Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
16

Straf voor zondaars

161

16:1
Spr. 17:21
19:13
Verlang niet naar veel kinderen als ze niet deugdzaam zijn,

wees niet blij met goddeloze zonen.

2Wanneer je veel kinderen krijgt, verheug je dan niet over hen

als ze geen ontzag voor de Heer hebben.

3

16:3
Wijsh. 4:1
Vertrouw er niet op dat ze blijven leven,

verlaat je niet op hun grote aantal,

want je zult voortijdig rouwen,

je zult hen plotseling zien sterven.

Beter één kind dat de wil van God doet dan duizend andere,

beter dat je kinderloos sterft dan dat je goddeloze kinderen hebt.

4

16:4
Gen. 18:16-33
Wijsh. 3:19
Door één verstandig mens blijft een stad bewoond,

maar een volk van wettelozen wordt vernietigd.

5Dergelijke dingen heb ik vaak gezien,

over nog ergere heb ik gehoord.

6

16:6
Num. 11:1
16:1-35
Onder de zondaars werd het vuur ontstoken,

onder het ongehoorzame volk ontbrandde de toorn.

7

16:7
Gen. 6:4-7
Hij vergaf de giganten uit de voortijd niet,

die zich, machtig als ze waren, van hem hadden afgewend.

8

16:8
Gen. 19:1-29
Het volk waarbij Lot als vreemdeling woonde spaarde hij niet,

hij gruwde van hen om hun hoogmoed.

9Hij had geen medelijden met het volk dat ten onder zou gaan,

met hen die om hun zonden werden uitgeroeid.

Dit alles deed hij met de halsstarrige volken,

en zelfs zijn getrouwen konden hem niet vermurwen.

10

16:10
Ex. 12:37
Num. 11:21
14:22-23
26:65
Sir. 46:8
Zo deed hij ook met zeshonderdduizend man voetvolk,

die, halsstarrig als ze waren, samenschoolden.

Hij geselde hen, maar had ook erbarmen,

hij sloeg hen, maar genas hen ook,

zo heeft de Heer hen door tucht en barmhartigheid behouden.

11

16:11
Ex. 34:6-7
Deut. 4:24,31
Sir. 5:6
Ook al zou er maar één hardnekkig zijn,

het zou een wonder zijn als hij ongestraft bleef.

Want de Heer is barmhartig, maar kent ook woede,

hij kan vergeven, maar stort ook zijn toorn uit.

12Zo groot als zijn barmhartigheid, zo groot is zijn bestraffing;

hij beoordeelt een mens naar zijn daden.

13De zondaar ontkomt niet met zijn buit,

het geduld van een vroom mens blijft niet onbeloond.

14De Heer geeft alle kans om goed te doen,

ieder mens wordt beloond naar zijn daden.

15De Heer heeft de farao halsstarrig gemaakt,

opdat deze hem niet zou erkennen,

maar de daden van de Heer in heel de wereld bekend zouden worden.

16Zijn barmhartigheid is voor heel de schepping zichtbaar,

zowel zijn licht als de duisternis heeft hij de mens gegeven.

17

16:17
Ps. 94:7
139:7-12
Jer. 23:24
Amos 9:2-3
Zeg niet: ‘Ik blijf verborgen voor de Heer,

wie daarboven zou aan mij denken?

In de massa val ik toch niet op,

wie ben ik in die onmetelijke schepping?’

18Besef dat de hemelen, tot de hoogste hemel toe,

de diepte van de zee en de aarde zullen beven onder zijn blik,

heel de wereld, die geschapen is en door zijn wil bestaat.

19

16:19
Job 37:1-7
Ps. 18:8
Dan zullen ook de bergen en de fundamenten van de aarde

trillen en beven onder zijn blik.

20Maar wie doorgrondt dit alles,

wie kan de wegen van de Heer bevatten?

21Zoals een storm die geen mens kan zien,

zo zijn de meeste van zijn daden verborgen.

22Wie verkondigt zijn rechtvaardige daden, wie wacht erop?

De afspraak met het dodenrijk is ver weg,

pas aan het einde wordt alles getoetst.

23Zo denkt een mens zonder verstand,

zo onverstandig denkt een dwaas die dwaalt.

De werken van de Heer

24

16:24
Spr. 1:23
Mijn kind, luister naar mij en verwerf kennis,

neem mijn woorden ter harte.

25Ik zal weloverwogen onderricht geven,

nauwgezet kennis overdragen.

26

16:26
Gen. 1:1
Sir. 42:21
De Heer heeft zijn werken in het begin geschapen,

en toen hij ze schiep, gaf hij ze ook hun plaats.

27Hij heeft hun taken voor altijd geordend

en hun werkgebied voor generaties vastgesteld.

Ze hebben geen honger en worden niet moe,

leggen hun taken nooit neer.

