Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
26

261

26:1
Spr. 31:10-11
Sir. 25:8
Gelukkig is de man van een goede vrouw,

hij leeft twee keer zo lang.

2

26:2
Spr. 12:4
Een sterke vrouw geeft haar man vreugde,

hij zal in vrede oud worden.

3

26:3
Spr. 18:22
Met een goede vrouw is men uitstekend bedeeld,

ze wordt geschonken aan wie ontzag heeft voor de Heer.

4Rijk of arm, zo’n man is gelukkig,

zijn gezicht staat altijd opgewekt.

5Voor drie dingen ben ik bang,

en voor een vierde ben ik zeer beducht:

laster in de stad, een massa die te hoop loopt,

valse aanklachten – alle zijn erger dan de dood.

6Maar tot een gekweld hart en groot verdriet

leidt een vrouw die jaloers is op een andere vrouw,

en die roddelt met de gesel van haar tong.

7Als een slingerend ossenspan is een kwaadaardige vrouw,

wie haar in toom probeert te houden

is als iemand die een schorpioen beetpakt.

8Een dronken vrouw wekt grote woede op,

ze verbergt haar schaamteloosheid niet.

9

26:9
Spr. 6:25
De ontucht van een vrouw blijkt uit haar oogopslag,

aan haar lonken ken je haar.

10Bewaak een eigenzinnige vrouw streng,

anders gooit ze haar eer te grabbel zodra ze de kans krijgt.

11Let goed op haar schaamteloze blik,

wees niet verwonderd als ze zich tegenover je misdraagt.

12Zoals een dorstige reiziger zijn mond opent

voor al het water dat hij maar kan vinden,

zo gaat zij tegenover elke tentpaal zitten

en opent ze haar koker voor de pijl.

13De bekoorlijkheid van een vrouw verblijdt haar man,

haar vaardigheden geven hem kracht.

14Een zwijgzame vrouw is een geschenk van de Heer,

innerlijke beschaving is iets onbetaalbaars.

15Een ingetogen vrouw is dubbel zo bekoorlijk,

niets weegt op tegen haar zelfbeheersing.

16Zoals de zon aan de hoogste hemel van de Heer,

zo is de schoonheid van een goede vrouw in haar geordend huis.

17Zoals het stralend licht op de heilige lampenstandaard,

zo is een mooi gezicht op een welgevormd lichaam.

18Zoals gouden pilaren op een zilveren fundament,

zo zijn mooie benen op stevige voeten.

19Mijn kind, blijf in je jeugd gezond,

verspil je kracht niet aan vreemden.

20Zoek van de hele vlakte het vruchtbaarste deel

en zaai dan je eigen zaad, vertrouw op je goede afkomst.

21Dan leeft je nageslacht voort

en groeit het op vol vertrouwen in zijn goede afkomst.

22Een vrouw die te koop is beschouwt men als spuug,

een getrouwde vrouw als een dodelijke valstrik26:22 een dodelijke valstrik – Voorgestelde lezing. Brontekst: ‘een toren van de dood’. voor haar minnaars.

23Een goddeloze vrouw wordt aan een wetteloze man gegeven,

maar een vrome vrouw aan een man met ontzag voor de Heer.

24Een schaamteloze vrouw brengt haar tijd in schande door,

maar een fatsoenlijke vrouw is zelfs ingetogen tegenover haar man.

25Een losbandige vrouw beschouwt men als een hond,

maar een ingetogen vrouw heeft ontzag voor de Heer.

26Een vrouw die achting voor haar man heeft is wijs in ieders ogen,

maar een vrouw die haar man hoogmoedig te schande maakt,

raakt bij iedereen als verdorven bekend.

Gelukkig is de man van een goede vrouw,

want hij leeft twee keer zo lang.

27Een praatzieke, kijvende vrouw

is als een krijgstrompet waarvoor je op de vlucht slaat.

Een man die met zo’n vrouw samenleeft,

leeft voortdurend onder krijgsrumoer.

