Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
28

281Wie wraak neemt zal de wraak van de Heer ondervinden,

de Heer zal zijn zonden niet vergeten.

2

28:2
Mat. 5:23-24
6:12,14
Marc. 11:25
Vergeef je naaste het onrecht dat hij deed,

dan worden, als je bidt, ook jou je zonden vergeven.

3Hoe kan een mens die woede koestert tegen een ander

bij de Heer om verzoening vragen?

4

28:4
Mat. 18:23-35
Hoe kan een mens die geen erbarmen heeft met een ander

om vergeving voor zijn eigen zonden bidden?

5Je bent maar een mens: als je in je woede volhardt,

wie zal dan je zonden vergeven?

6

28:6
Sir. 7:36
Denk aan het einde en wees niet langer vijandig,

denk aan je dood en vergankelijkheid, en houd je aan de geboden.

7

28:7
Lev. 19:17-18
Denk aan de geboden en koester geen wrok tegen je naaste,

denk aan het verbond met de Allerhoogste en zie fouten door de vingers.

Ruzie

8

28:8
Spr. 15:1
Houd je verre van ruzie, dan zul je minder zondigen,

want een driftig mens doet ruzie ontbranden

9

28:9
Spr. 16:28
en een zondig mens hitst vrienden tegen elkaar op;

hij zaait tweedracht onder hen die in vrede met elkaar leven.

10

28:10-11
Spr. 26:20-21
Hoe meer hout, des te harder het vuur brandt,

hoe hardnekkiger de ruzie, des te heviger ze wordt.

Hoe sterker een mens, des te groter zijn woede,

hoe rijker hij is, des te feller laait zijn toorn op.

11Een plotselinge ruzie wakkert het vuur aan,

een plotselinge strijd leidt tot bloedvergieten.

12Als je op een vonk blaast vlamt hij op,

als je erop spuugt dooft hij:

beide zijn het werk van je mond.

Roddel

13

28:13-16
Jak. 3:1-12
Vervloek een roddelaar,

vervloek wie met een dubbele tong spreekt,

want velen die in vrede met elkaar leven

worden door hem te gronde gericht.

14Een lasteraar brengt velen aan het wankelen

en jaagt hen op van volk tot volk,

haalt versterkte steden neer

en verwoest de huizen van hooggeplaatsten.

15Een lasteraar jaagt moedige vrouwen op de vlucht

en berooft hen van de vrucht van hun werk.

16Wie naar een lasteraar luistert vindt geen rust

en woont nooit meer ongestoord.

17

28:17
Spr. 25:15
De slag van een zweep veroorzaakt een striem,

de slag van een tong breekt botten.

18

28:18
Sir. 5:13
Velen vallen door een snijdend zwaard,

maar niet zo veel als door een scherpe tong.

19

28:19
Ps. 31:21
Gelukkig is hij die daartegen beschermd is,

die niet is overgeleverd aan de woede van zo’n tong,

zijn juk niet hoeft te dragen

en er niet aan vastgeketend zit,

20want het juk van zo’n tong is van ijzer

en zijn boeien zijn van brons.

21De dood die hij brengt is een slechte dood,

het dodenrijk is vele malen beter.

22Maar over vromen heeft zo’n tong geen macht,

ze branden niet in zijn vlammen.

23Wie de Heer verlaat valt aan zijn vlammen ten prooi;

ze laaien op en worden niet gedoofd.

Hij wordt op hen losgelaten als een leeuw,

als een panter verscheurt hij hen.

24-25Omhein je wijngaard met dorens,

zet een vergrendelde deur voor je mond.

Breng je goud en zilver in veiligheid

en leg je woorden op een weegschaal.

26Voorkom dat je struikelt door je tong,

kom niet ten val onder het oog van je belager.

29

Geld lenen

291

29:1
Deut. 15:7-11
Ps. 37:26
Wie barmhartig is leent geld aan zijn naaste,

wie de helpende hand biedt neemt de geboden in acht.

2Leen aan je naaste wanneer hij het nodig heeft,

en betaal wat je zelf schuldig bent op tijd terug.

3Houd je aan je woord, wees betrouwbaar,

dan krijg ook jij altijd hulp wanneer je het nodig hebt.

4

29:4
Sir. 8:12
Menigeen ziet een lening als een buitenkans

en brengt wie hem helpt in moeilijkheden.

5Zo iemand kust zijn helper de handen

totdat hij zijn lening binnen heeft.

Om geld te krijgen spreekt hij op nederige toon,

maar het moment van terugbetaling stelt hij uit.

Hij betaalt onverschillige woorden terug

en geeft de tijd de schuld.

6Als hij kan betalen, dan krijgt de eiser met moeite de helft

en moet het ook nog als een meevaller beschouwen.

Betaalt een schuldenaar niet, dan is hij niet meer dan een rover

en krijgt hij er gratis een vijand bij.

Hij betaalt de eiser vervloekingen en hatelijkheden terug,

geen eerbetoon, maar beledigingen.

7Menigeen weigert een lening, niet uit onwelwillendheid,

maar uit vrees onnodig te worden beroofd.

Aalmoezen

8

29:8
Deut. 15:11
Tob. 12:8-9
Sir. 3:30-4:10
7:32-36
Mat. 6:1-4
Wees echter grootmoedig tegenover een arme,

laat hem niet op zijn aalmoes wachten.

9Houd je aan het gebod een arme te helpen,

laat hem in zijn nood niet met lege handen staan.

10

29:10
Luc. 12:33
Geef geld aan je broer en aan je vriend,

laat het niet onder een steen wegroesten.

