Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
6

Waarschuwingen wijzen de weg door het leven

61

6:1-5
Spr. 11:15
17:18
22:26-27
Sir. 29:14-20
Mijn zoon, als je borg staat voor een ander,

hem dat met handslag hebt beloofd,

2als je aan je woord gebonden bent,

vastgeketend zit aan je belofte –

3bevrijd je dan, mijn zoon,

want die ander heeft je in zijn greep.

Vooruit, vat moed, ga op hem af,

4-5ga niet slapen, gun jezelf geen rust

voordat je je van hem hebt losgemaakt,

zoals een gazelle ontkomt aan de jager,

een vogel ontsnapt aan de vogelaar.

6Ga naar de mieren, luiaard,

kijk hoe ze werken en word wijs.

7Hoewel er onder hen geen leider is,

geen aanvoerder, geen koning,

8halen ze in de zomer voedsel binnen,

leggen ze in de oogsttijd een voorraad aan.

9

6:9-11
Spr. 20:13
24:33-34
Hoe lang nog, luiaard, zul je blijven slapen,

wanneer kom je uit bed?

10Nog even dan? Nog even slapen, nog een beetje rusten,

een ogenblik nog blijven liggen?

11Armoede overvalt je als een struikrover,

gebrek slaat je neer als een bandiet.

12

6:12-15
Ps. 36:1-5
Een kwaadaardig mens, een onbetrouwbaar iemand,

strooit voortdurend leugens rond.

13

6:13
Spr. 10:10
Sir. 27:22
Hij knijpt heimelijk zijn oog dicht,

geeft een tikje met zijn voet, een verborgen vingerwijzing.

14Zo iemand zit vol leugen en bedrog, is altijd uit op kwade zaken,

zaait voortdurend tweedracht.

15Daarom gaat hij plotseling ten onder,

daarom komt hij ten val, in een oogwenk,

en hij komt het niet te boven.

16Zes dingen haat de HEER,

zeven dingen zijn hem een gruwel:

17ogen die hooghartig kijken en een tong die liegt,

handen die onschuldig bloed vergieten

18

6:18
Spr. 1:16
en een hart dat op het kwade zint,

voeten die zich naar de misdaad reppen

19en getuigen die bedriegen, altijd liegen,

en zij die stoken tussen broers.

Laat je niet in met de vrouw van een ander

20

6:20
Spr. 1:8
Mijn zoon, houd vast aan wat je vader je opdraagt,

verwerp de lessen van je moeder niet.

21

6:21
Spr. 3:3
Bind hun onderricht voor altijd op je hart,

wind het om je hals.

22

6:22
Spr. 3:23-24
Moge het je leiden op de wegen die je gaat,

moge het over je waken als je slaapt,

moge het je raden als je wakker wordt.

23

6:23
Spr. 10:17
Want de lessen van je vader en je moeder zijn een lamp,

een licht dat je vermaant en de weg wijst naar het leven.

24

6:24
Spr. 2:16-19
5:2-20
Hun onderricht beschermt je tegen lichtzinnige vrouwen,

tegen de gladde woorden van een afgedwaalde vrouw.

25Zet nooit je zinnen op haar schoonheid,

laat haar ogen je niet strikken.

26Een hoer kost je niet meer dan een brood,

maar de vrouw van een ander jaagt op je kostbare leven.

27Als een man vuur in een plooi van zijn mantel steekt,

vat zijn mantel dan geen vlam?

28Als hij over gloeiende kolen loopt,

brandt hij dan zijn voeten niet?

29Zo vergaat het een man die de vrouw van een ander omhelst,

wie zich met haar inlaat blijft niet ongestraft.

30Een dief die steelt omdat hij honger heeft,

steelt uit noodzaak. Men veracht hem niet,

31al moet hij het gestolene

ook zevenvoudig terugbetalen als hij wordt betrapt,

al kost het hem ook alles wat hij heeft.

