Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
18

De Heer en de mens

181Hij die tot in eeuwigheid leeft,

heeft al het bestaande geschapen.

2Alleen de Heer zal rechtvaardig blijken,

buiten hem is er geen ander.

3Hij regeert de wereld met uitgestrekte hand,

alles gehoorzaamt aan zijn wil.

Want door zijn macht is hij koning van alle dingen,

hij scheidt het heilige van het profane.

4Hij heeft niemand in staat gesteld zijn daden voluit te verkondigen,

wie kan zijn grote werken doorgronden?

5Wie meet de kracht van zijn majesteit

en wie verkondigt ál zijn barmhartigheid?

6

18:6
Sir. 42:21
Daar wordt niets van afgedaan en niets aan toegevoegd,

de wonderdaden van de Heer zijn niet te doorgronden.

7

18:7
Ps. 139:17-18
Wanneer een mens denkt ze te begrijpen, begint hij pas,

en wanneer hij ophoudt, is hij volkomen verbijsterd.

8

18:8
Ps. 8:5
Wat is de mens, waar dient hij toe?

Wat is er goed aan hem, wat slecht?

9

18:9
Ps. 90:10
Sir. 17:2
Als hij honderd jaar wordt leeft een mens lang,

maar het tijdstip van zijn sterven komt hij nooit te weten.

10Als een druppel uit de zee, als een korrel zand

is dat luttel aantal jaren op de eeuwigheid.

11

18:11
2 Petr. 3:9
Daarom heeft de Heer geduld met de mens

en overstelpt hij hem met zijn barmhartigheid.

12Hij keek naar hem, en zag dat zijn einde ellendig is,

daarom biedt hij rijkelijk verzoening.

13

18:13
Ps. 145:9
De barmhartigheid van een mens gaat uit naar zijn naaste,

maar de barmhartigheid van de Heer gaat uit naar alles wat leeft.

Hij wijst de mens terecht, onderricht en vormt hem,

hij voert hem terug zoals een herder zijn kudde.

14Hij ontfermt zich over wie zijn onderricht aanvaardt,

over wie zijn voorschriften zonder aarzelen opvolgt.

Geschenken

15Mijn kind, laat een gift niet gepaard gaan met een verwijt,

een geschenk niet met kwetsende woorden.

16Maakt de dauw geen einde aan de hitte?

Zo is wat je zegt meer waard dan een geschenk.

17Een vriendelijk woord is toch meer waard dan een mooi geschenk?

Maar bij een beminnelijk mens zijn beide waardevol.

18Een dwaas kwetst op botte wijze,

een geschenk dat met tegenzin wordt gegeven, wekt verdriet.

Voorzorg en behoedzaamheid

19Laat je onderrichten voordat je spreekt.

Denk niet pas aan je gezondheid als je ziek bent.

20Onderzoek jezelf voordat je wordt geoordeeld,

dan word je vergeven wanneer je wordt getoetst.

21Buig niet pas als je ziek bent,

kom al tot inkeer op het moment dat je zondigt.

22

18:22-23
Pred. 5:1-6
18:22
Deut. 23:22-24
Aarzel niet een gelofte op tijd in te lossen,

wacht niet tot je sterft om dat te doen.

23

18:23
Spr. 20:25
Denk na vóór je een gelofte doet,

stel de Heer niet op de proef.

24Denk aan zijn toorn aan het einde van je leven

en aan zijn straf als hij zich van je afwendt.

25Denk in tijden van overvloed aan tijden van schaarste,

in tijden van rijkdom aan armoede en gebrek.

26Tussen de ochtend en de avond kan er veel veranderen,

voor de Heer is alles snel voorbij.

27Een wijs mens is in alles behoedzaam,

in zondige tijden hoedt hij zich voor overtredingen.

28Ieder verstandig mens erkent de wijsheid

en hij prijst wie haar gevonden heeft.

29Wie wijze woorden begrijpt geeft zelf blijk van wijsheid

en hij laat het treffende spreuken regenen.

Het is beter op de ene Heer te vertrouwen

dan met een dood hart een dode aan te hangen.

Zelfbeheersing

Hier volgen uitspraken over zelfbeheersing.

30Loop niet achter je begeerten aan,

houd je lusten in toom.

31Wie zich overgeeft aan zijn begeerten

wordt door zijn vijanden bespot.

32Verlustig je niet in grote weelde,

zorg dat je er buiten kunt.

