Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)

Geld lenen

291

29:1
Deut. 15:7-11
Ps. 37:26
Wie barmhartig is leent geld aan zijn naaste,

wie de helpende hand biedt neemt de geboden in acht.

2Leen aan je naaste wanneer hij het nodig heeft,

en betaal wat je zelf schuldig bent op tijd terug.

3Houd je aan je woord, wees betrouwbaar,

dan krijg ook jij altijd hulp wanneer je het nodig hebt.

4

29:4
Sir. 8:12
Menigeen ziet een lening als een buitenkans

en brengt wie hem helpt in moeilijkheden.

5Zo iemand kust zijn helper de handen

totdat hij zijn lening binnen heeft.

Om geld te krijgen spreekt hij op nederige toon,

maar het moment van terugbetaling stelt hij uit.

Hij betaalt onverschillige woorden terug

en geeft de tijd de schuld.

6Als hij kan betalen, dan krijgt de eiser met moeite de helft

en moet het ook nog als een meevaller beschouwen.

Betaalt een schuldenaar niet, dan is hij niet meer dan een rover

en krijgt hij er gratis een vijand bij.

Hij betaalt de eiser vervloekingen en hatelijkheden terug,

geen eerbetoon, maar beledigingen.

7Menigeen weigert een lening, niet uit onwelwillendheid,

maar uit vrees onnodig te worden beroofd.

Aalmoezen

8

29:8
Deut. 15:11
Tob. 12:8-9
Sir. 3:30-4:10
7:32-36
Mat. 6:1-4
Wees echter grootmoedig tegenover een arme,

laat hem niet op zijn aalmoes wachten.

9Houd je aan het gebod een arme te helpen,

laat hem in zijn nood niet met lege handen staan.

10

29:10
Luc. 12:33
Geef geld aan je broer en aan je vriend,

laat het niet onder een steen wegroesten.

11

29:11
Deut. 15:10
Mat. 6:19-21
19:21
Jak. 5:3
Gebruik je geld overeenkomstig de geboden van de Allerhoogste,

dan geeft het je meer profijt dan goud.

12

29:12
Tob. 4:9-11
Luc. 16:9
Stapel in je schatkamer aalmoezen op,

ze zullen je uit alle ellende redden.

13Ze vechten beter tegen je vijand

dan een machtig schild en een zware lans.

Borg

14

29:14-20
Spr. 6:1-5
11:15
Sir. 8:13
Een goed mens staat borg voor zijn naaste,

maar iemand zonder schaamte laat hem in de steek.

15Vergeet de welwillendheid van je borg niet,

want hij heeft zich voor jou garant gesteld.

16Een zondaar verkwist het bezit van zijn borg,

17een ondankbaar mens laat zijn beschermer in de steek.

18Borg staan heeft veel welgestelden te gronde gericht,

het heeft hen doen zwalken als de golven van de zee.

Machtige mannen heeft het uit hun huizen verdreven

en doen zwerven onder vreemde volken.

19Een zondaar stort zich op een borgstelling,

in zijn zucht naar winst stort hij zich in een proces.

20Help je naaste naar vermogen,

maar pas op: stort je niet in het ongeluk.

Onafhankelijkheid

21

29:21
Sir. 39:26
1 Tim. 6:8
De eerste levensbehoeften zijn water, brood en kleding

en een huis waarin je je geborgen voelt.

22Beter een armoedig bestaan met een dak boven je hoofd

dan een voortreffelijk maal bij vreemden.

23Of je nu veel of weinig hebt, wees tevreden,

dan word je niet voor vreemdeling uitgemaakt.

24

29:24
Spr. 27:8
Van huis tot huis te moeten zwerven is een ellendig bestaan,

waar je als vreemdeling verblijft, heb je geen recht van spreken.

25Al bied je zelf eten en drinken aan,

je krijgt stank voor dank en bitse woorden bovendien:

26‘Kom binnen, vreemdeling, dek de tafel,

geef mij maar te eten wat je meegenomen hebt.

27Verdwijn, vreemdeling, je schaadt mijn aanzien.

Mijn broer is gekomen, ik heb mijn huis nodig.’

28De beschimping een vreemdeling of schuldeiser te zijn,

is voor een verstandig mens zwaar te dragen.

Opvoeding

Hier volgen uitspraken over kinderen.