Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

Standvastig in beproevingen

21

2:1
Jak. 1:2-4
Op. 2:10
Mijn kind, als je de Heer wilt dienen,

bereid je dan voor op beproevingen.

2Houd het rechte spoor, wees standvastig

en word niet ongeduldig in tijden van tegenspoed.

3

2:3
Op. 3:21
Houd je stevig aan hem vast en laat hem niet los,

dan word je aan je levenseinde beloond.

4

2:4
Rom. 5:3
Aanvaard alles wat je overkomt

en wees ook geduldig wanneer je wordt vernederd.

5

2:5
Spr. 17:3
1 Petr. 1:7
4:12
Want goud wordt in het vuur getoetst,

in de oven van vernedering test God de mens die hij aanvaardt.

Wanneer je ziek bent of armoede lijdt, vertrouw dan op hem.

6

2:6
Spr. 3:5-6
Geloof in hem, dan zal hij je helpen,

bewandel rechte wegen en vestig op hem je hoop.

7Jij die ontzag voor de Heer hebt,

zie uit naar zijn ontferming en wijk niet af,

dan val je niet.

8Jij die ontzag hebt voor de Heer,

vertrouw op hem,

dan valt je loon je niet uit handen.

9Jij die ontzag hebt voor de Heer,

hoop op het goede, op ontferming en eeuwige vreugde,

want eeuwige vreugde is het loon dat hij je schenkt.

10

2:10
Job 4:7
Ps. 22:5-6
37:25
Kijk naar de generaties van vroeger:

Was er ook maar iemand die op de Heer vertrouwde en werd teleurgesteld?

Was er ook maar iemand die volhardde in ontzag voor hem en niet werd gehoord?

Was er ook maar iemand die hem aanriep en onopgemerkt bleef?

11

2:11
Ex. 34:6-7
Ps. 145:8-9
De Heer heeft immers medelijden en ontfermt zich,

vergeeft zonden en redt in tijden van verdrukking.

12Wee de laffe harten en de slappe handen,

de zondaar die twee paden bewandelt.

13Wee het wankelmoedig hart,

want het heeft geen vertrouwen;

daarom wordt het niet beschermd.

14Wee jullie die niet langer volharden,

wat zul je doen als God je opzoekt?

15

2:15
Joh. 14:15,21,23
Wie ontzag heeft voor de Heer

verzet zich niet tegen zijn woorden,

wie hem bemint volgt zijn wegen.

16Wie ontzag heeft voor de Heer

wil hem welgevallig zijn.

Wie hem bemint leeft volledig vanuit de wet.

17Wie ontzag heeft voor de Heer

houdt zijn hart bereid en vernedert zich voor hem.

18

2:18
2 Sam. 24:14
‘We vallen liever in handen van de Heer

dan in handen van mensen,

want zijn ontferming is zo groot als zijn majesteit.’

3

Eerbied voor de ouders

31

3:1-16
Ex. 20:12
Deut. 5:16
Ef. 6:1-3
Kinderen, luister naar wat je vader zegt en handel ernaar,

dan zul je worden gered.

2Want de Heer heeft de vader aanzien bij zijn kinderen gegeven

en de zonen aan het oordeel van hun moeder verplicht.

3Wie zijn vader eer bewijst maakt zijn zonden goed.

4Wie zijn moeder hoogacht is als iemand die schatten verzamelt.

5Wie zijn vader eer bewijst vindt vreugde in zijn kinderen

en wanneer hij bidt, wordt hij verhoord.

6Wie zijn vader hoogacht zal lang leven,

wie luistert naar de Heer geeft zijn moeder rust.

7Wie ontzag heeft voor de Heer eert zijn vader

en dient zijn ouders zoals hij een meester dient.

8

3:8
Mat. 21:28-31
Bewijs je vader eer met wat je zegt en doet,

dan ontvang je zijn zegen.