33

18:33
Spr. 23:20-21
Maak jezelf niet arm door met geleend geld te brassen

terwijl je zelf niets in je beurs hebt,

want je verraadt je eigen leven.

19

191Een dronken arbeider wordt niet rijk,

wie het kleine veronachtzaamt gaat langzaam maar zeker te gronde.

2

19:2
1 Kon. 11:3-4
Spr. 7:5-23
31:3-5
Hos. 4:10-11
Wijn en vrouwen brengen verstandige mannen van het rechte pad,

wie zich met hoeren afgeeft wordt steeds roekelozer.

3

19:3
Spr. 5:5
7:26-27
9:18
Hij valt ten prooi aan wormen en verrotting,

zo’n roekeloos mens wordt weggerukt.

Roddel

4Wie zomaar zijn vertrouwen geeft is lichtzinnig,

wie die fout begaat benadeelt zichzelf.

5Wie vreugde vindt in het kwaad wordt veroordeeld,

wie lust weerstaat bekroont zijn leven.

6Wie zijn tong in toom houdt kent geen strijd,

wie roddel verafschuwt vermindert het kwaad.19:6 vermindert het kwaad – Volgens sommige handschriften. Brontekst: ‘ontbreekt het aan verstand’.

7Vertel een gerucht nooit verder,

dan wordt je nimmer schade toegebracht.

8

19:8
Spr. 25:9-10
Vertel het vriend noch vijand,

houd het voor je, tenzij je daardoor schuldig wordt.

9Wie het van je hoort zal zich voor je hoeden,

en er komt een tijd dat hij je haat.

10Heb je iets gehoord, neem het mee in het graf,

wees niet bang, het breekt niet uit je los.

11Een dwaas krijgt weeën van een gerucht,

zoals een vrouw van een kind.

12Zo vast als een pijl in een dij zit,

zo vast zit een gerucht in een dwaas.

13Doe navraag bij je vriend,

hij heeft het misschien niet gedaan.

En heeft hij het wel gedaan,

zorg ervoor dat hij het niet opnieuw doet.

14Doe navraag bij je vriend,

hij heeft het misschien niet gezegd.

En heeft hij het wel gezegd,

zorg ervoor dat hij het niet opnieuw zegt.

15

19:15
Pred. 7:21
Doe navraag bij je vriend,

want er wordt vaak geroddeld,

geloof niet alles wat er wordt verteld.

16

19:16
Jak. 3:2
Je kunt ongewild een fout begaan,

wie heeft nog nooit gezondigd met zijn tong?

17

19:17
Lev. 19:17-18
Doe navraag bij je vriend voordat je dreigt,

houd je aan de wet van de Allerhoogste.

18

19:18
Ps. 111:10
Aanvaarding door de Heer begint met ontzag voor hem,

wijsheid die van de Heer komt brengt liefde voort.

19Kennis van zijn geboden voedt op tot het leven,

wie hem behaagt plukt de vruchten van de boom der onsterfelijkheid.

Ware en valse wijsheid

20Alle wijsheid is ontzag voor de Heer.

Ze sluit in dat je de wet in acht neemt

en kennis van zijn almacht hebt.

21Een slaaf die tegen zijn meester zegt:

‘Ik weiger te doen wat u verlangt,’

wekt de boosheid op van zijn broodheer,

ook al doet de slaaf het daarna toch.

22Ervaring in het kwaad is geen wijsheid,

de raad van goddelozen biedt geen inzicht.

23Er bestaat scherpzinnigheid die een gruwel is

en er zijn domme mensen met maar weinig inzicht.

24Beter iemand met weinig inzicht, maar met ontzag voor de Heer

dan iemand met veel inzicht die de wet overtreedt.

25Er is scherpzinnigheid die zo verfijnd is dat ze onrechtvaardig wordt,

er zijn mensen die een zaak zo weten te draaien

dat het recht aan hun kant staat;

maar er zijn ook wijzen die rechtvaardig oordelen.

26Er zijn slechte mensen die met gebogen hoofd in het zwart gehuld gaan,

maar innerlijk vol listen zijn.

27Zo iemand slaat de ogen neer en houdt zich doof,

maar als je niet oplet maakt hij misbruik van je.

28Als hij nú geen kwaad kan doen,

doet hij het zodra de gelegenheid zich voordoet.

29Je kent een mens aan zijn blik,

een verstandig mens herken je

aan de manier waarop hij je aankijkt.

30De kleding van een mens, zijn lach en zijn gang

laten zien wie hij is.

