Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
20

Spreken en zwijgen

201Soms komt een terechtwijzing op het verkeerde moment,

wie dan zwijgt is verstandig.

2Het is beter terecht te wijzen dan tekeer te gaan,

3wie een fout toegeeft wordt voor verlies behoed.

4

20:4
Sir. 30:20
Wie met geweld zijn recht wil laten gelden,

is als een eunuch die een meisje wil ontmaagden.

5

20:5
Spr. 17:28
Menigeen die zwijgt wordt voor wijs gehouden,

menigeen die veel praat wordt gehaat.

6De een zwijgt omdat hij geen antwoord heeft,

de ander zwijgt omdat hij zijn tijd kent.

7Een wijs mens zwijgt tot het goede moment aanbreekt,

maar een domme protser verspeelt dat moment.

8Wie er maar op los praat wordt verafschuwd,

wie macht naar zich toetrekt wordt gehaat.

Hoe goed is het berouw te tonen als je terechtgewezen wordt,

zo weet je fouten te voorkomen.

Geluk en ongeluk

9In ongeluk ligt voor een mens soms geluk

en een buitenkansje leidt soms tot verlies.

10Er zijn geschenken die je niet baten

en er zijn geschenken die dubbel worden terugbetaald.

11Roem kan tot vernedering leiden,

maar sommigen heffen na vernedering het hoofd weer op.

12De een koopt veel voor weinig geld,

de ander betaalt zevenmaal te veel.

13Een wijze maakt zich al met weinig geliefd,

de vriendelijkheid van een dwaas is vergeefse moeite.

14Het geschenk van een onverstandig mens zal je niet baten,

dat van een afgunstig mens evenmin.

Want hij geeft het met tegenzin

en zijn ogen dwalen gretig over alles rond.

15Hij geeft weinig en heeft veel aan te merken,

hij zet een mond op als een omroeper.

Vandaag leent hij uit, morgen eist hij het terug,

zo iemand boezemt afkeer in.

16Zo’n dwaas zegt: ‘Ik heb geen vrienden,

niemand is mij dankbaar voor mijn goede daden.’

Ze eten zijn brood, maar spreken kwaad over hem.

17Wordt hij niet vaak en door velen uitgelachen?

Want wat hij heeft, heeft hij niet met de juiste instelling ontvangen,

en wat hij niet heeft, betekent niets voor hem.

Ongepast spreken

18Beter dat je uitglijdt op de vloer dan dat je uitglijdt met je tong,

zo komen slechte mensen snel ten val.

19Een onaangenaam mens spreekt op het verkeerde moment,

wie geen opvoeding genoten heeft doet niet anders.

20

20:20
Spr. 26:7,9
Een spreuk uit de mond van een dwaas wordt verworpen,

hij spreekt hem niet uit op het juiste moment.

21Menigeen is te arm om te zondigen,

zijn rust wordt niet door wroeging verstoord.

22

20:22
Sir. 4:21
42:1
Menigeen richt zichzelf te gronde door te grote bescheidenheid,

door een onverstandig optreden verwoest hij zichzelf.

23Menigeen doet uit te grote bescheidenheid zijn vriend een belofte

en maakt hem nodeloos tot vijand.

24

20:24
Spr. 13:5
Leugens zijn een smet op een mens,

wie geen opvoeding genoten heeft, neemt ze voortdurend in de mond.

25Liever een dief dan een onverbeterlijke leugenaar,

maar beiden gaan ten onder.

26Het gedrag van een leugenaar is oneervol,

hij staat voortdurend te schande.

Toon wijsheid

Hier volgen spreuken.

27Wie wijs is brengt zichzelf al met weinig vooruit,

wie verstandig is geniet de gunst van hooggeplaatsten.

28

20:28
Spr. 12:11
Wie het land bewerkt vergroot zijn oogst,

wie de gunst van hooggeplaatsten geniet gaat vrijuit,

ook als hij onrecht doet.

29

20:29
Ex. 23:8
Deut. 16:19
Spr. 17:8
18:16
21:14
Giften en geschenken maken zelfs het oog van de wijze blind,

ze houden berispingen tegen als een muilkorf.

30

20:30
Sir. 41:14-15
Mat. 5:14-16
Welk nut hebben verborgen wijsheid en een onzichtbare schat?

