Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

111

11:1
Gen. 41:40
Wijsheid verheft de nederigen

en laat hen zitten in de kring van hooggeplaatsten.

2

11:2
1 Sam. 16:7
2 Kor. 10:10
Prijs een mens niet om zijn schoonheid,

verafschuw niemand om zijn uiterlijk.

3

11:3
Mat. 13:31-32
Klein is de bij onder de gevleugelde dieren,

maar wat ze voortbrengt is het zoetste dat er is.

4Ga niet prat op de kleren die je draagt,

word niet verwaand als men je eer bewijst,

want de daden van de Heer zijn wonderbaarlijk,

ze zijn voor de mensen verborgen.

5

11:5
Pred. 4:14
10:6-7
Sir. 10:14
Vele heersers vielen van hun troon,

wie onbeduidend was kreeg de kroon te dragen.

6Vele machthebbers werden ten diepste veracht,

velen die werden vereerd, werden aan vreemden uitgeleverd.

7Veroordeel niemand voordat je onderzoek hebt gedaan,

denk eerst na, wijs pas dan terecht.

8

11:8
Spr. 18:13
Antwoord niet voordat je hebt geluisterd,

val een ander niet in de rede.

9Meng je niet in een geschil waarmee je niets te maken hebt,

ga niet met zondaars op de rechterstoel zitten.

Rijkdom en armoede

10

11:10
Sir. 38:24
Mijn kind, bemoei je niet met van alles tegelijk,

als je overdrijft word je gestraft.

Wat je najaagt krijg je toch niet in handen,

en als je het op moet geven laat het je nog niet los.

11

11:11
Ps. 127:1-2
Spr. 11:24
21:5
Er zijn er die werken, zwoegen, rennen,

maar des te meer schieten ze tekort.

12Anderen zijn traag en hebben hulp nodig,

ze hebben een gebrek aan kracht en een overvloed aan armoede.

Maar de Heer beziet hen welwillend,

hij verheft hen uit hun nederig bestaan

13en richt hun hoofd weer op,

tot verbazing van velen.

14

11:14
Job 1:21
2:10
Jes. 45:7
Het goede en het kwade, leven en dood,

armoede en rijkdom komen van de Heer.

15Wijsheid, inzicht en kennis van de wet komen van de Heer,

van hem komen liefde en goede daden.

16Misleiding en duisternis werden in zondaars meegeschapen,

wie graag kwaadaardig is blijft het zijn leven lang.

17De gaven van de Heer zijn het blijvend bezit van vrome mensen,

zijn gunst brengt hun altijd veel goeds.

18

11:18-19
Job 27:16-23
Ps. 49:17-18
Pred. 2:21-23
Luc. 12:16-21
Een mens wordt rijk door angstvallig te sparen,

maar kijk eens wat zijn loon is. Hij zegt:

19‘Nu kan ik een rustig leven leiden en van mijn bezit genieten,’

maar hij weet niet voor hoe lang.

Wanneer hij sterft moet hij alles nalaten aan anderen.

20Houd je aan je verplichtingen, wees daarin bestendig,

en blijf werken tot je oud bent.

21

11:21
Spr. 3:31
23:17
Sir. 9:11
Bewonder de daden van een zondaar niet,

geloof in de Heer en volhard in je werk.

Het kost de Heer geen enkele moeite

om plotseling, in korte tijd, een arme rijk te maken.

22De zegen van de Heer is het loon van een vroom mens,

na korte tijd heeft hij al veel succes.

23Zeg niet: ‘Heb ik aan iets gebrek,

kan het mij nog voorspoediger gaan?’

24

11:24
Sir. 5:1
Zeg niet: ‘Ik ben van niemand afhankelijk,

hoe zou mij nu tegenspoed kunnen treffen?’

25

11:25
Sir. 18:25
Joh. 16:21
In goede tijden weet men niets meer van de slechte,

in de slechte niets meer van de goede.

26Het kost de Heer geen enkele moeite

om een mens wanneer hij sterft naar zijn daden te vergelden.