9

3:9
Gen. 27:27-29
48:15-20
49:3-28
Deut. 33:1-29
Want de zegen van de vader stut de huizen van zijn kinderen,

maar de vloek van de moeder slaat de fundamenten stuk.

10Probeer geen eer te behalen door je vader te minachten,

minachting voor je vader brengt je geen eer.

11

3:11
Spr. 17:6
De eer van een mens komt voort uit de achting die zijn vader geniet,

een moeder die geminacht wordt, is een schandvlek voor haar kinderen.

12

3:12
Mat. 15:4-6
Kinderen, wees je vader op zijn oude dag tot steun

en doe hem geen verdriet zolang hij leeft.

13Als zijn verstand hem verlaat, heb dan begrip voor hem.

Jij die nog al je kracht hebt mag niet op hem neerzien.

14Als je je over je vader ontfermt, wordt dat niet vergeten;

zo bouw je weer op wat je zonden hebben afgebroken.

15Als het je slecht gaat wordt er aan je gedacht.

Zoals ijs smelt voor de zon, zo smelten je zonden.

16

3:16
Ex. 21:17
Spr. 19:26
30:17
Wie zijn vader in de steek laat, is als een godslasteraar.

Wie zijn moeder bitter stemt, wordt door de Heer vervloekt.

Bescheidenheid

17Mijn kind, wees zachtaardig in wat je doet,

dan ben je geliefder dan iemand die geschenken geeft.

18

3:18
Mat. 20:26-28
Hoe belangrijker je bent, des te bescheidener moet je zijn,

dan vind je genade bij de Heer.

19Er zijn veel hooggeplaatste en beroemde mensen,

maar aan de zachtmoedigen onthult hij zijn geheimen.

20Groot is de kracht van de Heer,

een bescheiden mens prijst hem.

21

3:21
Ps. 131:1
Onderzoek geen dingen die te moeilijk voor je zijn,

probeer niet te begrijpen wat je verstand te boven gaat.

22Richt je op hetgeen je opgedragen is,

waarom zou je met verborgen dingen bezig zijn?

23Verspil je krachten niet aan zaken die je niet aangaan,

er is je al meer getoond dan een mens kan bevatten.

24Immers, velen zijn door hun eigen ideeën misleid,

loze vermoedens hebben hun denkkracht ontwricht.

25Als je geen ogen hebt, ontbreekt je het licht,

als je geen inzicht hebt, veins het dan niet.

26

3:26
Spr. 28:14
Rom. 2:5
Een verstokt hart vergaat het uiteindelijk slecht,

wie van gevaar houdt, moet dat met de dood bekopen.

27Een verstokt hart krijgt veel moeite en pijn te verduren,

een zondaar stapelt zonde op zonde.

28Een hoogmoedig mens wordt niet van zijn ellende genezen,

in hem is de wortel van het kwaad geplant.

29Een verstandig mens overdenkt de wijsheid van spreuken,

een wijze wil een en al oor zijn.

Omgang met mensen in nood

30

3:30
1 Petr. 4:8
Water blust een laaiend vuur, mededogen neemt je zonden weg.

31

3:31
Deut. 15:7-11
Tob. 4:11
12:9
Sir. 29:8-13
Wie goede daden terugbetaalt denkt aan de toekomst,

wanneer hij dreigt te vallen wordt hij overeind gehouden.

4

41Mijn kind, ontneem een arme niet

wat hij nodig heeft om te leven,

kijk niet weg van smekende ogen.

2Doe een mens die honger lijdt geen pijn,

maak iemand in nood niet verbitterd.

3

4:3
Spr. 3:27-28
Maak een verbitterd hart niet radeloos,

onthoud een bedelaar je aalmoes niet.

4

4:4
Tob. 4:6-7
Wijs een bedelaar in nood niet af,

keer een arme niet de rug toe.

