Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
139

1391

139:1
Jer. 12:3
Voor de koorleider. Van David, een psalm.

HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,

2

139:2
2 Kon. 19:27
Job 31:4
Ps. 44:22
u weet het als ik zit of sta,

u doorziet van verre mijn gedachten.

3Ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,

met al mijn wegen bent u vertrouwd.

4Geen woord ligt op mijn tong,

of u, HEER, kent het ten volle.

5U omsluit mij, van achter en van voren,

u legt uw hand op mij.

6Wonderlijk zoals u mij kent,

het gaat mijn begrip te boven.

7

139:7-12
Job 23:8-10
Spr. 15:11
Jer. 23:23-24
Amos 9:2-3
Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,

hoe aan uw blikken ontkomen?

8Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan,

lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar.

9Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,

al ging ik wonen voorbij de verste zee,

10ook daar zou uw hand mij leiden,

zou uw rechterhand mij vasthouden.

11Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken,

het licht om mij heen veranderen in nacht,’

12

139:12
Job 12:22
34:22
Dan. 2:22
ook dan zou het duister voor u niet donker zijn –

de nacht zou oplichten als de dag,

het duister helder zijn als het licht.

13

139:13
Job 10:8
U was het die mijn nieren vormde,

die mij weefde in de buik van mijn moeder.

14Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,

wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt.

Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.

15Toen ik in het verborgene gemaakt werd,

kunstig geweven in de schoot van de aarde,

was mijn wezen voor u geen geheim.

16

139:16
Mal. 3:16
Uw ogen zagen mijn vormeloos begin,

alles werd in uw boekrol opgetekend,

aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.

17

139:17
Job 11:7
Rom. 11:33
Hoe rijk zijn uw gedachten, God,

hoe eindeloos in aantal,

18

139:18
Ps. 40:6
ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn.

Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u.

19

139:19
Ps. 119:115
God, breng de zondaars om,

– weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten –

20ze spreken kwaadaardig over u,

uw vijanden misbruiken uw naam.

21

139:21
Ps. 119:158
Zou ik niet haten wie u haten, HEER,

niet verachten wie tegen u opstaan?

22Ik haat hen, zo fel als ik haten kan,

ze zijn mijn vijand geworden.

23

139:23
Ps. 17:3
26:2
Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,

peil mij, weet wat mij kwelt,

24zie of ik geen verkeerde weg ga,

en leid mij over de weg die eeuwig is.

140

1401Voor de koorleider. Een psalm van David.

2Bevrijd mij, HEER, van wie mij kwaad doen,

behoed mij voor hun bruut geweld.

3In hun hart bedenken zij boze plannen,

heel de dag zoeken ze strijd.

4

140:4
Rom. 3:13
Hun tong is scherp als die van een slang,

achter hun lippen schuilt het gif van een adder. sela

5

140:5-6
Jer. 18:22
Houd mij, HEER, uit de handen van schurken,

behoed mij voor hun bruut geweld.

Ze zijn op mijn ondergang uit,

6

140:6
Ps. 56:7
57:7
Sir. 12:16
in hun hoogmoed leggen ze strikken,

ze spannen met touwen een net

en zetten een val op mijn weg. sela

7

140:7
Ps. 31:15
Ik roep tot de HEER: ‘U bent mijn God,

luister, HEER, naar mijn smeekgebed.

8HEER, mijn God, machtige redder,

u beschermt mij op de dag van de strijd.

9HEER, geef de schurken niet wat zij begeren,

doorkruis hun plannen als zij opstaan tegen mij. sela

10Dat het hoofd van mijn belagers

wordt getroffen door de vloek van hun lippen.

11

140:11
Ps. 11:6
55:24
Dat vurige kolen op hen neerstorten,

dat ze vallen in een kuil waaruit ze nooit meer opstaan.

12Dat er in het land voor lasteraars geen plaats is,

dat het kwaad onderdrukkers tot de dood achtervolgt.’

13Dit weet ik: de HEER doet

recht aan zwakken en armen.

14

140:14
Ps. 11:7
16:11
17:15
De rechtvaardigen zullen uw naam prijzen,

de oprechten wonen in uw nabijheid.

141

1411Een psalm van David.

HEER, u roep ik aan, kom mij te hulp,

luister naar mij nu ik tot u roep.

2

141:2
Ex. 30:8
Lev. 2:2
Laat mijn gebed voor u zijn als reukwerk,

mijn geheven handen als een avondoffer.

3Zet een wacht voor mijn mond, HEER,

een post voor de deur van mijn lippen.

4Houd mijn hart ver van het kwaad,

verleid het niet tot goddeloze daden

met hen die onrecht bedrijven,

laat mij niet eten van hun overvloed.

5

141:5
Spr. 27:6
Zou een rechtvaardige mij slaan, het was mij een weldaad,

zou hij mij straffen, het was balsem op mijn hoofd.

Zou ik lijden onder de kwaden, dan nog bleef ik bidden,

6en werden hun leiders van de rotsen geworpen,

van mij hoorden ze woorden van deernis.

7Verspreid als de aarde, geploegd en omgewoeld,

ligt ons gebeente bij de muil van het dodenrijk.

8Maar HEER, mijn God: naar u zijn mijn ogen gericht,

bij u schuil ik, giet mijn leven niet weg als water.

9Behoed mij voor de strik die zij hebben gespannen,

voor de valkuil van hen die onrecht doen.

10Laat de goddelozen in hun eigen netten raken

en mij alleen ontkomen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]