31Beter een mens die zijn dwaasheid verbergt

dan een mens die zijn wijsheid verbergt.

32Beter onvermoeibaar en volhardend de Heer zoeken

dan een menner zijn die zijn eigen leven niet in toom houdt.

21

Vlucht voor zonden

211Mijn kind, als je gezondigd hebt, ga er niet mee door,

bid om vergeving voor je zonden.

2Vlucht voor zonden als voor een slang,

want als de zonde naderbij komt grijpt ze je.

Haar tanden zijn als die van een leeuw,

ze rukken mensenlevens weg.

3

21:3
Spr. 5:4
Wetteloosheid is als een tweesnijdend zwaard,

van haar slag genees je niet.

4Gewelddadigheid en trots verwoesten rijkdom,

zo valt het huis van de hoogmoedige in puin.

5

21:5
Ps. 34:7
God hoort het gebed van een arme

en dan oordeelt hij snel.

6

21:6
Spr. 12:1
Wie berispingen afwijst gaat de weg van een zondaar,

maar wie ontzag heeft voor de Heer komt tot inkeer.

7Een grootspreker laat zich wijd en zijd horen,

maar een verstandig mens weet wanneer hij te veel praat.

8Wie zijn huis bouwt met geleend geld,

is als iemand die stenen voor zijn graf verzamelt.21:8 die stenen voor zijn graf verzamelt – Andere handschriften lezen: ‘die voor de winter stenen sprokkelt’.

9

21:9
Jes. 1:31
Sir. 16:6
Een bende wettelozen is als een hoop vlas,

hun einde als een laaiend vuur.

10

21:10
Mat. 7:13
De weg van zondaars is geëffend, vrij van stenen,

maar eindigt in de groeve van het dodenrijk.

Wijsheid en dwaasheid

11Wie de wet in acht neemt beheerst zijn driften,

het doel van ontzag voor de Heer is wijsheid.

12Wie niet verstandig is laat zich niet onderwijzen,

maar er is verstandigheid die veel bitterheid brengt.

13

21:13
Spr. 13:14
18:4
De kennis van een wijze zwelt aan als een vloed,

zijn raad is een bron van leven.

14Het innerlijk van een dwaas is als een gebroken kruik,

het kan geen enkele kennis vasthouden.

15Als een verstandig mens een wijs woord hoort,

prijst hij het en voegt hij er een aan toe.

Hoort een losbol het, dan bevalt het hem niet

en werpt hij het ver van zich af.

16Het betoog van een dwaas is als een zware last op reis,

op de lippen van een verstandig mens ligt vriendelijkheid.

17Wat een wijze in de volksvergadering zegt wordt gewaardeerd,

zijn woorden neemt men ter harte.

18Voor een dwaas is wijsheid als een bouwval,

en wat hij voor kennis houdt is wartaal.

19Wat ketenen voor de voeten zijn,

dat is onderricht voor een onverstandig mens:

het is als een handboei aan zijn rechterhand.

20Een dwaas buldert van het lachen,

een verstandig mens glimlacht hoogstens.

21Als een gouden sieraad,

zo is onderricht voor een verstandig mens:

het is als een armband aan zijn rechterarm.

22Een dwaas rent overhaast een huis in,

een mens met levenservaring wacht bescheiden.

23Een onverstandig mens gluurt door de deur naar binnen,

een welopgevoed mens blijft buiten wachten.

24Luisteren aan de deur getuigt van gebrek aan opvoeding,

een verstandig mens schaamt zich daarvoor.

25Praatjesmakers21:25 Praatjesmakers – Volgens één Grieks handschrift. Brontekst: ‘Vreemdelingen’. vertellen van alles,

maar een verstandig mens legt zijn woorden op een weegschaal.

26Een dwaas spreekt voordat hij denkt,

een wijze denkt voordat hij spreekt.

27Als een goddeloze zijn tegenstander vervloekt,

vervloekt hij zichzelf.

28Wie roddelt bezoedelt zichzelf,

hij wordt door zijn omgeving gehaat.

22

Luiheid en onbeschaamdheid

221Een luiaard is als een steen met drek,

men fluit hem uit om zijn schande.

