Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

Omgang met vrouwen

91

9:1
Num. 5:14-15
Wees niet jaloers op de vrouw van je hart,

leer haar geen slechte dingen, want dat treft jezelf.

2

9:2
Recht. 16:4-21
1 Kon. 11:1-4
Spr. 31:3
Geef je hart niet zó aan een vrouw

dat zij de baas over je wordt.

3

9:3
Spr. 7:6-27
23:27
Houd je niet op met een lichtekooi,

anders raak je in haar netten verstrikt.

4Blijf niet te lang bij een zangeres,

anders bezwijk je voor haar verleidingen.

5

9:5
Job 31:1
Mat. 5:28
Laat je oog niet op een meisje vallen,

anders moet je daar duur voor betalen.

6

9:6
Spr. 29:3
Lever jezelf niet uit aan een hoer,

anders kost het je je erfenis.

7Kijk niet rond in de straten van de stad,

dwaal niet door stille buurten.

8

9:8
2 Sam. 11:2
Spr. 2:16
Judit 12:16
Wend je blik af van een mooie vrouw,

kijk niet naar schoonheid die een ander toebehoort.

De schoonheid van een vrouw doet velen dwalen

en ontvlamt het vuur van de liefde.

9Ga nooit naast een getrouwde vrouw zitten,

feest en drink niet samen met haar.

Dan voel je je niet tot haar aangetrokken

en ga je niet door hartstocht ten onder.

Andere omgangsregels

10Laat een oude vriend niet in de steek,

want een nieuwe evenaart hem niet.

Een nieuwe vriend is als jonge wijn,

pas wanneer hij rijp is smaakt hij goed.

11

9:11
Ps. 37:1
73:12-19
Benijd het aanzien van een zondaar niet,

want je weet niet hoe het met hem afloopt.

12Verheug je niet in de voorspoed van goddelozen,

bedenk: tot in het dodenrijk toe worden ze niet vrijgesproken.

13Ga een moorddadig man uit de weg,

dan heb je zelfs geen weet van angst voor de dood.

Als je in zijn nabijheid bent, pas dan op je tellen,

anders berooft hij je van het leven.

Besef dat je te midden van valstrikken loopt,

dat je je op vestingmuren van een stad beweegt.

14

9:14
Sir. 37:7-15
Kijk goed uit met wie je omgaat,

overleg alleen met wijzen.

15Spreek met verstandige mensen,

houd je bij elk gesprek aan de wet van de Allerhoogste.

16

9:16
Sir. 1:11
10:22
Maak rechtvaardigen tot je tafelgenoot,

zoek je roem in ontzag voor de Heer.

17Men prijst een werkstuk om de hand van de maker,

de leider van een volk geldt om zijn woorden als wijs.

18Een veelprater is de schrik van de stad,

een zwetser wordt verafschuwd.

10

Gezagsdragers

101Een wijze leider voedt zijn volk op,

een verstandig man voert een doordacht beleid.

2Zoals de leider van een volk is, zo zijn ook zijn raadsheren,

zoals de bestuurder van een stad is, zo zijn ook haar inwoners.

3Een slecht opgeleide koning richt zijn volk te gronde,

verstandige bestuurders maken een stad leefbaar.

4

10:4
Spr. 8:15-16
Jes. 11:2-5
Jer. 27:5
De macht over de aarde is in de hand van de Heer,

wie geschikt is stelt hij op het juiste moment over haar aan.

5

10:5
Rom. 13:1
De voorspoed van een mens is in de hand van de Heer,

hij verleent de wetgevers gezag.

Hoogmoed

6

10:6
Lev. 19:17-18
Mat. 5:21-24
18:21-22
Hoe groot ook het onrecht dat je is gedaan,

koester geen wrok tegen de ander,

neem niet het recht in eigen hand.

7Hoogmoed is bij de Heer en de mensen gehaat,

voor beiden is onrecht een wanklank.

8Door onrecht, gewelddadigheid en hebzucht

veroveren de volken elkaars heerschappij.

Niemand is wettelozer dan een geldwolf,

die biedt zelfs zijn eigen geest te koop aan.

9

10:9
Gen. 2:7
18:27
Sir. 17:32
Stof en as is de mens. Waarom is hij hoogmoedig?

Al bij zijn leven wordt zijn lichaam aangetast.10:9 wordt zijn lichaam aangetast – Volgens het Hebreeuws. Brontekst: ‘heb ik hem aangetast’.

