Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)

Goeddoen

121

12:1-7
Mat. 5:43-48
Luc. 14:12-14
Als je goeddoet, weet dan aan wie,

dan krijg je dank voor je goede daden.

2

12:2
Deut. 14:29
Doe je goed aan een vroom mens, dan word je beloond,

zo niet door hem, dan toch door de Allerhoogste.

3Wie volhardt in het kwaad zal het niet goed gaan,

wie geen aalmoezen geeft evenmin.

4Geef aan vrome mensen, help geen zondaars.

5Doe goed aan wie bescheiden is, geef niet aan een goddeloze,

voed hem niet, anders krijgt hij macht over je.

Al het goede dat je voor hem doet, krijg je als kwaad dubbel terug.

6Want ook de Allerhoogste haat zondaars,

de goddelozen straft hij,

hij houdt hen in het oog tot de dag dat hij hen straft.

7Geef aan een goed mens, help een zondaar niet.

Vertrouw je vijand niet

8

12:8-12
Spr. 17:17
19:4
Sir. 6:5-17
Als het je goed gaat weet je niet wie je vriend is,

als het je slecht gaat merk je wie je vijand is.

9Als het je goed gaat ergert je vijand zich,

als het je slecht gaat houdt ook je vriend zich afzijdig.

10

12:10
Spr. 26:24-26
Vertrouw je vijand niet, nooit van je leven,

zoals koper groen uitslaat, zo komt zijn kwaadaardigheid tevoorschijn.

11Zelfs als hij nederig doet en voor je buigt,

moet je op je hoede zijn en voor hem oppassen.

Dan ben je voor hem als iemand die een spiegel polijst

en weet dat hij weer dof wordt.12:11 en weet dat hij weer dof wordt – Volgens sommige handschriften. Brontekst: ‘en weet dat hij niet tot het einde dof wordt’.

12Duld hem niet naast je,

anders verdringt hij je van je plaats.

Laat hem niet zitten aan je rechterhand,

anders neemt hij je plaats in.

Als je mijn waarschuwing te laat begrijpt,

zal dat je uiteindelijk berouwen.

13Wie heeft medelijden met een slangenbezweerder die gebeten wordt,

of met wie zich te dicht bij wilde dieren waagt,

14of met iemand die met een zondaar omgaat

en in diens zonden verstrikt raakt?

15Hij blijft korte tijd bij je,

maar als het je slecht gaat laat hij je in de steek.

16

12:16
Spr. 26:24-26
Jer. 9:7
Een vijand smeert je honing om de mond,

maar in zijn hart graaft hij een valkuil voor je.

Een vijand huilt tranen met tuiten,

maar als hij de kans krijgt drinkt hij je bloed.

17Als onheil op je weg komt, staat hij naast je

en doet of hij je helpt, maar hij laat je struikelen.

18Dan schudt hij meewarig zijn hoofd en wrijft zich in de handen,

roddelt over je en toont zijn ware gezicht.