2Een luiaard is als de drek van een mesthoop,

ieder die hem aanraakt veegt zijn handen af.

3

22:3
Spr. 17:25
Een onopgevoede zoon is een schande voor zijn vader,

en zo’n dochter brengt hem verlies.

4

22:4
Sir. 7:24
Een verstandige dochter krijgt een man,

maar een lichtzinnige dochter doet haar verwekker verdriet.

5Een schaamteloze vrouw brengt schande over haar vader en haar man,

ze wordt door beiden veracht.

6

22:6
Spr. 23:13-14
Sir. 30:1-2,12
Een betoog op het verkeerde moment is als muziek bij rouw,

maar zweepslagen en tucht getuigen altijd van wijsheid.

7Kinderen die het goed gaat in hun leven

verbergen de lage afkomst van hun ouders.

8Hooghartige, arrogante en onopgevoede kinderen

bezoedelen de hoge afkomst van hun familie.

Wees op je hoede voor een dwaas

9Wie een dwaas onderricht,

is als iemand die de scherven van een pot aaneenlijmt,

of een slaper uit een diepe slaap wekt.

10Redeneren tegen een dwaas

is als redeneren tegen iemand die doezelt

en die ten slotte vraagt: ‘Wat is er?’

11Huil om een dode, want hij is verstoken van licht,

huil om een dwaas, want hij is verstoken van verstand.

Huil zachter om een dode, want hij is tot rust gekomen,

maar het leven van een dwaas is slechter dan de dood.

12De rouw over een dode duurt zeven dagen,

maar die om een goddeloze dwaas duurt alle dagen van zijn leven.

13Spreek niet te veel met een dwaas,

ga niet naar een onverstandig mens,

want in zijn kortzichtigheid minacht hij je volledig.

Wees voor hem op je hoede, dan kom je niet in de problemen

en word je niet besmeurd door de praatjes die hij rondstrooit.

Ga hem uit de weg, dan heb je rust

en ergert zijn waanzin je niet.

14Wat is zwaarder dan lood?

Heeft het een andere naam dan dwaas?

15

22:15
Spr. 27:3
Zand, zout en een klomp ijzer

zijn makkelijker te dragen dan het onverstand van een mens.

16Een houten gebinte dat vastzit in een gebouw

wordt bij een aardbeving niet ontwricht.

Zo raakt verstand dat stoelt op bedachtzaamheid

op een kritiek moment niet in paniek.

17Verstand dat op inzicht steunt

is als een uitgesneden ornament op een gladde muur.

18Steentjes die op een hoge plaats liggen

zijn niet bestand tegen de wind.

Net zo min is een besluiteloos hart dat steunt op het inzicht van een dwaas

tegen enige angst bestand.

Vriendschap

19Wie een oog treft doet tranen vloeien,

wie een hart treft maakt gevoelens los.

20Wie een steen naar vogels gooit jaagt ze weg,

wie een vriend kwetst maakt een einde aan de vriendschap.

21

22:21
Sir. 19:13-17
Als je tegen een vriend het zwaard trekt,

wanhoop dan niet: er is een weg terug.

22Als je tegen je vriend een grote mond opzet,

wees dan niet bang: je kunt je weer met hem verzoenen.

Maar voor beschimpingen, hoogmoed, verraad van een geheim en een slinkse streek

maakt elke vriend zich uit de voeten.

23Verwerf het vertrouwen van je medemens als hij arm is,

dan deel je in zijn voorspoed als het hem goed gaat.

Blijf bij hem als het hem slecht gaat,

dan deel je in zijn erfenis.

Je mag nooit iemand om zijn uiterlijk verachten,

noch een rijke bewonderen die zonder verstand is.

24Voordat er vuur is geeft de oven walm en rook,

zo wordt er vóór het bloedvergieten gescholden.

25Ik schaam mij er niet voor een vriend te beschermen,

ik zal mij niet om hem verbergen.

26Als mij door hem iets kwaads overkomt,

is ieder die het hoort voor hem op zijn hoede.

Behoedzaamheid

27

22:27
Ps. 141:3
Sir. 28:24-26
Wie zet een wachter voor mijn mond,

plaatst een zegel van behoedzaamheid op mijn lippen,

zodat ik niet ten val kom

en mijn tong mij niet te gronde richt?

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]