10Een slepende ziekte spot met de arts;

heden koning, morgen dood.

11

10:11
Job 17:14
Jes. 14:11
Wanneer de mens sterft

worden maden, ongedierte en wormen zijn deel.

12

10:12
Deut. 8:14
Hoogmoed begint wanneer de mens de Heer verlaat,

zijn hart zich verwijdert van hem door wie hij gemaakt is.

13Hoogmoed begint met zonde,

wie zich daarin verliest loopt over van gruwelijkheden.

Dan maakt de Heer zijn ellende buitensporig groot,

richt hij hem geheel en al te gronde.

14

10:14
1 Sam. 2:4-8
Luc. 1:52
Tronen van heersers heeft de Heer omvergeworpen,

zachtmoedigen heeft hij aangesteld in hun plaats.

15

10:15
Ps. 80:9-10
Dan. 2:35
Sir. 33:12
Volken heeft de Heer ontworteld,

nederigen heeft hij in hun land geplant.

16De woonplaatsen van volken heeft de Heer verwoest,

hij heeft ze met de grond gelijkgemaakt.

17Hij heeft ze van de mensheid weggerukt en ze verwoest,

de herinnering eraan van de aardbodem weggevaagd.

18De mens is niet geschapen om hoogmoedig te zijn,

wie uit een vrouw geboren is past geen hevige woede.

Eer

19

10:19
1 Kor. 1:26-31
2 Kor. 10:17
Jak. 1:9-10
Welke schepselen worden geëerd?

De mensenkinderen.

Welke mensen worden geëerd?

Mensen die ontzag hebben voor de Heer.

Welke schepselen worden niet geëerd?

De mensenkinderen.

Welke mensen worden niet geëerd?

Mensen die de geboden niet in acht nemen.

20Mensen eren hun leiders,

maar de Heer eert wie ontzag voor hem heeft.

21Aanvaarding door de Heer begint met ontzag voor de Heer,

halsstarrigheid en hoogmoed zijn het begin van verwerping.

22

10:22
Jer. 9:22-23
Sir. 9:16
De vreemdeling, de buitenlander en de arme,

zij zoeken hun roem in ontzag voor de Heer.

23Het is niet rechtvaardig een arm maar wijs mens te verachten,

het past niet een zondig mens te eren.

24Een hooggeplaatste, een rechter en een machthebber worden geëerd,

maar geen van hen is groter dan wie ontzag heeft voor de Heer.

25Een vrij mens moet een wijze slaaf dienen,

een verstandig mens mag daarover niet klagen.

26

10:26
Luc. 17:10
Jak. 2:5-6
Voel jezelf niet te wijs om te werken,

pronk niet met jezelf wanneer het je slecht gaat.

27

10:27
Spr. 12:9
Beter dat je werkt en van alles voorzien bent

dan dat je pronkt met jezelf en niets te eten hebt.

28Mijn kind, heb respect voor jezelf, maar met mate,

geef jezelf alleen de eer die je verdient.

29Als iemand zondigt tegen zichzelf,

wie zal hem dan recht verschaffen?

Als iemand zijn eigen leven veracht,

wie zal hem dan eren?

30

10:30
Sir. 11:1
Een arme wordt geëerd om zijn bekwaamheid,

een rijke om zijn rijkdom.

31Wie als arme wordt geëerd,

wordt het als rijke nog meer.

Wie als rijke wordt geminacht,

wordt het als arme nog meer.

11

111

11:1
Gen. 41:40
Wijsheid verheft de nederigen

en laat hen zitten in de kring van hooggeplaatsten.

2

11:2
1 Sam. 16:7
2 Kor. 10:10
Prijs een mens niet om zijn schoonheid,

verafschuw niemand om zijn uiterlijk.

3

11:3
Mat. 13:31-32
Klein is de bij onder de gevleugelde dieren,

maar wat ze voortbrengt is het zoetste dat er is.

4Ga niet prat op de kleren die je draagt,

word niet verwaand als men je eer bewijst,

want de daden van de Heer zijn wonderbaarlijk,

ze zijn voor de mensen verborgen.

5

11:5
Pred. 4:14
10:6-7
Sir. 10:14
Vele heersers vielen van hun troon,

wie onbeduidend was kreeg de kroon te dragen.

