugde.

29Te veel wijn leidt tot bitterheid, ruzie en conflicten.

30Dronkenschap maakt een dwaas zo woedend dat hij ten val komt,

ze ondermijnt zijn kracht en brengt hem wonden toe.

31Maak geen ruzie met je naaste als je samen wijn drinkt

en minacht hem niet als hij vrolijk wordt.

Beledig hem dan niet

en verneder hem niet door iets van hem terug te vragen.

32

321Als jou de leiding van een feestmaal wordt gegeven,

laat je daar dan niet op voorstaan.

Wees als een gast onder je gasten,

bekommer je eerst om hen, ga pas daarna zelf zitten.

2Neem pas plaats wanneer je al je taken hebt vervuld,

dan verheug je je over hun tevredenheid

en krijg je een krans voor je hoffelijkheid.

Gepast en ongepast spreken

3Oude man, het siert je het woord te nemen

en te spreken over zaken waarvan je kennis hebt,

maar wees stil wanneer er muziek wordt gemaakt.

4Stort tijdens een uitvoering geen woordenvloed uit,

toon je wijsheid niet op een ongelegen moment.

5Muziek terwijl je samen wijn drinkt,

is als een zegel van granaat op een gouden sieraad.

6Als een zegel van smaragd in goud gevat,

zo is een melodie bij kostelijke wijn.

7Jongeman, spreek alleen als het nodig is

en hoogstens als het je tweemaal wordt gevraagd.

8Spreek kort, zeg veel met weinig woorden,

wees als iemand die weet en toch zwijgt.

9Wanneer je onder aanzienlijken bent, stel jezelf dan niet aan hen gelijk,

wanneer je onder oude mensen bent, voer dan niet het hoogste woord.

10

32:10
Spr. 15:33
18:12
Zoals de bliksem voor de donder komt,

zo snelt de vriendelijkheid een bescheiden mens vooruit.

11Ga op tijd weer weg, treuzel niet,

ga snel naar huis, blijf niet op straat rondhangen.

12Thuis kun je je vermaken en doen wat je prettig vindt,

maar bezondig je niet aan hooghartige woorden.

13Prijs om dit alles hem die je gemaakt heeft

en jou met zo veel goeds overstelpt.

Ontzag voor de Heer en de wet

14Wie ontzag heeft voor de Heer aanvaardt zijn onderricht,

wie hem in alle vroegte zoekt ondervindt zijn gunst.

15Wie de wet zoekt wordt ervan vervuld,

wie hem veinst te zoeken komt erdoor ten val.

16

32:16
Ps. 119:105
Wie ontzag heeft voor de Heer leert wat rechtvaardig is

en laat zijn voorschriften schijnen als een licht.

17

32:17
Spr. 12:1
Een zondig mens schuift een terechtwijzing terzijde,

hij legt haar uit zoals het hem uitkomt.

18Een bedachtzaam mens bezint zich op alles,

maar een roekeloos en hoogmoedig mens32:18 een roekeloos en hoogmoedig mens – Voorgestelde lezing. Brontekst: ‘een hoogmoedige vreemdeling’. deinst nergens voor terug.

19Handel nooit zonder na te denken,

anders krijg je spijt van je daden.

20

32:20
Rom. 9:32-33
1 Petr. 2:8
Ga niet over een moeilijk begaanbare weg,

je zou over stenen kunnen struikelen.

21Waag je niet op een onbekende weg,

22wees voorzichtig op je paden.32:22 wees voorzichtig op je paden – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. Brontekst: ‘hoed je voor je kinderen’.

23Heb vertrouwen in jezelf bij alles wat je doet,

ook daarmee houd je je aan de geboden.

24Wie op de wet vertrouwt neemt de geboden in acht,

wie op de Heer vertrouwt wordt niet geschaad.

33

331

33:1
Job 5:19
Spr. 12:21
24:16
Wie ontzag heeft voor de Heer wordt niet door het kwaad getroffen;

treffen hem beproevingen, dan komt hij ze te boven.

2Een wijs mens veracht de wet niet,

maar wie veinst dat hij de wet liefheeft, is als een schip in een storm.

3Een verstandig mens vertrouwt op de wet,

die is voor hem zo betrouwbaar als de orakelstenen.

