Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

De inwijdingsgeschenken

71

7:1
Ex. 40:9-15,17-33
Op de dag waarop Mozes de laatste hand legde aan het opbouwen van de tabernakel, zalfde hij die, met alle toebehoren, en ook het altaar en het altaargerei; zo heiligde hij alles. 2Daarna brachten de leiders van de Israëlieten, de familiehoofden die aan het hoofd van de stammen stonden en de leiding hadden bij de inschrijving, 3de HEER geschenken: zes overhuifde wagens en twaalf ossen – elk tweetal leiders gaf gezamenlijk een wagen en ieder van hen afzonderlijk gaf een os. Toen ze die voor de tabernakel hadden gezet, 4zei de HEER tegen Mozes: 5‘Neem deze geschenken van hen aan en gebruik ze ten behoeve van de ontmoetingstent. Stel ze ter beschikking van de Levieten, afhankelijk van de taak die ieder heeft.’ 6Daarop gaf Mozes de wagens en de ossen aan de Levieten. 7
7:7
Num. 4:24-28
Aan de Gersonieten gaf hij twee wagens en vier ossen, rekening houdend met hun taken, 8
7:8
Num. 4:29-33
en aan de Merarieten gaf hij vier wagens en acht ossen, in overeenstemming met de taken die zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron, zouden verrichten. 9
7:9
Num. 4:2-15
Aan de Kehatieten gaf hij niets, omdat zij de zorg hadden gekregen voor de heiligste voorwerpen, die op de schouders gedragen moesten worden.

10De leiders van Israël brachten ook geschenken voor de inwijding van het altaar. Toen ze op de dag waarop het gezalfd werd met hun geschenken bij het altaar kwamen, 11zei de HEER tegen Mozes: ‘Laat elke dag een van hen zijn geschenken voor de inwijding van het altaar aanbieden.’

12

7:12
Num. 2:3
Degene die op de eerste dag zijn geschenken aanbood was Nachson, de zoon van Amminadab, uit de stam Juda. 13Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 14een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 15een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 16een bok als reinigingsoffer, 17en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Nachson, de zoon van Amminadab.

18

7:18
Num. 2:5
De tweede dag bood Netanel, de zoon van Suar, het hoofd van de stam Issachar, zijn geschenken aan. 19Hij schonk een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 20een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 21een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 22een bok als reinigingsoffer, 23en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Netanel, de zoon van Suar.

24

7:24
Num. 2:7
De derde dag kwam het hoofd van de Zebulonieten, Eliab, de zoon van Chelon. 25Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 26een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 27een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 28een bok als reinigingsoffer, 29en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Eliab, de zoon van Chelon.

30

7:30
Num. 2:10
De vierde dag kwam het hoofd van de Rubenieten, Elisur, de zoon van Sedeür. 31Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 32een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 33een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 34een bok als reinigingsoffer, 35en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Elisur, de zoon van Sedeür.

36

7:36
Num. 2:12
De vijfde dag kwam het hoofd van de Simeonieten, Selumiël, de zoon van Surisaddai. 37Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 38een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 39een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 40een bok als reinigingsoffer, 41en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Selumiël, de zoon van Surisaddai.

42

7:42
Num. 2:14
De zesde dag kwam het hoofd van de Gadieten, Eljasaf, de zoon van Deüel. 43Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 44een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 45een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 46een bok als reinigingsoffer, 47en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Eljasaf, de zoon van Deüel.

48

7:48
Num. 2:18
De zevende dag kwam het hoofd van de Efraïmieten, Elisama, de zoon van Ammihud. 49Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 50een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 51een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 52een bok als reinigingsoffer, 53en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Elisama, de zoon van Ammihud.

54

7:54
Num. 2:20
De achtste dag kwam het hoofd van de Manassieten, Gamliël, de zoon van Pedasur. 55Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 56een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 57een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 58een bok als reinigingsoffer, 59en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Gamliël, de zoon van Pedasur.