28Ze onderdrukken elkaar niet,

altijd blijven ze hun opdracht vervullen.

29Daarna keek de Heer naar de aarde,

hij vulde haar met goede gaven.

30

16:30
Gen. 1:24-25
Hij heeft haar met allerlei levende wezens bedekt,

en die keren alle naar haar terug.

17

171

17:1
Gen. 2:7
3:19
Pred. 3:20
12:7
De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen

en doet hem naar haar terugkeren.

2

17:2
Gen. 1:28
6:3
Wijsh. 9:2-3
Hij schonk de mensen een afgemeten aantal dagen,

maar ook macht over alles wat er op de aarde is.

3

17:3
Gen. 1:26-27
Hij heeft hen toegerust met zijn eigen kracht

en hen naar zijn eigen beeld gemaakt.

4

17:4
Gen. 9:2
Alles wat leeft heeft hij ontzag voor de mens gegeven,

opdat deze zou heersen over dieren en vogels.

5Hij kreeg van de Heer vijf zintuigen,

als zesde ontving hij van hem het verstand,

als zevende het woord, waarmee de daden van de Heer worden bekendgemaakt.

6Denkvermogen, een tong, ogen, oren en een hart

gaf hij hem om begrip te verwerven.

7

17:7
Gen. 2:17
Hij deelde hem rijkelijk kennis en inzicht toe

en toonde hem het goede en het kwade.

8

17:8
Wijsh. 13:1
Rom. 1:19-20
In zijn hart heeft hij ontzag voor hem gelegd,

opdat de mens zijn grote daden kon zien

en zich door de eeuwen heen op zijn wonderdaden kon beroemen,

9-10opdat hij zijn grote daden zou verkondigen

en zijn heilige naam zou prijzen.

11Hij schonk hun kennis en de wet die leven geeft,

opdat ze zouden beseffen dat zij, die leven, sterfelijk zijn.

12

17:12
Deut. 30:15-20
Hij heeft met hen een eeuwig verbond gesloten

en hun zijn voorschriften gegeven.

13

17:13
Ex. 34:10-11
Deut. 4:11-12
Zij zagen zijn grote macht

en hoorden zijn krachtige stem.

14Hij zei tegen hen: ‘Hoed je voor alle onrecht,’

en gaf hun regels voor de omgang met andere mensen.

15Hun daden zijn hem volledig bekend,

ze blijven niet voor zijn ogen verborgen.

16Ze zijn van kinds af aan gericht op het kwaad

en kunnen van hun hart van steen geen hart van vlees maken.

De Heer laat Israël niet in de steek

17

17:17
Deut. 7:6
1 Sam. 8:7
Toen de Heer de volken over de aarde verdeelde,

stelde hij over elk ervan een heerser aan,

maar Israël is het bezit van de Heer.

18Omdat het zijn eerstgeborene is,

voedt hij het op en onderricht hij het.

Hij laat zijn volk niet in de steek,

het licht van zijn liefde schenkt hij het.

19Al hun daden zijn voor hem zo zichtbaar als de zon,

zijn ogen zijn er altijd op gericht.

20Hun onrechtvaardigheid is voor hem niet verborgen,

al hun zonden zijn de Heer bekend.

21Maar de Heer, die goed is en zijn schepselen kent,

heeft hen niet verlaten en niet prijsgegeven; hij heeft hen gespaard.

22

17:22
Sir. 11:26-28
De barmhartigheid van een mens is voor hem als een zegelring,

de goedheid van een mens koestert hij als zijn oogappel –

hij vervult zijn zonen en dochters met berouw.

23

17:23
Rom. 2:6
Ten slotte zal hij komen en hun naar hun daden vergelden,

hun zonden laat hij neerkomen op hun eigen hoofd.

24Maar wie berouw heeft geeft hij een nieuwe kans,

wie de hoop verliest moedigt hij aan.

Zondig niet langer

25Wend je tot de Heer, zondig niet langer,

bid tot hem, geef hem zo weinig mogelijk aanstoot.

26

17:26
Ps. 34:15
Keer terug tot de Allerhoogste, keer je af van onrecht,

want hijzelf leidt je uit de duisternis naar het genezende licht.

Haat alles wat gruwelijk is ten diepste.

27

17:27
Ps. 6:6
115:17
Wie zal in het dodenrijk de Allerhoogste loven,

zoals de levenden, die voor hem een danklied zingen?

28Een dode vergaat, zijn dankzegging sterft,

wie leeft en gezond is prijst de Heer.

29

17:29
Ps. 103:17
111:4
Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer,

hoe genadig is hij voor wie zich tot hem keert.

30Want een mens is niet volmaakt,

een mensenkind is niet onsterfelijk.

31

17:31
Gen. 6:5
8:21
Job 15:14-16
Wat geeft meer licht dan de zon? Toch gaat ze onder.