27

11:27
Sir. 1:13
Eén uur lijden doet alle genoegens vergeten,

aan het einde van het leven worden de daden van een mens onthuld.

28Prijs niemand gelukkig voor zijn dood,

een mens wordt pas aan zijn einde gekend.11:28 een mens wordt pas aan zijn einde gekend – Volgens sommige Griekse handschriften en één Hebreeuws handschrift. Brontekst: ‘een mens wordt aan zijn kinderen gekend’.

Voorzichtig met gastvrijheid

29Haal niet iedereen in huis,

een bedrieger legt talloze hinderlagen.

30Het hart van een hoogmoedig mens is als een lokvogel in een kooi,

als een belager loert hij op je ondergang.

31Hij wacht op de kans om goed in kwaad te veranderen,

zelfs op onberispelijke mensen werpt hij een smet.

32

11:32
Spr. 1:11
Een vonk doet een houtskoolvuur oplaaien,

een zondaar loert op bloed.

33Houd een boosdoener in de gaten, hij smeedt kwade plannen,

laat hem niet voor altijd een smet op je werpen.

34Als je een onbekende in huis haalt,

brengt hij je in de problemen.

Hij brengt je in verwarring

en vervreemdt je van je eigen familie.

12

Goeddoen

121

12:1-7
Mat. 5:43-48
Luc. 14:12-14
Als je goeddoet, weet dan aan wie,

dan krijg je dank voor je goede daden.

2

12:2
Deut. 14:29
Doe je goed aan een vroom mens, dan word je beloond,

zo niet door hem, dan toch door de Allerhoogste.

3Wie volhardt in het kwaad zal het niet goed gaan,

wie geen aalmoezen geeft evenmin.

4Geef aan vrome mensen, help geen zondaars.

5Doe goed aan wie bescheiden is, geef niet aan een goddeloze,

voed hem niet, anders krijgt hij macht over je.

Al het goede dat je voor hem doet, krijg je als kwaad dubbel terug.

6Want ook de Allerhoogste haat zondaars,

de goddelozen straft hij,

hij houdt hen in het oog tot de dag dat hij hen straft.

7Geef aan een goed mens, help een zondaar niet.

Vertrouw je vijand niet

8

12:8-12
Spr. 17:17
19:4
Sir. 6:5-17
Als het je goed gaat weet je niet wie je vriend is,

als het je slecht gaat merk je wie je vijand is.

9Als het je goed gaat ergert je vijand zich,

als het je slecht gaat houdt ook je vriend zich afzijdig.

10

12:10
Spr. 26:24-26
Vertrouw je vijand niet, nooit van je leven,

zoals koper groen uitslaat, zo komt zijn kwaadaardigheid tevoorschijn.

11Zelfs als hij nederig doet en voor je buigt,

moet je op je hoede zijn en voor hem oppassen.

Dan ben je voor hem als iemand die een spiegel polijst

en weet dat hij weer dof wordt.12:11 en weet dat hij weer dof wordt – Volgens sommige handschriften. Brontekst: ‘en weet dat hij niet tot het einde dof wordt’.

12Duld hem niet naast je,

anders verdringt hij je van je plaats.

Laat hem niet zitten aan je rechterhand,

anders neemt hij je plaats in.

Als je mijn waarschuwing te laat begrijpt,

zal dat je uiteindelijk berouwen.

13Wie heeft medelijden met een slangenbezweerder die gebeten wordt,

of met wie zich te dicht bij wilde dieren waagt,

14of met iemand die met een zondaar omgaat

en in diens zonden verstrikt raakt?

15Hij blijft korte tijd bij je,

maar als het je slecht gaat laat hij je in de steek.

16

12:16
Spr. 26:24-26
Jer. 9:7
Een vijand smeert je honing om de mond,

maar in zijn hart graaft hij een valkuil voor je.

Een vijand huilt tranen met tuiten,

maar als hij de kans krijgt drinkt hij je bloed.

17Als onheil op je weg komt, staat hij naast je

en doet of hij je helpt, maar hij laat je struikelen.