20

Spreken en zwijgen

201Soms komt een terechtwijzing op het verkeerde moment,

wie dan zwijgt is verstandig.

2Het is beter terecht te wijzen dan tekeer te gaan,

3wie een fout toegeeft wordt voor verlies behoed.

4

20:4
Sir. 30:20
Wie met geweld zijn recht wil laten gelden,

is als een eunuch die een meisje wil ontmaagden.

5

20:5
Spr. 17:28
Menigeen die zwijgt wordt voor wijs gehouden,

menigeen die veel praat wordt gehaat.

6De een zwijgt omdat hij geen antwoord heeft,

de ander zwijgt omdat hij zijn tijd kent.

7Een wijs mens zwijgt tot het goede moment aanbreekt,

maar een domme protser verspeelt dat moment.

8Wie er maar op los praat wordt verafschuwd,

wie macht naar zich toetrekt wordt gehaat.

Hoe goed is het berouw te tonen als je terechtgewezen wordt,

zo weet je fouten te voorkomen.

Geluk en ongeluk

9In ongeluk ligt voor een mens soms geluk

en een buitenkansje leidt soms tot verlies.

10Er zijn geschenken die je niet baten

en er zijn geschenken die dubbel worden terugbetaald.

11Roem kan tot vernedering leiden,

maar sommigen heffen na vernedering het hoofd weer op.

12De een koopt veel voor weinig geld,

de ander betaalt zevenmaal te veel.

13Een wijze maakt zich al met weinig geliefd,

de vriendelijkheid van een dwaas is vergeefse moeite.

14Het geschenk van een onverstandig mens zal je niet baten,

dat van een afgunstig mens evenmin.

Want hij geeft het met tegenzin

en zijn ogen dwalen gretig over alles rond.

15Hij geeft weinig en heeft veel aan te merken,

hij zet een mond op als een omroeper.

Vandaag leent hij uit, morgen eist hij het terug,

zo iemand boezemt afkeer in.

16Zo’n dwaas zegt: ‘Ik heb geen vrienden,

niemand is mij dankbaar voor mijn goede daden.’

Ze eten zijn brood, maar spreken kwaad over hem.

17Wordt hij niet vaak en door velen uitgelachen?

Want wat hij heeft, heeft hij niet met de juiste instelling ontvangen,

en wat hij niet heeft, betekent niets voor hem.

Ongepast spreken

18Beter dat je uitglijdt op de vloer dan dat je uitglijdt met je tong,

zo komen slechte mensen snel ten val.

19Een onaangenaam mens spreekt op het verkeerde moment,

wie geen opvoeding genoten heeft doet niet anders.

20

20:20
Spr. 26:7,9
Een spreuk uit de mond van een dwaas wordt verworpen,

hij spreekt hem niet uit op het juiste moment.

21Menigeen is te arm om te zondigen,

zijn rust wordt niet door wroeging verstoord.

22

20:22
Sir. 4:21
42:1
Menigeen richt zichzelf te gronde door te grote bescheidenheid,

door een onverstandig optreden verwoest hij zichzelf.

23Menigeen doet uit te grote bescheidenheid zijn vriend een belofte

en maakt hem nodeloos tot vijand.

24

20:24
Spr. 13:5
Leugens zijn een smet op een mens,

wie geen opvoeding genoten heeft, neemt ze voortdurend in de mond.

25Liever een dief dan een onverbeterlijke leugenaar,

maar beiden gaan ten onder.

26Het gedrag van een leugenaar is oneervol,

hij staat voortdurend te schande.

Toon wijsheid

Hier volgen spreuken.

27Wie wijs is brengt zichzelf al met weinig vooruit,

wie verstandig is geniet de gunst van hooggeplaatsten.

28

20:28
Spr. 12:11
Wie het land bewerkt vergroot zijn oogst,

wie de gunst van hooggeplaatsten geniet gaat vrijuit,

ook als hij onrecht doet.

29

20:29
Ex. 23:8
Deut. 16:19
Spr. 17:8
18:16
21:14
Giften en geschenken maken zelfs het oog van de wijze blind,

ze houden berispingen tegen als een muilkorf.

30

20:30
Sir. 41:14-15
Mat. 5:14-16
Welk nut hebben verborgen wijsheid en een onzichtbare schat?

31Beter een mens die zijn dwaasheid verbergt

dan een mens die zijn wijsheid verbergt.

32Beter onvermoeibaar en volhardend de Heer zoeken

dan een menner zijn die zijn eigen leven niet in toom houdt.