Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
15

151Zo handelt wie ontzag heeft voor de Heer,

wie in de wet is onderlegd zal wijsheid verwerven.

2

15:2
Wijsh. 8:2
Ze komt hem tegemoet als een moeder,

als een ongerepte vrouw wacht zij hem op.

3

15:3-6
Wijsh. 8:10-15
15:3
Spr. 9:5
Sir. 24:19-22
Ze geeft hem het brood van inzicht te eten,

het water van wijsheid laat zij hem drinken.

4Hij steunt op haar en wankelt niet,

hij verlaat zich op haar en wordt niet teleurgesteld.

5Ze verheft hem boven zijn naaste,

te midden van het verzamelde volk laat zij hem spreken.

6Blijdschap en een vreugdekrans worden zijn deel,

hij krijgt een onvergankelijke naam.

7Onverstandige mensen verwerven geen wijsheid,

zondaars leren haar niet kennen.

8

15:8
Spr. 8:13
Wijsheid staat ver af van hoogmoed,

bedriegers denken niet aan haar.

9Een lofprijzing uit de mond van een zondaar is misplaatst,

ze is niet ingegeven door de Heer.

10Een lofprijzing moet met wijsheid worden uitgesproken,

dan geeft de Heer er zijn zegen aan.

Vrijheid om te kiezen

11

15:11
Gen. 3:12-13
Jak. 1:13-14
Zeg niet: ‘Het is door de Heer zelf

dat ik mij van hem heb afgewend,’

want wat hij haat veroorzaakt hij niet.

12Zeg niet: ‘Hijzelf heeft mij doen dwalen,’

want aan zondaars heeft hij geen behoefte.

13De Heer haat alles wat gruwelijk is,

wie ontzag voor hem heeft, heeft dat alles niet lief.

14

15:14
Gen. 2:7,16-17
Hijzelf heeft de mens in het begin gemaakt

en hem de vrijheid gegeven zelf te beslissen.

15Als je het wilt kun je de geboden naleven,

hem trouw zijn omdat je daarvoor kiest.

16Hij heeft je vuur en water voorgezet:

strek je hand uit naar wat je verkiest.

17

15:17
Deut. 11:26-28
30:15-20
Jer. 21:8
Vóór de mens liggen het leven en de dood,

hij krijgt waar hij voor kiest.

18

15:18
Ps. 33:13-18
Groot is de wijsheid van de Heer,

zijn macht is overweldigend, alles ziet hij.

19

15:19
Ps. 34:16
Sir. 17:15,20
39:19
42:18-20
Zijn ogen zijn gericht op wie ontzag voor hem heeft,

elke daad van de mens is hem bekend.

20Hij heeft niemand opgedragen goddeloos te zijn,

niemand toestemming gegeven te zondigen.

16

Straf voor zondaars

161

16:1
Spr. 17:21
19:13
Verlang niet naar veel kinderen als ze niet deugdzaam zijn,

wees niet blij met goddeloze zonen.

2Wanneer je veel kinderen krijgt, verheug je dan niet over hen

als ze geen ontzag voor de Heer hebben.

3

16:3
Wijsh. 4:1
Vertrouw er niet op dat ze blijven leven,

verlaat je niet op hun grote aantal,

want je zult voortijdig rouwen,

je zult hen plotseling zien sterven.

Beter één kind dat de wil van God doet dan duizend andere,

beter dat je kinderloos sterft dan dat je goddeloze kinderen hebt.

4

16:4
Gen. 18:16-33
Wijsh. 3:19
Door één verstandig mens blijft een stad bewoond,

maar een volk van wettelozen wordt vernietigd.

5Dergelijke dingen heb ik vaak gezien,

over nog ergere heb ik gehoord.

6

16:6
Num. 11:1
16:1-35
Onder de zondaars werd het vuur ontstoken,

onder het ongehoorzame volk ontbrandde de toorn.

7

16:7
Gen. 6:4-7
Hij vergaf de giganten uit de voortijd niet,

die zich, machtig als ze waren, van hem hadden afgewend.

8

16:8
Gen. 19:1-29
Het volk waarbij Lot als vreemdeling woonde spaarde hij niet,

hij gruwde van hen om hun hoogmoed.