4Bereid je voor als je moet spreken, dan wordt er naar je geluisterd,

ga bij jezelf te rade voordat je antwoordt.

5Het gemoed van een dwaas is als een wagenrad,

zijn denken is als een draaiende as.

6Een spotlustige vriend is als een dekhengst,

hij hinnikt onder iedere berijder.

Het ene tegenover het andere

7Waardoor is de ene dag beter dan de andere?

Het licht van de dag komt toch het hele jaar door van de zon?

8In zijn wijsheid heeft de Heer de dagen verschillend gemaakt,

hij heeft de feesten hun plaats in de tijd gegeven.

9Sommige dagen heeft hij verheven en geheiligd,

van andere heeft hij de gewone dagen gemaakt.

10

33:10
Gen. 2:7
Alle mensen komen voort uit de aarde,

uit aarde werd Adam geschapen.

11Toch zijn ze verschillend door de grote wijsheid van de Heer,

hij heeft hun verschillende wegen gewezen.

12

33:12
1 Sam. 2:6-8
Sir. 10:14-15
Luc. 1:51-53
Sommige mensen heeft hij gezegend en verheven,

anderen heeft hij geheiligd en in zijn nabijheid gebracht;

sommige mensen heeft hij vervloekt en vernederd

en heeft hij van hun plaats verdreven.

13

33:13
Jes. 29:16
45:9
Jer. 18:6
Rom. 9:21
Zoals klei in de hand van de pottenbakker,

die ervan maakt wat hij wil,

zo zijn mensen in de hand van hun maker,

die hen maakt zoals hij wil.

14Zoals het goede tegenover het kwade staat,

het leven tegenover de dood,

zo staat de vrome tegenover de zondaar.

15

33:15
Pred. 3:1-8
Sir. 42:24-25
Kijk zo naar alles wat de Allerhoogste heeft gemaakt:

twee aan twee, het een tegenover het ander.

16

33:16
Jes. 24:13
En ik – ik bleef als laatste waken,

als een nalezer liep ik achter druivenplukkers;

17maar door de zegen van de Heer kwam ik naar voren

en als een druivenplukker vulde ik de perskuip.

18Bedenk dat ik niet alleen voor mijzelf heb gezwoegd,

maar voor allen die onderricht zoeken.

19Luister naar mij, aanzienlijken onder het volk,

leiders van de volksvergadering, hoor mij aan.

Onafhankelijkheid

20Laat zoon noch vrouw, broer noch vriend

zolang je leeft ooit macht over je krijgen;

en geef je geld niet aan een ander,

dan hoef je er later niet vol spijt om te bedelen.

21Laat zolang je leeft, zolang er adem in je is,

geen mens je van je plaats verdrijven.

22Beter dat je kinderen jou iets vragen

dan dat jij afhankelijk van je kinderen bent.

23Doe alles wat je doet uitmuntend,

laat geen smet op je waardigheid komen.

24Op de dag dat je leven eindigt, in het uur van je dood –

verdeel pas dan je erfenis.

Omgang met slaven

25

33:25
Spr. 26:3
Wat voor een ezel voer, stok en lasten zijn,

dat zijn brood, tucht en arbeid voor een slaaf.

26Zet je hem onder tucht aan het werk, dan heb je rust,

geef je hem niets te doen, dan zoekt hij de vrijheid.

27Een juk en een halster buigen de nek,

voor een kwaadwillige slaaf zijn er lijfstraffen en folteringen.

28Zet hem hard aan het werk, anders wordt hij een luiaard,

29

33:29
Spr. 29:19
en van luiheid leert hij allerlei kwaad.

30Laat hem werken, zoals hem betaamt,

gehoorzaamt hij niet, sla zijn voeten dan in boeien.

Maar verg niet te veel van een mens, wees niet onbillijk.

31

33:31
Sir. 7:20
Heb je een slaaf, behandel hem dan als jezelf,

want je hebt hem met je zuurverdiende geld gekocht.

Heb je een slaaf, behandel hem dan als een broer,

want je hebt hem nodig als jezelf.

32Als je hem kwaad doet en hij gaat ervandoor,

33waar zul je hem dan zoeken?