Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
27

271

27:1
1 Tim. 6:9-10
Velen zondigen om geld,

wie zijn bezit probeert te vergroten sluit zijn ogen voor de armen.

2Zoals een pin zich in de voegen tussen de stenen boort,

zo wringt de zonde zich tussen verkoop en koop.

3Als je niet vasthoudt aan ontzag voor de Heer,

gaat je huis in een oogwenk te gronde.

4Als je een zeef schudt komt er afval tevoorschijn,

als een mens spreekt komt de drek van zijn gedachten naar boven.

5Zoals het vaatwerk van een pottenbakker in de oven getoetst wordt,

zo toets je een mens aan zijn uitspraken.

6

27:6
Mat. 7:16
Zoals je aan de vruchten van een boom de teler kent,

zo ken je aan de overwegingen van een mens zijn bedoelingen.

7Prijs een mens niet vóór je zijn overwegingen gehoord hebt,

want daaraan wordt een mens getoetst.

8Als je rechtvaardigheid nastreeft zul je haar ook vinden,

je kleedt je in rechtvaardigheid als in een prachtig gewaad.

9Vogels nestelen alleen bij hun soortgenoten,

de waarheid komt alleen bij wie haar huldigt.

10

27:10
Sir. 21:2
Een leeuw loert op zijn prooi,

de zonde op hen die onrecht begaan.

11Wat een vroom mens vertelt is altijd wijsheid,

maar een onverstandig mens is zo wisselvallig als de maan.

12Blijf niet te lang onder domme mensen,

maar let onder verstandige mensen niet op de tijd.

13

27:13
Pred. 7:3-6
Wat dwazen vertellen wekt grote ergernis,

hun gelach is een zondig gebulder.

14Het gepraat van mensen die voortdurend zweren

doet de haren te berge rijzen;

bij hun geruzie stopt men de oren dicht.

15Het geruzie van hoogmoedigen is als bloedvergieten,

hun getier doet pijn aan de oren.

Onbetrouwbaarheid

16

27:16
Spr. 20:19
Sir. 22:22
Wie geheimen verraadt verspeelt vertrouwen,

hij vindt nooit een vriend naar zijn hart.

17Houd van je vriend en wees hem trouw,

maar als je zijn geheimen verraadt,

blijf dan niet achter hem aan lopen.

18Want zoals een mens een dode heeft verloren,

zo ben jij zijn vriendschap kwijtgeraakt.

19En zoals men een vogel laat ontkomen uit de hand,

zo heb jij je vriend laten gaan, en je krijgt hem nooit meer terug.

20Ga hem niet achterna, want hij is verdwenen,

hij is weggevlucht als een gazelle uit een strik.

21Een wond kun je verbinden,

een scheldpartij kun je goedmaken,

maar wie een geheim verraadt kan alle hoop laten varen.

22

27:22
Spr. 6:13
10:10
Wie heimelijk een knipoog geeft heeft kwaad in de zin,

wie dat doorheeft gaat zo iemand uit de weg.

23Hij spreekt vriendelijke woorden tegen je

en bewondert wat je zegt,

maar naderhand spreekt hij heel anders

en misbruikt je woorden tegen jou.

24Veel verafschuw ik, maar niets zo diep als zo iemand;

ook de Heer verafschuwt hem.

25Wie een steen omhoog gooit krijgt hem op zijn hoofd,

een verraderlijke slag slaat diepe wonden.

26

27:26
Ps. 7:16
9:16
Spr. 26:27
Pred. 10:8
Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in,

wie een valstrik zet wordt er zelf in gevangen.

27Als iemand kwaad doet treft het hem zelf,

en hij begrijpt niet eens waarom.

28Een hoogmoedig mens spot en hoont,

maar wraak loert op hem als een leeuw.

29Wie vreugde vindt in de ondergang van vrome mensen,

raakt in een valstrik, pijn verteert hem voor hij sterft.

Wrok en woede

30Ook wrok en woede zijn afschuwelijk,

een zondig mens geeft eraan toe.

