Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
17

171

17:1
Gen. 2:7
3:19
Pred. 3:20
12:7
De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen

en doet hem naar haar terugkeren.

2

17:2
Gen. 1:28
6:3
Wijsh. 9:2-3
Hij schonk de mensen een afgemeten aantal dagen,

maar ook macht over alles wat er op de aarde is.

3

17:3
Gen. 1:26-27
Hij heeft hen toegerust met zijn eigen kracht

en hen naar zijn eigen beeld gemaakt.

4

17:4
Gen. 9:2
Alles wat leeft heeft hij ontzag voor de mens gegeven,

opdat deze zou heersen over dieren en vogels.

5Hij kreeg van de Heer vijf zintuigen,

als zesde ontving hij van hem het verstand,

als zevende het woord, waarmee de daden van de Heer worden bekendgemaakt.

6Denkvermogen, een tong, ogen, oren en een hart

gaf hij hem om begrip te verwerven.

7

17:7
Gen. 2:17
Hij deelde hem rijkelijk kennis en inzicht toe

en toonde hem het goede en het kwade.

8

17:8
Wijsh. 13:1
Rom. 1:19-20
In zijn hart heeft hij ontzag voor hem gelegd,

opdat de mens zijn grote daden kon zien

en zich door de eeuwen heen op zijn wonderdaden kon beroemen,

9-10opdat hij zijn grote daden zou verkondigen

en zijn heilige naam zou prijzen.

11Hij schonk hun kennis en de wet die leven geeft,

opdat ze zouden beseffen dat zij, die leven, sterfelijk zijn.

12

17:12
Deut. 30:15-20
Hij heeft met hen een eeuwig verbond gesloten

en hun zijn voorschriften gegeven.

13

17:13
Ex. 34:10-11
Deut. 4:11-12
Zij zagen zijn grote macht

en hoorden zijn krachtige stem.

14Hij zei tegen hen: ‘Hoed je voor alle onrecht,’

en gaf hun regels voor de omgang met andere mensen.

15Hun daden zijn hem volledig bekend,

ze blijven niet voor zijn ogen verborgen.

16Ze zijn van kinds af aan gericht op het kwaad

en kunnen van hun hart van steen geen hart van vlees maken.

De Heer laat Israël niet in de steek

17

17:17
Deut. 7:6
1 Sam. 8:7
Toen de Heer de volken over de aarde verdeelde,

stelde hij over elk ervan een heerser aan,

maar Israël is het bezit van de Heer.

18Omdat het zijn eerstgeborene is,

voedt hij het op en onderricht hij het.

Hij laat zijn volk niet in de steek,

het licht van zijn liefde schenkt hij het.

19Al hun daden zijn voor hem zo zichtbaar als de zon,

zijn ogen zijn er altijd op gericht.

20Hun onrechtvaardigheid is voor hem niet verborgen,

al hun zonden zijn de Heer bekend.

21Maar de Heer, die goed is en zijn schepselen kent,

heeft hen niet verlaten en niet prijsgegeven; hij heeft hen gespaard.

22

17:22
Sir. 11:26-28
De barmhartigheid van een mens is voor hem als een zegelring,

de goedheid van een mens koestert hij als zijn oogappel –

hij vervult zijn zonen en dochters met berouw.

23

17:23
Rom. 2:6
Ten slotte zal hij komen en hun naar hun daden vergelden,

hun zonden laat hij neerkomen op hun eigen hoofd.

24Maar wie berouw heeft geeft hij een nieuwe kans,

wie de hoop verliest moedigt hij aan.

Zondig niet langer

25Wend je tot de Heer, zondig niet langer,

bid tot hem, geef hem zo weinig mogelijk aanstoot.

26

17:26
Ps. 34:15
Keer terug tot de Allerhoogste, keer je af van onrecht,

want hijzelf leidt je uit de duisternis naar het genezende licht.

Haat alles wat gruwelijk is ten diepste.

27

17:27
Ps. 6:6
115:17
Wie zal in het dodenrijk de Allerhoogste loven,

zoals de levenden, die voor hem een danklied zingen?

28Een dode vergaat, zijn dankzegging sterft,

wie leeft en gezond is prijst de Heer.

29

17:29
Ps. 103:17
111:4
Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer,

hoe genadig is hij voor wie zich tot hem keert.

30Want een mens is niet volmaakt,

een mensenkind is niet onsterfelijk.

31

17:31
Gen. 6:5
8:21
Job 15:14-16
Wat geeft meer licht dan de zon? Toch gaat ze onder.