11

29:11
Deut. 15:10
Mat. 6:19-21
19:21
Jak. 5:3
Gebruik je geld overeenkomstig de geboden van de Allerhoogste,

dan geeft het je meer profijt dan goud.

12

29:12
Tob. 4:9-11
Luc. 16:9
Stapel in je schatkamer aalmoezen op,

ze zullen je uit alle ellende redden.

13Ze vechten beter tegen je vijand

dan een machtig schild en een zware lans.

Borg

14

29:14-20
Spr. 6:1-5
11:15
Sir. 8:13
Een goed mens staat borg voor zijn naaste,

maar iemand zonder schaamte laat hem in de steek.

15Vergeet de welwillendheid van je borg niet,

want hij heeft zich voor jou garant gesteld.

16Een zondaar verkwist het bezit van zijn borg,

17een ondankbaar mens laat zijn beschermer in de steek.

18Borg staan heeft veel welgestelden te gronde gericht,

het heeft hen doen zwalken als de golven van de zee.

Machtige mannen heeft het uit hun huizen verdreven

en doen zwerven onder vreemde volken.

19Een zondaar stort zich op een borgstelling,

in zijn zucht naar winst stort hij zich in een proces.

20Help je naaste naar vermogen,

maar pas op: stort je niet in het ongeluk.

Onafhankelijkheid

21

29:21
Sir. 39:26
1 Tim. 6:8
De eerste levensbehoeften zijn water, brood en kleding

en een huis waarin je je geborgen voelt.

22Beter een armoedig bestaan met een dak boven je hoofd

dan een voortreffelijk maal bij vreemden.

23Of je nu veel of weinig hebt, wees tevreden,

dan word je niet voor vreemdeling uitgemaakt.

24

29:24
Spr. 27:8
Van huis tot huis te moeten zwerven is een ellendig bestaan,

waar je als vreemdeling verblijft, heb je geen recht van spreken.

25Al bied je zelf eten en drinken aan,

je krijgt stank voor dank en bitse woorden bovendien:

26‘Kom binnen, vreemdeling, dek de tafel,

geef mij maar te eten wat je meegenomen hebt.

27Verdwijn, vreemdeling, je schaadt mijn aanzien.

Mijn broer is gekomen, ik heb mijn huis nodig.’

28De beschimping een vreemdeling of schuldeiser te zijn,

is voor een verstandig mens zwaar te dragen.

Opvoeding

Hier volgen uitspraken over kinderen.

30

301

30:1-13
Spr. 13:24
23:13-14
29:15
Wie zijn zoon liefheeft geeft hem regelmatig met de stok,

en uiteindelijk zal hij vreugde in hem vinden.

2Wie zijn zoon opvoedt zal zich over hem verheugen

en onder bekenden trots over hem spreken.

3Wie zijn zoon onderwijst zal zijn vijanden jaloers maken

en onder zijn vrienden vol vreugde over hem spreken.

4Ook al is de vader van zo’n zoon gestorven,

het lijkt of hij er nog is, omdat hij voortleeft in zijn zoon.

5Bij zijn leven zag hij hem met vreugde,

bij zijn einde had hij geen verdriet.

6Zijn vijanden liet hij een wreker na,

zijn vrienden een man die hun goedheid beloont.

7Wie zijn zoon vertroetelt moet voortdurend zijn wonden verbinden,

en bij elke kreet slaat de schrik hem om het hart.

8Een ongetemd paard wordt koppig,

een zoon die niet wordt beteugeld eigenzinnig.

9Verwen een kind, en het treft je met ontzetting,

speel met hem, en het doet je verdriet.

10Maak geen plezier met hem, anders lijd je samen pijn

en bijt je ten slotte je tanden stuk.

11Laat hem in zijn jeugd niet eigenmachtig optreden,

zie zijn fouten niet door de vingers.

12Buig zijn nek als hij nog jong is,

houd hem stevig in je greep zolang hij een kind is;

dan wordt hij niet koppig en ongehoorzaam

en heb je geen verdriet door hem.

13Voed je zoon op, doe er moeite voor,

anders zul je je ergeren aan zijn onbeschaamdheid.

Gezondheid

14Beter arm maar gezond en sterk van gestel

dan rijk maar lichamelijk een wrak.

15Een gezond gestel is beter dan alle goud,

een sterke geest is beter dan onmetelijke rijkdom.

Hier volgen uitspraken over spijzen.

16Geen enkele rijkdom gaat gezondheid te boven,

geen enkele blijdschap overtreft de vreugde van het hart.

17Beter de dood dan een bitter leven,

beter eeuwige rust dan een slepende kwaal.

18Goede spijzen, neergezet voor een zieke die niet in staat is te eten,

zijn als spijsoffers bij een graf.

19

30:19
Deut. 4:28
Ps. 115:4-6
Wat heeft een afgod aan een offergave?

Hij kan immers eten noch ruiken.

Zo is het met hem die door de Heer met ziekte wordt vervolgd.

20

30:20
Sir. 20:4
Hij ziet de spijzen voor zich staan en zucht,

zoals een eunuch zucht wanneer hij een meisje omarmt.

Zo is het met hem die met geweld zijn recht wil laten gelden.

21Geef je niet over aan verdriet

en kwel jezelf niet met gepieker.

22

30:22
Spr. 15:13
Blijdschap doet een mens leven,

en een vrolijk mens leeft lang.

23Ontspan je, spreek jezelf moed in

en houd verdriet op een afstand,

want verdriet heeft velen te gronde gericht

en dient geen enkel doel.

24Jaloezie en woede verkorten je leven,

kommer maakt je oud voor je tijd.

25

30:25
Spr. 15:15
Wie vrolijk en opgewekt is, heeft een goede eetlust

en geniet van zijn maaltijd.