28

281Wie wraak neemt zal de wraak van de Heer ondervinden,

de Heer zal zijn zonden niet vergeten.

2

28:2
Mat. 5:23-24
6:12,14
Marc. 11:25
Vergeef je naaste het onrecht dat hij deed,

dan worden, als je bidt, ook jou je zonden vergeven.

3Hoe kan een mens die woede koestert tegen een ander

bij de Heer om verzoening vragen?

4

28:4
Mat. 18:23-35
Hoe kan een mens die geen erbarmen heeft met een ander

om vergeving voor zijn eigen zonden bidden?

5Je bent maar een mens: als je in je woede volhardt,

wie zal dan je zonden vergeven?

6

28:6
Sir. 7:36
Denk aan het einde en wees niet langer vijandig,

denk aan je dood en vergankelijkheid, en houd je aan de geboden.

7

28:7
Lev. 19:17-18
Denk aan de geboden en koester geen wrok tegen je naaste,

denk aan het verbond met de Allerhoogste en zie fouten door de vingers.

Ruzie

8

28:8
Spr. 15:1
Houd je verre van ruzie, dan zul je minder zondigen,

want een driftig mens doet ruzie ontbranden

9

28:9
Spr. 16:28
en een zondig mens hitst vrienden tegen elkaar op;

hij zaait tweedracht onder hen die in vrede met elkaar leven.

10

28:10-11
Spr. 26:20-21
Hoe meer hout, des te harder het vuur brandt,

hoe hardnekkiger de ruzie, des te heviger ze wordt.

Hoe sterker een mens, des te groter zijn woede,

hoe rijker hij is, des te feller laait zijn toorn op.

11Een plotselinge ruzie wakkert het vuur aan,

een plotselinge strijd leidt tot bloedvergieten.

12Als je op een vonk blaast vlamt hij op,

als je erop spuugt dooft hij:

beide zijn het werk van je mond.

Roddel

13

28:13-16
Jak. 3:1-12
Vervloek een roddelaar,

vervloek wie met een dubbele tong spreekt,

want velen die in vrede met elkaar leven

worden door hem te gronde gericht.

14Een lasteraar brengt velen aan het wankelen

en jaagt hen op van volk tot volk,

haalt versterkte steden neer

en verwoest de huizen van hooggeplaatsten.

15Een lasteraar jaagt moedige vrouwen op de vlucht

en berooft hen van de vrucht van hun werk.

16Wie naar een lasteraar luistert vindt geen rust

en woont nooit meer ongestoord.

17

28:17
Spr. 25:15
De slag van een zweep veroorzaakt een striem,

de slag van een tong breekt botten.

18

28:18
Sir. 5:13
Velen vallen door een snijdend zwaard,

maar niet zo veel als door een scherpe tong.

19

28:19
Ps. 31:21
Gelukkig is hij die daartegen beschermd is,

die niet is overgeleverd aan de woede van zo’n tong,

zijn juk niet hoeft te dragen

en er niet aan vastgeketend zit,

20want het juk van zo’n tong is van ijzer

en zijn boeien zijn van brons.

21De dood die hij brengt is een slechte dood,

het dodenrijk is vele malen beter.

22Maar over vromen heeft zo’n tong geen macht,

ze branden niet in zijn vlammen.

23Wie de Heer verlaat valt aan zijn vlammen ten prooi;

ze laaien op en worden niet gedoofd.

Hij wordt op hen losgelaten als een leeuw,

als een panter verscheurt hij hen.

24-25Omhein je wijngaard met dorens,

zet een vergrendelde deur voor je mond.

Breng je goud en zilver in veiligheid

en leg je woorden op een weegschaal.

26Voorkom dat je struikelt door je tong,

kom niet ten val onder het oog van je belager.

29

Geld lenen

291

29:1
Deut. 15:7-11
Ps. 37:26
Wie barmhartig is leent geld aan zijn naaste,

wie de helpende hand biedt neemt de geboden in acht.

2Leen aan je naaste wanneer hij het nodig heeft,

en betaal wat je zelf schuldig bent op tijd terug.