18Dan schudt hij meewarig zijn hoofd en wrijft zich in de handen,

roddelt over je en toont zijn ware gezicht.

13

Omgang met rijken

131Wie met pek omgaat wordt ermee besmet,

wie met een hooghartig mens omgaat wordt aan hem gelijk.

2Til geen gewicht dat te zwaar voor je is,

ga niet om met iemand die sterker en rijker is dan jij.

Waarom zou een aarden pot met een ketel omgaan?

De pot krijgt een duw en breekt.

3Een rijke handelt onrechtvaardig, en maakt nog ophef ook,

een arme wordt onrecht gedaan, en hij moet zich ook nog verontschuldigen.

4Als je een rijke tot nut bent profiteert hij van je,

als je tekortschiet laat hij je links liggen.

5Als je iets bezit blijft hij bij je,

hij zuigt je uit, dat deert hem niet.

6Heeft hij je nodig, dan misleidt hij je:

met een glimlach geeft hij je hoop

en vriendelijk vraagt hij: ‘Wat kan ik voor je doen?’

7Hij overlaadt je met lekkernijen,

tot het moment komt dat hij je plundert,

tot twee, tot drie keer toe.

Ten slotte drijft hij de spot met je,

en komt hij je nog eens tegen,

dan laat hij je links liggen

en schudt meewarig zijn hoofd.

8Pas op dat je niet wordt misleid,

laat je niet door je blindheid vernederen.

9Als een machtig man je uitnodigt,

stel je dan terughoudend op,

des te sterker zal hij aandringen.

10Val niet bij hem binnen,

want hij zou je afwijzen.

Blijf ook niet op grote afstand,

want hij zou je vergeten.

11Probeer niet als gelijke met hem te praten,

vertrouw zijn vele woorden niet,

want met al zijn gepraat stelt hij je op de proef,

terwijl hij glimlacht probeert hij je uit.

12Wie jou met woorden overspoelt is onbarmhartig,

hij bespaart je evenmin ellende en gevangenschap.

13Pas op, wees spaarzaam met je woorden,

elk moment kun je ten onder gaan.

14Hoor je dit alles in je slaap, ontwaak dan,

bemin de Heer je leven lang,

roep hem aan, opdat je wordt gered.

15Elk levend wezen houdt van zijn gelijke,

ieder mens bemint zijn medemens.

16Alles wat leeft sluit zich bij zijn soortgenoten aan,

een mens hecht zich aan zijn gelijke.

17Waarom zou een wolf omgaan met een lam?

Een zondaar gaat niet om met een vroom mens.

18Hoe kan er vrede zijn tussen een hond en een hyena,

tussen een arme en een rijke?

19De wilde ezels in de steppe zijn de prooi van leeuwen,

de armen zijn de weidegronden van de rijken.

20Nederigheid is de hoogmoedige een gruwel,

de arme is een gruwel voor de rijke.

21

13:21
Spr. 19:4,7
Een rijke hoeft maar te wankelen,

en zijn vrienden ondersteunen hem.

Als een arme valt,

geven zijn vrienden hem nog een trap na.

22

13:22
Spr. 14:20
Als een rijke struikelt helpen velen hem,

zegt hij ongepaste dingen, dan praat men het goed.

Als een arme struikelt krijgt hij verwijten,

geeft hij blijk van inzicht, dan wordt er niet naar hem geluisterd.

23Als een rijke spreekt zwijgt iedereen,

en wat hij zegt wordt opgehemeld.

Als een arme spreekt zegt men: ‘Wie is dat?’

Als hij struikelt krijgt hij ook nog een duw.

Omgang met rijkdom

24Rijkdom waaraan geen zonde kleeft is goed,

goddelozen beweren dat armoede slecht is.

25Het gezicht van een mens weerspiegelt zijn hart,

in het goede en het kwade.

26Een gelukkig hart herken je aan een vrolijk gezicht,

het maken van spreuken is de vrucht van moeizaam gepeins.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]