Zo zijn vlees en bloed tot het kwaad geneigd.

32

17:32
Gen. 18:27
Sir. 10:9
De Heer overziet de machten van de hoge hemel,

maar alle mensen zijn stof en as.

18

De Heer en de mens

181Hij die tot in eeuwigheid leeft,

heeft al het bestaande geschapen.

2Alleen de Heer zal rechtvaardig blijken,

buiten hem is er geen ander.

3Hij regeert de wereld met uitgestrekte hand,

alles gehoorzaamt aan zijn wil.

Want door zijn macht is hij koning van alle dingen,

hij scheidt het heilige van het profane.

4Hij heeft niemand in staat gesteld zijn daden voluit te verkondigen,

wie kan zijn grote werken doorgronden?

5Wie meet de kracht van zijn majesteit

en wie verkondigt ál zijn barmhartigheid?

6

18:6
Sir. 42:21
Daar wordt niets van afgedaan en niets aan toegevoegd,

de wonderdaden van de Heer zijn niet te doorgronden.

7

18:7
Ps. 139:17-18
Wanneer een mens denkt ze te begrijpen, begint hij pas,

en wanneer hij ophoudt, is hij volkomen verbijsterd.

8

18:8
Ps. 8:5
Wat is de mens, waar dient hij toe?

Wat is er goed aan hem, wat slecht?

9

18:9
Ps. 90:10
Sir. 17:2
Als hij honderd jaar wordt leeft een mens lang,

maar het tijdstip van zijn sterven komt hij nooit te weten.

10Als een druppel uit de zee, als een korrel zand

is dat luttel aantal jaren op de eeuwigheid.

11

18:11
2 Petr. 3:9
Daarom heeft de Heer geduld met de mens

en overstelpt hij hem met zijn barmhartigheid.

12Hij keek naar hem, en zag dat zijn einde ellendig is,

daarom biedt hij rijkelijk verzoening.

13

18:13
Ps. 145:9
De barmhartigheid van een mens gaat uit naar zijn naaste,

maar de barmhartigheid van de Heer gaat uit naar alles wat leeft.

Hij wijst de mens terecht, onderricht en vormt hem,

hij voert hem terug zoals een herder zijn kudde.

14Hij ontfermt zich over wie zijn onderricht aanvaardt,

over wie zijn voorschriften zonder aarzelen opvolgt.

Geschenken

15Mijn kind, laat een gift niet gepaard gaan met een verwijt,

een geschenk niet met kwetsende woorden.

16Maakt de dauw geen einde aan de hitte?

Zo is wat je zegt meer waard dan een geschenk.

17Een vriendelijk woord is toch meer waard dan een mooi geschenk?

Maar bij een beminnelijk mens zijn beide waardevol.

18Een dwaas kwetst op botte wijze,

een geschenk dat met tegenzin wordt gegeven, wekt verdriet.

Voorzorg en behoedzaamheid

19Laat je onderrichten voordat je spreekt.

Denk niet pas aan je gezondheid als je ziek bent.

20Onderzoek jezelf voordat je wordt geoordeeld,

dan word je vergeven wanneer je wordt getoetst.

21Buig niet pas als je ziek bent,

kom al tot inkeer op het moment dat je zondigt.

22

18:22-23
Pred. 5:1-6
18:22
Deut. 23:22-24
Aarzel niet een gelofte op tijd in te lossen,

wacht niet tot je sterft om dat te doen.

23

18:23
Spr. 20:25
Denk na vóór je een gelofte doet,

stel de Heer niet op de proef.

24Denk aan zijn toorn aan het einde van je leven

en aan zijn straf als hij zich van je afwendt.

25Denk in tijden van overvloed aan tijden van schaarste,

in tijden van rijkdom aan armoede en gebrek.

26Tussen de ochtend en de avond kan er veel veranderen,

voor de Heer is alles snel voorbij.

27Een wijs mens is in alles behoedzaam,

in zondige tijden hoedt hij zich voor overtredingen.

28Ieder verstandig mens erkent de wijsheid

en hij prijst wie haar gevonden heeft.

29Wie wijze woorden begrijpt geeft zelf blijk van wijsheid

en hij laat het treffende spreuken regenen.

Het is beter op de ene Heer te vertrouwen

dan met een dood hart een dode aan te hangen.

Zelfbeheersing

Hier volgen uitspraken over zelfbeheersing.

30Loop niet achter je begeerten aan,

houd je lusten in toom.

31Wie zich overgeeft aan zijn begeerten

wordt door zijn vijanden bespot.