6Vele machthebbers werden ten diepste veracht,

velen die werden vereerd, werden aan vreemden uitgeleverd.

7Veroordeel niemand voordat je onderzoek hebt gedaan,

denk eerst na, wijs pas dan terecht.

8

11:8
Spr. 18:13
Antwoord niet voordat je hebt geluisterd,

val een ander niet in de rede.

9Meng je niet in een geschil waarmee je niets te maken hebt,

ga niet met zondaars op de rechterstoel zitten.

Rijkdom en armoede

10

11:10
Sir. 38:24
Mijn kind, bemoei je niet met van alles tegelijk,

als je overdrijft word je gestraft.

Wat je najaagt krijg je toch niet in handen,

en als je het op moet geven laat het je nog niet los.

11

11:11
Ps. 127:1-2
Spr. 11:24
21:5
Er zijn er die werken, zwoegen, rennen,

maar des te meer schieten ze tekort.

12Anderen zijn traag en hebben hulp nodig,

ze hebben een gebrek aan kracht en een overvloed aan armoede.

Maar de Heer beziet hen welwillend,

hij verheft hen uit hun nederig bestaan

13en richt hun hoofd weer op,

tot verbazing van velen.

14

11:14
Job 1:21
2:10
Jes. 45:7
Het goede en het kwade, leven en dood,

armoede en rijkdom komen van de Heer.

15Wijsheid, inzicht en kennis van de wet komen van de Heer,

van hem komen liefde en goede daden.

16Misleiding en duisternis werden in zondaars meegeschapen,

wie graag kwaadaardig is blijft het zijn leven lang.

17De gaven van de Heer zijn het blijvend bezit van vrome mensen,

zijn gunst brengt hun altijd veel goeds.

18

11:18-19
Job 27:16-23
Ps. 49:17-18
Pred. 2:21-23
Luc. 12:16-21
Een mens wordt rijk door angstvallig te sparen,

maar kijk eens wat zijn loon is. Hij zegt:

19‘Nu kan ik een rustig leven leiden en van mijn bezit genieten,’

maar hij weet niet voor hoe lang.

Wanneer hij sterft moet hij alles nalaten aan anderen.

20Houd je aan je verplichtingen, wees daarin bestendig,

en blijf werken tot je oud bent.

21

11:21
Spr. 3:31
23:17
Sir. 9:11
Bewonder de daden van een zondaar niet,

geloof in de Heer en volhard in je werk.

Het kost de Heer geen enkele moeite

om plotseling, in korte tijd, een arme rijk te maken.

22De zegen van de Heer is het loon van een vroom mens,

na korte tijd heeft hij al veel succes.

23Zeg niet: ‘Heb ik aan iets gebrek,

kan het mij nog voorspoediger gaan?’

24

11:24
Sir. 5:1
Zeg niet: ‘Ik ben van niemand afhankelijk,

hoe zou mij nu tegenspoed kunnen treffen?’

25

11:25
Sir. 18:25
Joh. 16:21
In goede tijden weet men niets meer van de slechte,

in de slechte niets meer van de goede.

26Het kost de Heer geen enkele moeite

om een mens wanneer hij sterft naar zijn daden te vergelden.

27

11:27
Sir. 1:13
Eén uur lijden doet alle genoegens vergeten,

aan het einde van het leven worden de daden van een mens onthuld.

28Prijs niemand gelukkig voor zijn dood,

een mens wordt pas aan zijn einde gekend.11:28 een mens wordt pas aan zijn einde gekend – Volgens sommige Griekse handschriften en één Hebreeuws handschrift. Brontekst: ‘een mens wordt aan zijn kinderen gekend’.

Voorzichtig met gastvrijheid

29Haal niet iedereen in huis,

een bedrieger legt talloze hinderlagen.

30Het hart van een hoogmoedig mens is als een lokvogel in een kooi,

als een belager loert hij op je ondergang.

31Hij wacht op de kans om goed in kwaad te veranderen,

zelfs op onberispelijke mensen werpt hij een smet.

32

11:32
Spr. 1:11
Een vonk doet een houtskoolvuur oplaaien,

een zondaar loert op bloed.

33Houd een boosdoener in de gaten, hij smeedt kwade plannen,

laat hem niet voor altijd een smet op je werpen.

34Als je een onbekende in huis haalt,

brengt hij je in de problemen.

Hij brengt je in verwarring

en vervreemdt je van je eigen familie.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]