32Maar pleeg je overspel, dan heb je geen verstand,

wie zoiets doet richt zichzelf te gronde.

33Hij zal door smaad worden getroffen

en zijn schande zal niet worden uitgewist.

34

6:34
Spr. 27:4
Want door jaloezie ontsteekt een man in woede,

als hij wraak kan nemen, doet hij dat meedogenloos.

35Hij accepteert geen zwijggeld,

blijft onverbiddelijk, ook als je de afkoopsom verhoogt.

7

71Mijn zoon, denk altijd aan mijn uitspraken,

vergeet mijn woorden niet,

2

7:2
Spr. 4:4
denk altijd aan wat ik je leer,

dan zul je blijven leven.

Koester mijn lessen als het licht in je ogen,

3

7:3
Deut. 6:8
Spr. 3:3
draag mijn woorden als een ring aan je vinger,

schrijf ze in je hart.

4Zeg tegen Wijsheid: ‘Je bent mijn zuster,’

noem Inzicht je vriendin.

5Ze behoeden je voor lichtzinnige vrouwen,

voor afgedwaalde vrouwen met hun vleierij.

6Ik stond eens bij het raam van mijn huis,

en keek uit het venster naar buiten.

7Ik zag daar onervaren jongens;

een van hen, ontdekte ik, was zonder verstand.

8Hij liep door de straat,

kwam bij de hoek waar zo’n vrouw woont,

hij was vlak bij haar huis.

9Het was in de schemering, de avond viel,

de nacht brak aan, duisternis verspreidde zich.

10En kijk, daar komt die vrouw op hem af,

gekleed als een hoer, een listig karakter.

11Ongedurig en losbandig,

als iemand die in huis geen rust vindt,

12

7:12
Spr. 23:27-28
loopt ze nu eens in de straten, dan weer op de pleinen,

op elke straathoek staat ze op de loer.

13

7:13
Spr. 5:2-3
Ze grijpt de jongen vast en kust hem,

schaamteloos kijkt ze hem aan.

14Ze zegt: ‘Ik moest een vredeoffer brengen,

vandaag heb ik mijn geloften ingelost.

15

7:15
Hoogl. 3:2
Daarom ben ik de deur uit gegaan,

ik ging op zoek naar jou, nu heb ik je gevonden.

16Ik heb mijn bed al opgemaakt met kostbaar linnen,

met bontgekleurde dekens uit Egypte.

17Ik heb het besprenkeld met mirre,

met aloë en kaneel.

18Kom, laten we dronken worden van de liefde,

laten we genieten van het minnespel tot in de morgen.

19Mijn man is niet thuis,

hij is ver weg, hij is op reis

20en heeft meer dan voldoende geld bij zich.

Hij komt pas terug wanneer het vollemaan is.’

21Zo wist ze hem te paaien met haar vleierij,

ze haalde hem over met allerlei lokkende woorden,

22en zonder na te denken liep hij achter haar aan.

Zoals een os die naar de slachtbank gaat

bleef die dwaas aan haar geketend –

23totdat een pijl zijn lever doorboorde,

zoals een vogel in het net vliegt

en niet merkt dat het hem zijn leven kost.

24Nu dan, mijn zonen, luister naar mij,

schenk aandacht aan mijn woorden.

25Volg de wegen van zo’n vrouw niet,

dwaal niet op haar paden.

26Veel slachtoffers heeft zij gemaakt,

talloos velen zijn door haar geveld.

27Haar woning is de toegang tot het dodenrijk,

van daar daal je af tot in de kamers van de dood.

8

Wijsheid spreekt

81

8:1-3
Spr. 1:20-21
Roept Wijsheid niet,

laat Inzicht haar stem niet horen?

2Wijsheid heeft zich opgesteld op een heuvel langs de weg,

bij het kruispunt van de wegen.