32Verlustig je niet in grote weelde,

zorg dat je er buiten kunt.

33

18:33
Spr. 23:20-21
Maak jezelf niet arm door met geleend geld te brassen

terwijl je zelf niets in je beurs hebt,

want je verraadt je eigen leven.

19

191Een dronken arbeider wordt niet rijk,

wie het kleine veronachtzaamt gaat langzaam maar zeker te gronde.

2

19:2
1 Kon. 11:3-4
Spr. 7:5-23
31:3-5
Hos. 4:10-11
Wijn en vrouwen brengen verstandige mannen van het rechte pad,

wie zich met hoeren afgeeft wordt steeds roekelozer.

3

19:3
Spr. 5:5
7:26-27
9:18
Hij valt ten prooi aan wormen en verrotting,

zo’n roekeloos mens wordt weggerukt.

Roddel

4Wie zomaar zijn vertrouwen geeft is lichtzinnig,

wie die fout begaat benadeelt zichzelf.

5Wie vreugde vindt in het kwaad wordt veroordeeld,

wie lust weerstaat bekroont zijn leven.

6Wie zijn tong in toom houdt kent geen strijd,

wie roddel verafschuwt vermindert het kwaad.19:6 vermindert het kwaad – Volgens sommige handschriften. Brontekst: ‘ontbreekt het aan verstand’.

7Vertel een gerucht nooit verder,

dan wordt je nimmer schade toegebracht.

8

19:8
Spr. 25:9-10
Vertel het vriend noch vijand,

houd het voor je, tenzij je daardoor schuldig wordt.

9Wie het van je hoort zal zich voor je hoeden,

en er komt een tijd dat hij je haat.

10Heb je iets gehoord, neem het mee in het graf,

wees niet bang, het breekt niet uit je los.

11Een dwaas krijgt weeën van een gerucht,

zoals een vrouw van een kind.

12Zo vast als een pijl in een dij zit,

zo vast zit een gerucht in een dwaas.

13Doe navraag bij je vriend,

hij heeft het misschien niet gedaan.

En heeft hij het wel gedaan,

zorg ervoor dat hij het niet opnieuw doet.

14Doe navraag bij je vriend,

hij heeft het misschien niet gezegd.

En heeft hij het wel gezegd,

zorg ervoor dat hij het niet opnieuw zegt.

15

19:15
Pred. 7:21
Doe navraag bij je vriend,

want er wordt vaak geroddeld,

geloof niet alles wat er wordt verteld.

16

19:16
Jak. 3:2
Je kunt ongewild een fout begaan,

wie heeft nog nooit gezondigd met zijn tong?

17

19:17
Lev. 19:17-18
Doe navraag bij je vriend voordat je dreigt,

houd je aan de wet van de Allerhoogste.

18

19:18
Ps. 111:10
Aanvaarding door de Heer begint met ontzag voor hem,

wijsheid die van de Heer komt brengt liefde voort.

19Kennis van zijn geboden voedt op tot het leven,

wie hem behaagt plukt de vruchten van de boom der onsterfelijkheid.

Ware en valse wijsheid

20Alle wijsheid is ontzag voor de Heer.

Ze sluit in dat je de wet in acht neemt

en kennis van zijn almacht hebt.

21Een slaaf die tegen zijn meester zegt:

‘Ik weiger te doen wat u verlangt,’

wekt de boosheid op van zijn broodheer,

ook al doet de slaaf het daarna toch.

22Ervaring in het kwaad is geen wijsheid,

de raad van goddelozen biedt geen inzicht.

23Er bestaat scherpzinnigheid die een gruwel is

en er zijn domme mensen met maar weinig inzicht.

24Beter iemand met weinig inzicht, maar met ontzag voor de Heer

dan iemand met veel inzicht die de wet overtreedt.

25Er is scherpzinnigheid die zo verfijnd is dat ze onrechtvaardig wordt,

er zijn mensen die een zaak zo weten te draaien

dat het recht aan hun kant staat;

maar er zijn ook wijzen die rechtvaardig oordelen.

26Er zijn slechte mensen die met gebogen hoofd in het zwart gehuld gaan,

maar innerlijk vol listen zijn.

27Zo iemand slaat de ogen neer en houdt zich doof,

maar als je niet oplet maakt hij misbruik van je.

28Als hij nú geen kwaad kan doen,

doet hij het zodra de gelegenheid zich voordoet.

29Je kent een mens aan zijn blik,

een verstandig mens herken je

aan de manier waarop hij je aankijkt.

30De kleding van een mens, zijn lach en zijn gang

laten zien wie hij is.