9Hij had geen medelijden met het volk dat ten onder zou gaan,

met hen die om hun zonden werden uitgeroeid.

Dit alles deed hij met de halsstarrige volken,

en zelfs zijn getrouwen konden hem niet vermurwen.

10

16:10
Ex. 12:37
Num. 11:21
14:22-23
26:65
Sir. 46:8
Zo deed hij ook met zeshonderdduizend man voetvolk,

die, halsstarrig als ze waren, samenschoolden.

Hij geselde hen, maar had ook erbarmen,

hij sloeg hen, maar genas hen ook,

zo heeft de Heer hen door tucht en barmhartigheid behouden.

11

16:11
Ex. 34:6-7
Deut. 4:24,31
Sir. 5:6
Ook al zou er maar één hardnekkig zijn,

het zou een wonder zijn als hij ongestraft bleef.

Want de Heer is barmhartig, maar kent ook woede,

hij kan vergeven, maar stort ook zijn toorn uit.

12Zo groot als zijn barmhartigheid, zo groot is zijn bestraffing;

hij beoordeelt een mens naar zijn daden.

13De zondaar ontkomt niet met zijn buit,

het geduld van een vroom mens blijft niet onbeloond.

14De Heer geeft alle kans om goed te doen,

ieder mens wordt beloond naar zijn daden.

15De Heer heeft de farao halsstarrig gemaakt,

opdat deze hem niet zou erkennen,

maar de daden van de Heer in heel de wereld bekend zouden worden.

16Zijn barmhartigheid is voor heel de schepping zichtbaar,

zowel zijn licht als de duisternis heeft hij de mens gegeven.

17

16:17
Ps. 94:7
139:7-12
Jer. 23:24
Amos 9:2-3
Zeg niet: ‘Ik blijf verborgen voor de Heer,

wie daarboven zou aan mij denken?

In de massa val ik toch niet op,

wie ben ik in die onmetelijke schepping?’

18Besef dat de hemelen, tot de hoogste hemel toe,

de diepte van de zee en de aarde zullen beven onder zijn blik,

heel de wereld, die geschapen is en door zijn wil bestaat.

19

16:19
Job 37:1-7
Ps. 18:8
Dan zullen ook de bergen en de fundamenten van de aarde

trillen en beven onder zijn blik.

20Maar wie doorgrondt dit alles,

wie kan de wegen van de Heer bevatten?

21Zoals een storm die geen mens kan zien,

zo zijn de meeste van zijn daden verborgen.

22Wie verkondigt zijn rechtvaardige daden, wie wacht erop?

De afspraak met het dodenrijk is ver weg,

pas aan het einde wordt alles getoetst.

23Zo denkt een mens zonder verstand,

zo onverstandig denkt een dwaas die dwaalt.

De werken van de Heer

24

16:24
Spr. 1:23
Mijn kind, luister naar mij en verwerf kennis,

neem mijn woorden ter harte.

25Ik zal weloverwogen onderricht geven,

nauwgezet kennis overdragen.

26

16:26
Gen. 1:1
Sir. 42:21
De Heer heeft zijn werken in het begin geschapen,

en toen hij ze schiep, gaf hij ze ook hun plaats.

27Hij heeft hun taken voor altijd geordend

en hun werkgebied voor generaties vastgesteld.

Ze hebben geen honger en worden niet moe,

leggen hun taken nooit neer.

28Ze onderdrukken elkaar niet,

altijd blijven ze hun opdracht vervullen.

29Daarna keek de Heer naar de aarde,

hij vulde haar met goede gaven.

30

16:30
Gen. 1:24-25
Hij heeft haar met allerlei levende wezens bedekt,

en die keren alle naar haar terug.

17

171

17:1
Gen. 2:7
3:19
Pred. 3:20
12:7
De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen

en doet hem naar haar terugkeren.

2

17:2
Gen. 1:28
6:3
Wijsh. 9:2-3
Hij schonk de mensen een afgemeten aantal dagen,

maar ook macht over alles wat er op de aarde is.

3

17:3
Gen. 1:26-27
Hij heeft hen toegerust met zijn eigen kracht

en hen naar zijn eigen beeld gemaakt.