3Bij de poorten van de stad, bij de ingang,

bij de toegangswegen klinkt haar stem:

4‘Mensen, tot jullie roep ik,

ik richt mij tot iedereen.

5Onnozele mensen, word toch eens verstandig,

dwazen, denk eens na!

6Luister, ik vertel je waardevolle dingen,

mijn woorden zijn oprecht.

7Mijn mond verkondigt slechts de waarheid,

mijn lippen haten onbetrouwbaarheid.

8Op mijn uitspraken kun je vertrouwen,

niets is vals en krom.

9Wie inzicht heeft vindt ze duidelijk,

ze zijn eenvoudig voor wie kennis heeft verworven.

10

8:10-11
Spr. 3:14-15
8:10
Spr. 16:16
Stel mijn lessen boven zilver,

mijn kennis boven zuiver goud.

11

8:11
Job 28:15-19
Wijsheid is kostbaarder dan edelstenen,

alles wat je ooit zou kunnen wensen

valt bij wijsheid in het niet.’

12Ik, Wijsheid, ik woon bij Beraad,

door overpeinzing vind ik kennis.

13

8:13
Job 28:28
Wie ontzag heeft voor de HEER haat het kwaad.

Ik verafschuw trots en hoogmoed,

leugens en het kwaad.

14Bij mij vind je beraad en overleg,

ik heb inzicht, ik heb kracht.

15

8:15
1 Kon. 3:4-15
Door mij regeren koningen,

bepalen heersers wat rechtvaardig is.

16Vorsten heersen dankzij mij,

ik laat leiders rechtvaardig regeren.

17

8:17
Wijsh. 6:12
Wie mij liefheeft, heb ik ook lief,

wie mij zoekt, zal mij vinden.

18

8:18
Spr. 3:16
Rijkdom en eer zijn mijn bezit,

duurzame weelde en gerechtigheid.

19Wat ik je geef is kostbaarder dan het zuiverste goud,

ik bied iets dat meer is dan het fijnste zilver.

20Ik ga de weg van de rechtvaardigheid,

ik volg de paden van het recht

21om rijk te maken wie mij liefheeft,

om zijn schatkamers te vullen.

22

8:22
Sir. 1:4-9
24:8-9
De HEER heeft mij vóór al het andere verworven,

toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij.

23Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was,

nog voor de aarde vorm kreeg.

24Toen er nog geen oceanen waren, werd ik voortgebracht,

nog voor de bronnen met hun waterstromen.

25Toen de bergen nog niet waren neergezet, werd ik voortgebracht,

nog voor er heuvels waren.

26De aarde en de velden had de HEER nog niet geschapen,

geen korrel zand was nog gemaakt.

27

8:27
Gen. 1:6
Job 28:23-27
Wijsh. 9:9
Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf

en een cirkel om het water trok,

28de wolken aan de hemelkoepel plaatste,

de oceanen bruisend op liet wellen,

29

8:29
Job 38:8-11
Ps. 104:7-9
toen hij aan de zeeën grenzen stelde,

het water met zijn woord zijn plaats gaf,

de fundamenten van de aarde legde.

30Ik was zijn lieveling,

een bron van vreugde, elke dag opnieuw.

Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid,

31

8:31
Wijsh. 1:6
vond vreugde in zijn hele aarde

en was blij met alle mensen.

32

8:32
Sir. 14:20-27
Nu dan, zonen, luister naar mij,

gelukkig is een mens die op mijn wegen blijft.

33Luister naar wat ik je leer, en word wijs,

negeer mijn lessen niet.

34Gelukkig is elk mens die naar mij luistert,

dag in dag uit bij mijn woning staat,

de wacht houdt bij mijn deur.

35

8:35
Spr. 3:1-2
Want wie mij vindt, vindt het leven,

en ontvangt de gunst van de HEER.

36Wie aan mij voorbijgaat, doet zichzelf veel kwaad,

wie mij haat, bemint de dood.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]