5Wend je blik niet af van iemand die bedelt,

geef een mens geen aanleiding je te vervloeken.4:5 geef een mens geen aanleiding je te vervloeken – Volgens de handschriften. Brontekst: ‘geef hem geen kans je te vervloeken’.

6

4:6
Ex. 22:22
Deut. 15:9
Want als hij je uit verbittering vervloekt,

luistert hij die hem gemaakt heeft naar zijn bede.

7Maak jezelf geliefd in de gemeenschap,

buig het hoofd voor hooggeplaatsten.

8Leen een arme je oor,

antwoord hem vriendelijk en zachtmoedig.

9

4:9
Job 29:12
Bevrijd wie onrecht werd gedaan van zijn belager,

en wees niet lafhartig in je vonnis.

10

4:10
Ex. 22:21
Ps. 41:2-4
Jes. 49:15
Luc. 6:35
Joh. 14:21,23
Wees voor wezen als een vader,

voor hun moeder als een man.

Dan zul je als een zoon van de Allerhoogste zijn,

hij zal van je houden, meer dan je moeder.

Wijsheid brengt zegen

11

4:11-12
Sir. 6:27-28
De wijsheid verhoogt de eer van haar kinderen

en is wie haar zoekt tot steun.

12

4:12
Spr. 3:16-18
Wijsh. 6:14
8:17-18
Wie haar bemint bemint het leven,

wie haar in alle vroegte zoekt wordt van vreugde vervuld.

13

4:13
Spr. 3:35
Wie haar bezit verwerft eer,

waar ze komt geeft de Heer zijn zegen.

14

4:14
Joh. 14:21
Wie haar dient dient de Heilige,

wie haar bemint wordt door de Heer bemind.

15Wie naar haar luistert zal rechtspreken over de volken,

wie acht op haar slaat voelt zich veilig in zijn woning.

16Wie op haar vertrouwt zal haar verwerven,

en zijn nageslacht zal haar bezitten.

17

4:17
Mat. 7:14
In het begin brengt zij hem op een kronkelige weg,

ze wekt angst en ontzetting in hem.

Ze pijnigt hem met haar onderricht,

totdat ze vertrouwen in hem stelt;

ze beproeft hem met haar voorschriften.

18

4:18
Job 11:6
Dan. 2:21-22
Joh. 15:15
Maar dan brengt zij hem op de rechte weg,

ze zal hem vreugde schenken en verborgen dingen onthullen.

19Als hij afdwaalt laat ze hem achter,

zodat hij ten val komt.

Schaamte

20Wacht je tijd af, hoed je voor het kwaad

en zorg ervoor dat je je niet hoeft te schamen.

21

4:21
Sir. 20:22
41:16-42:8
Er is schaamte die tot zonde leidt

en er is schaamte die eer en genade brengt.

22Wees niet partijdig, want je schaadt jezelf,

ontzie iemand niet te zeer, want je komt ten val.

23Spreek wanneer het nodig is,

verberg je wijsheid niet omwille van je goede naam.

24Wijsheid laat zich immers kennen door het woord,

wat je hebt geleerd blijkt uit wat je zegt.

25Zeg niets dat in strijd is met de waarheid,

schaam je voor je gebrek aan opvoeding.

26

4:26
Lev. 5:5
Num. 5:7
1 Kon. 21:27-28
Schaam je niet je zonden te bekennen,

houd de stroom van een rivier niet tegen.

27Laat je niet opzijzetten door een dwaas,

zie een machtig man niet naar de ogen.

28Vecht tot de dood voor de waarheid,

dan zal God, de Heer, voor jou strijd voeren.

29Wees niet te zelfverzekerd als je spreekt,

niet achteloos en lui in je werk.

30Gedraag je in je huis niet als een leeuw,

wees geen blaaskaak tegenover je slaven.

31

4:31
Hand. 20:35
Strek je hand niet uit om te nemen,

houd hem niet gesloten als je moet geven.