Zo zijn vlees en bloed tot het kwaad geneigd.

32

17:32
Gen. 18:27
Sir. 10:9
De Heer overziet de machten van de hoge hemel,

maar alle mensen zijn stof en as.

18

De Heer en de mens

181Hij die tot in eeuwigheid leeft,

heeft al het bestaande geschapen.

2Alleen de Heer zal rechtvaardig blijken,

buiten hem is er geen ander.

3Hij regeert de wereld met uitgestrekte hand,

alles gehoorzaamt aan zijn wil.

Want door zijn macht is hij koning van alle dingen,

hij scheidt het heilige van het profane.

4Hij heeft niemand in staat gesteld zijn daden voluit te verkondigen,

wie kan zijn grote werken doorgronden?

5Wie meet de kracht van zijn majesteit

en wie verkondigt ál zijn barmhartigheid?

6

18:6
Sir. 42:21
Daar wordt niets van afgedaan en niets aan toegevoegd,

de wonderdaden van de Heer zijn niet te doorgronden.

7

18:7
Ps. 139:17-18
Wanneer een mens denkt ze te begrijpen, begint hij pas,

en wanneer hij ophoudt, is hij volkomen verbijsterd.

8

18:8
Ps. 8:5
Wat is de mens, waar dient hij toe?

Wat is er goed aan hem, wat slecht?

9

18:9
Ps. 90:10
Sir. 17:2
Als hij honderd jaar wordt leeft een mens lang,

maar het tijdstip van zijn sterven komt hij nooit te weten.

10Als een druppel uit de zee, als een korrel zand

is dat luttel aantal jaren op de eeuwigheid.

11

18:11
2 Petr. 3:9
Daarom heeft de Heer geduld met de mens

en overstelpt hij hem met zijn barmhartigheid.

12Hij keek naar hem, en zag dat zijn einde ellendig is,

daarom biedt hij rijkelijk verzoening.

13

18:13
Ps. 145:9
De barmhartigheid van een mens gaat uit naar zijn naaste,

maar de barmhartigheid van de Heer gaat uit naar alles wat leeft.

Hij wijst de mens terecht, onderricht en vormt hem,

hij voert hem terug zoals een herder zijn kudde.

14Hij ontfermt zich over wie zijn onderricht aanvaardt,

over wie zijn voorschriften zonder aarzelen opvolgt.

Geschenken

15Mijn kind, laat een gift niet gepaard gaan met een verwijt,

een geschenk niet met kwetsende woorden.

16Maakt de dauw geen einde aan de hitte?

Zo is wat je zegt meer waard dan een geschenk.

17Een vriendelijk woord is toch meer waard dan een mooi geschenk?

Maar bij een beminnelijk mens zijn beide waardevol.

18Een dwaas kwetst op botte wijze,

een geschenk dat met tegenzin wordt gegeven, wekt verdriet.

Voorzorg en behoedzaamheid

19Laat je onderrichten voordat je spreekt.

Denk niet pas aan je gezondheid als je ziek bent.

20Onderzoek jezelf voordat je wordt geoordeeld,

dan word je vergeven wanneer je wordt getoetst.

21Buig niet pas als je ziek bent,

kom al tot inkeer op het moment dat je zondigt.

22

18:22-23
Pred. 5:1-6
18:22
Deut. 23:22-24
Aarzel niet een gelofte op tijd in te lossen,

wacht niet tot je sterft om dat te doen.

23

18:23
Spr. 20:25
Denk na vóór je een gelofte doet,

stel de Heer niet op de proef.

24Denk aan zijn toorn aan het einde van je leven

en aan zijn straf als hij zich van je afwendt.

25Denk in tijden van overvloed aan tijden van schaarste,

in tijden van rijkdom aan armoede en gebrek.

26Tussen de ochtend en de avond kan er veel veranderen,

voor de Heer is alles snel voorbij.

27Een wijs mens is in alles behoedzaam,

in zondige tijden hoedt hij zich voor overtredingen.

28Ieder verstandig mens erkent de wijsheid

en hij prijst wie haar gevonden heeft.

29Wie wijze woorden begrijpt geeft zelf blijk van wijsheid

en hij laat het treffende spreuken regenen.

Het is beter op de ene Heer te vertrouwen

dan met een dood hart een dode aan te hangen.

Zelfbeheersing

Hier volgen uitspraken over zelfbeheersing.

30Loop niet achter je begeerten aan,

houd je lusten in toom.

31Wie zich overgeeft aan zijn begeerten

wordt door zijn vijanden bespot.

32Verlustig je niet in grote weelde,

zorg dat je er buiten kunt.

33

18:33
Spr. 23:20-21
Maak jezelf niet arm door met geleend geld te brassen

terwijl je zelf niets in je beurs hebt,

want je verraadt je eigen leven.