4

17:4
Gen. 9:2
Alles wat leeft heeft hij ontzag voor de mens gegeven,

opdat deze zou heersen over dieren en vogels.

5Hij kreeg van de Heer vijf zintuigen,

als zesde ontving hij van hem het verstand,

als zevende het woord, waarmee de daden van de Heer worden bekendgemaakt.

6Denkvermogen, een tong, ogen, oren en een hart

gaf hij hem om begrip te verwerven.

7

17:7
Gen. 2:17
Hij deelde hem rijkelijk kennis en inzicht toe

en toonde hem het goede en het kwade.

8

17:8
Wijsh. 13:1
Rom. 1:19-20
In zijn hart heeft hij ontzag voor hem gelegd,

opdat de mens zijn grote daden kon zien

en zich door de eeuwen heen op zijn wonderdaden kon beroemen,

9-10opdat hij zijn grote daden zou verkondigen

en zijn heilige naam zou prijzen.

11Hij schonk hun kennis en de wet die leven geeft,

opdat ze zouden beseffen dat zij, die leven, sterfelijk zijn.

12

17:12
Deut. 30:15-20
Hij heeft met hen een eeuwig verbond gesloten

en hun zijn voorschriften gegeven.

13

17:13
Ex. 34:10-11
Deut. 4:11-12
Zij zagen zijn grote macht

en hoorden zijn krachtige stem.

14Hij zei tegen hen: ‘Hoed je voor alle onrecht,’

en gaf hun regels voor de omgang met andere mensen.

15Hun daden zijn hem volledig bekend,

ze blijven niet voor zijn ogen verborgen.

16Ze zijn van kinds af aan gericht op het kwaad

en kunnen van hun hart van steen geen hart van vlees maken.

De Heer laat Israël niet in de steek

17

17:17
Deut. 7:6
1 Sam. 8:7
Toen de Heer de volken over de aarde verdeelde,

stelde hij over elk ervan een heerser aan,

maar Israël is het bezit van de Heer.

18Omdat het zijn eerstgeborene is,

voedt hij het op en onderricht hij het.

Hij laat zijn volk niet in de steek,

het licht van zijn liefde schenkt hij het.

19Al hun daden zijn voor hem zo zichtbaar als de zon,

zijn ogen zijn er altijd op gericht.

20Hun onrechtvaardigheid is voor hem niet verborgen,

al hun zonden zijn de Heer bekend.

21Maar de Heer, die goed is en zijn schepselen kent,

heeft hen niet verlaten en niet prijsgegeven; hij heeft hen gespaard.

22

17:22
Sir. 11:26-28
De barmhartigheid van een mens is voor hem als een zegelring,

de goedheid van een mens koestert hij als zijn oogappel –

hij vervult zijn zonen en dochters met berouw.

23

17:23
Rom. 2:6
Ten slotte zal hij komen en hun naar hun daden vergelden,

hun zonden laat hij neerkomen op hun eigen hoofd.

24Maar wie berouw heeft geeft hij een nieuwe kans,

wie de hoop verliest moedigt hij aan.

Zondig niet langer

25Wend je tot de Heer, zondig niet langer,

bid tot hem, geef hem zo weinig mogelijk aanstoot.

26

17:26
Ps. 34:15
Keer terug tot de Allerhoogste, keer je af van onrecht,

want hijzelf leidt je uit de duisternis naar het genezende licht.

Haat alles wat gruwelijk is ten diepste.

27

17:27
Ps. 6:6
115:17
Wie zal in het dodenrijk de Allerhoogste loven,

zoals de levenden, die voor hem een danklied zingen?

28Een dode vergaat, zijn dankzegging sterft,

wie leeft en gezond is prijst de Heer.

29

17:29
Ps. 103:17
111:4
Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer,

hoe genadig is hij voor wie zich tot hem keert.

30Want een mens is niet volmaakt,

een mensenkind is niet onsterfelijk.

31

17:31
Gen. 6:5
8:21
Job 15:14-16
Wat geeft meer licht dan de zon? Toch gaat ze onder.

Zo zijn vlees en bloed tot het kwaad geneigd.

32

17:32
Gen. 18:27
Sir. 10:9
De Heer overziet de machten van de hoge hemel,

maar alle mensen zijn stof en as.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]