3Houd je aan je woord, wees betrouwbaar,

dan krijg ook jij altijd hulp wanneer je het nodig hebt.

4

29:4
Sir. 8:12
Menigeen ziet een lening als een buitenkans

en brengt wie hem helpt in moeilijkheden.

5Zo iemand kust zijn helper de handen

totdat hij zijn lening binnen heeft.

Om geld te krijgen spreekt hij op nederige toon,

maar het moment van terugbetaling stelt hij uit.

Hij betaalt onverschillige woorden terug

en geeft de tijd de schuld.

6Als hij kan betalen, dan krijgt de eiser met moeite de helft

en moet het ook nog als een meevaller beschouwen.

Betaalt een schuldenaar niet, dan is hij niet meer dan een rover

en krijgt hij er gratis een vijand bij.

Hij betaalt de eiser vervloekingen en hatelijkheden terug,

geen eerbetoon, maar beledigingen.

7Menigeen weigert een lening, niet uit onwelwillendheid,

maar uit vrees onnodig te worden beroofd.

Aalmoezen

8

29:8
Deut. 15:11
Tob. 12:8-9
Sir. 3:30-4:10
7:32-36
Mat. 6:1-4
Wees echter grootmoedig tegenover een arme,

laat hem niet op zijn aalmoes wachten.

9Houd je aan het gebod een arme te helpen,

laat hem in zijn nood niet met lege handen staan.

10

29:10
Luc. 12:33
Geef geld aan je broer en aan je vriend,

laat het niet onder een steen wegroesten.

11

29:11
Deut. 15:10
Mat. 6:19-21
19:21
Jak. 5:3
Gebruik je geld overeenkomstig de geboden van de Allerhoogste,

dan geeft het je meer profijt dan goud.

12

29:12
Tob. 4:9-11
Luc. 16:9
Stapel in je schatkamer aalmoezen op,

ze zullen je uit alle ellende redden.

13Ze vechten beter tegen je vijand

dan een machtig schild en een zware lans.

Borg

14

29:14-20
Spr. 6:1-5
11:15
Sir. 8:13
Een goed mens staat borg voor zijn naaste,

maar iemand zonder schaamte laat hem in de steek.

15Vergeet de welwillendheid van je borg niet,

want hij heeft zich voor jou garant gesteld.

16Een zondaar verkwist het bezit van zijn borg,

17een ondankbaar mens laat zijn beschermer in de steek.

18Borg staan heeft veel welgestelden te gronde gericht,

het heeft hen doen zwalken als de golven van de zee.

Machtige mannen heeft het uit hun huizen verdreven

en doen zwerven onder vreemde volken.

19Een zondaar stort zich op een borgstelling,

in zijn zucht naar winst stort hij zich in een proces.

20Help je naaste naar vermogen,

maar pas op: stort je niet in het ongeluk.

Onafhankelijkheid

21

29:21
Sir. 39:26
1 Tim. 6:8
De eerste levensbehoeften zijn water, brood en kleding

en een huis waarin je je geborgen voelt.

22Beter een armoedig bestaan met een dak boven je hoofd

dan een voortreffelijk maal bij vreemden.

23Of je nu veel of weinig hebt, wees tevreden,

dan word je niet voor vreemdeling uitgemaakt.

24

29:24
Spr. 27:8
Van huis tot huis te moeten zwerven is een ellendig bestaan,

waar je als vreemdeling verblijft, heb je geen recht van spreken.

25Al bied je zelf eten en drinken aan,

je krijgt stank voor dank en bitse woorden bovendien:

26‘Kom binnen, vreemdeling, dek de tafel,

geef mij maar te eten wat je meegenomen hebt.

27Verdwijn, vreemdeling, je schaadt mijn aanzien.

Mijn broer is gekomen, ik heb mijn huis nodig.’

28De beschimping een vreemdeling of schuldeiser te zijn,

is voor een verstandig mens zwaar te dragen.

Opvoeding

Hier volgen uitspraken over kinderen.