Afkeurenswaardige dingen

28Twee dingen maken mij bedroefd,

en een derde maakt mij woedend:

een soldaat die armoe lijdt,

verstandige mannen die als drek worden beschouwd,

een mens die van rechtvaardigheid in zonde vervalt;

de Heer bestemt hem voor het zwaard.

29Een koopman blijft zelden voor een misstap bewaard

en ook een kleine handelaar blijft niet onschuldig.

27

271

27:1
1 Tim. 6:9-10
Velen zondigen om geld,

wie zijn bezit probeert te vergroten sluit zijn ogen voor de armen.

2Zoals een pin zich in de voegen tussen de stenen boort,

zo wringt de zonde zich tussen verkoop en koop.

3Als je niet vasthoudt aan ontzag voor de Heer,

gaat je huis in een oogwenk te gronde.

4Als je een zeef schudt komt er afval tevoorschijn,

als een mens spreekt komt de drek van zijn gedachten naar boven.

5Zoals het vaatwerk van een pottenbakker in de oven getoetst wordt,

zo toets je een mens aan zijn uitspraken.

6

27:6
Mat. 7:16
Zoals je aan de vruchten van een boom de teler kent,

zo ken je aan de overwegingen van een mens zijn bedoelingen.

7Prijs een mens niet vóór je zijn overwegingen gehoord hebt,

want daaraan wordt een mens getoetst.

8Als je rechtvaardigheid nastreeft zul je haar ook vinden,

je kleedt je in rechtvaardigheid als in een prachtig gewaad.

9Vogels nestelen alleen bij hun soortgenoten,

de waarheid komt alleen bij wie haar huldigt.

10

27:10
Sir. 21:2
Een leeuw loert op zijn prooi,

de zonde op hen die onrecht begaan.

11Wat een vroom mens vertelt is altijd wijsheid,

maar een onverstandig mens is zo wisselvallig als de maan.

12Blijf niet te lang onder domme mensen,

maar let onder verstandige mensen niet op de tijd.

13

27:13
Pred. 7:3-6
Wat dwazen vertellen wekt grote ergernis,

hun gelach is een zondig gebulder.

14Het gepraat van mensen die voortdurend zweren

doet de haren te berge rijzen;

bij hun geruzie stopt men de oren dicht.

15Het geruzie van hoogmoedigen is als bloedvergieten,

hun getier doet pijn aan de oren.

Onbetrouwbaarheid

16

27:16
Spr. 20:19
Sir. 22:22
Wie geheimen verraadt verspeelt vertrouwen,

hij vindt nooit een vriend naar zijn hart.

17Houd van je vriend en wees hem trouw,

maar als je zijn geheimen verraadt,

blijf dan niet achter hem aan lopen.

18Want zoals een mens een dode heeft verloren,

zo ben jij zijn vriendschap kwijtgeraakt.

19En zoals men een vogel laat ontkomen uit de hand,

zo heb jij je vriend laten gaan, en je krijgt hem nooit meer terug.

20Ga hem niet achterna, want hij is verdwenen,

hij is weggevlucht als een gazelle uit een strik.

21Een wond kun je verbinden,

een scheldpartij kun je goedmaken,

maar wie een geheim verraadt kan alle hoop laten varen.

22

27:22
Spr. 6:13
10:10
Wie heimelijk een knipoog geeft heeft kwaad in de zin,

wie dat doorheeft gaat zo iemand uit de weg.

23Hij spreekt vriendelijke woorden tegen je

en bewondert wat je zegt,

maar naderhand spreekt hij heel anders

en misbruikt je woorden tegen jou.

24Veel verafschuw ik, maar niets zo diep als zo iemand;

ook de Heer verafschuwt hem.

25Wie een steen omhoog gooit krijgt hem op zijn hoofd,

een verraderlijke slag slaat diepe wonden.

26

27:26
Ps. 7:16
9:16
Spr. 26:27
Pred. 10:8
Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in,

wie een valstrik zet wordt er zelf in gevangen.

27Als iemand kwaad doet treft het hem zelf,

en hij begrijpt niet eens waarom.

28Een hoogmoedig mens spot en hoont,

maar wraak loert op hem als een leeuw.

29Wie vreugde vindt in de ondergang van vrome mensen,

raakt in een valstrik, pijn verteert hem voor hij sterft.

Wrok en woede

30Ook wrok en woede zijn afschuwelijk,

een zondig mens geeft eraan toe.

28

281Wie wraak neemt zal de wraak van de Heer ondervinden,

de Heer zal zijn zonden niet vergeten.

2

28:2
Mat. 5:23-24
6:12,14
Marc. 11:25
Vergeef je naaste het onrecht dat hij deed,

dan worden, als je bidt, ook jou je zonden vergeven.

3Hoe kan een mens die woede koestert tegen een ander

bij de Heer om verzoening vragen?

4

28:4
Mat. 18:23-35
Hoe kan een mens die geen erbarmen heeft met een ander

om vergeving voor zijn eigen zonden bidden?

5Je bent maar een mens: als je in je woede volhardt,

wie zal dan je zonden vergeven?

6

28:6
Sir. 7:36
Denk aan het einde en wees niet langer vijandig,

denk aan je dood en vergankelijkheid, en houd je aan de geboden.

7

28:7
Lev. 19:17-18
Denk aan de geboden en koester geen wrok tegen je naaste,

denk aan het verbond met de Allerhoogste en zie fouten door de vingers.

Ruzie

8

28:8
Spr. 15:1
Houd je verre van ruzie, dan zul je minder zondigen,

want een driftig mens doet ruzie ontbranden

9

28:9
Spr. 16:28
en een zondig mens hitst vrienden tegen elkaar op;

hij zaait tweedracht onder hen die in vrede met elkaar leven.

10

28:10-11
Spr. 26:20-21
Hoe meer hout, des te harder het vuur brandt,

hoe hardnekkiger de ruzie, des te heviger ze wordt.

Hoe sterker een mens, des te groter zijn woede,

hoe rijker hij is, des te feller laait zijn toorn op.

11Een plotselinge ruzie wakkert het vuur aan,

een plotselinge strijd leidt tot bloedvergieten.

12Als je op een vonk blaast vlamt hij op,

als je erop spuugt dooft hij:

beide zijn het werk van je mond.

Roddel

13

28:13-16
Jak. 3:1-12
Vervloek een roddelaar,

vervloek wie met een dubbele tong spreekt,

want velen die in vrede met elkaar leven

worden door hem te gronde gericht.

14Een lasteraar brengt velen aan het wankelen

en jaagt hen op van volk tot volk,

haalt versterkte steden neer

en verwoest de huizen van hooggeplaatsten.

15Een lasteraar jaagt moedige vrouwen op de vlucht

en berooft hen van de vrucht van hun werk.

16Wie naar een lasteraar luistert vindt geen rust

en woont nooit meer ongestoord.

17

28:17
Spr. 25:15
De slag van een zweep veroorzaakt een striem,

de slag van een tong breekt botten.

18

28:18
Sir. 5:13
Velen vallen door een snijdend zwaard,

maar niet zo veel als door een scherpe tong.

19

28:19
Ps. 31:21
Gelukkig is hij die daartegen beschermd is,

die niet is overgeleverd aan de woede van zo’n tong,

zijn juk niet hoeft te dragen

en er niet aan vastgeketend zit,

20want het juk van zo’n tong is van ijzer

en zijn boeien zijn van brons.

21De dood die hij brengt is een slechte dood,

het dodenrijk is vele malen beter.

22Maar over vromen heeft zo’n tong geen macht,

ze branden niet in zijn vlammen.

23Wie de Heer verlaat valt aan zijn vlammen ten prooi;

ze laaien op en worden niet gedoofd.

Hij wordt op hen losgelaten als een leeuw,

als een panter verscheurt hij hen.

24-25Omhein je wijngaard met dorens,

zet een vergrendelde deur voor je mond.

Breng je goud en zilver in veiligheid

en leg je woorden op een weegschaal.

26Voorkom dat je struikelt door je tong,

kom niet ten val onder het oog van je belager.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]