60

7:60
Num. 2:22
De negende dag kwam het hoofd van de Benjaminieten, Abidan, de zoon van Gidoni. 61Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 62een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 63een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 64een bok als reinigingsoffer, 65en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Abidan, de zoon van Gidoni.

66

7:66
Num. 2:25
De tiende dag kwam het hoofd van de Danieten, Achiëzer, de zoon van Ammisaddai. 67Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 68een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 69een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 70een bok als reinigingsoffer, 71en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Achiëzer, de zoon van Ammisaddai.

72

7:72
Num. 2:27
De elfde dag kwam het hoofd van de Aserieten, Pagiël, de zoon van Ochran. 73Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 74een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 75een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 76een bok als reinigingsoffer, 77en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Pagiël, de zoon van Ochran.

78

7:78
Num. 2:29
De twaalfde dag kwam het hoofd van de Naftalieten, Achira, de zoon van Enan. 79Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sjekel woog, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, en een zilveren offerschaal van zeventig sjekel, beide gevuld met tarwebloem vermengd met olijfolie, bestemd voor een graanoffer; 80een gouden schaal van tien sjekel, gevuld met reukwerk; 81een jonge stier, een volwassen ram en een eenjarige ram als brandoffer; 82een bok als reinigingsoffer, 83en twee runderen, vijf volwassen rammen, vijf bokken en vijf eenjarige rammen als vredeoffer. Dat was het geschenk van Achira, de zoon van Enan.

84Dit waren de geschenken die de leiders van de Israëlieten voor de inwijding van het altaar aanboden op de dag dat het gezalfd werd: allereerst twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren offerschalen en twaalf gouden schalen. 85Gewicht per zilveren schotel: honderddertig sjekel; gewicht per offerschaal: zeventig; in totaal wogen deze zilveren voorwerpen vierentwintighonderd sjekel, volgens het ijkgewicht van het heiligdom. 86Gewicht van elk van de twaalf met reukwerk gevulde gouden schalen: tien sjekel, volgens het ijkgewicht van het heiligdom; in totaal wogen deze gouden schalen honderdtwintig sjekel. 87Verder in totaal twaalf jonge stieren, twaalf volwassen rammen en twaalf eenjarige rammen als dieren voor de brandoffers, met de bijbehorende graanoffers; twaalf bokken voor de reinigingsoffers, 88en in totaal vierentwintig jonge stieren, zestig volwassen rammen, zestig bokken en zestig eenjarige rammen als dieren voor de vredeoffers. Dat waren de geschenken die voor de inwijding van het altaar werden aangeboden, nadat het gezalfd was.

89

7:89
Ex. 25:22
33:9-11
Telkens als Mozes de ontmoetingstent binnenging om met de HEER te spreken, hoorde hij een stem die tot hem sprak vanaf een plaats boven de verzoeningsplaat op de ark met de verbondstekst, tussen de twee cherubs. Zo sprak de HEER tot hem.

8

De lampenstandaard

81

8:1-4
Ex. 25:31-40
37:17-24
Lev. 24:2-4
De HEER zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen Aäron dat hij de lampen zo op de standaard zet dat het licht van alle zeven lampen naar voren valt.’ 3Aäron deed dit; hij zette de lampen zo op de standaard dat het licht naar voren viel, zoals de HEER Mozes had opgedragen. 4De hele lampenstandaard, van de voet tot aan de bloemversiering bovenaan, was uit één stuk goud gedreven. Hij was gemaakt volgens het voorbeeld dat de HEER aan Mozes had laten zien.

Wijding van de Levieten

5

8:5-22
Lev. 8:1-30
De HEER zei tegen Mozes: 6‘Zonder de Levieten van de overige Israëlieten af en reinig hen. 7
8:7
Lev. 14:8-9
Ezech. 36:25
Je moet hen besprenkelen met reinigingswater, en vervolgens moeten ze hun hele lichaam scheren en hun kleren wassen. Daarna zijn ze rein. 8Dan moeten ze een jonge stier brengen met het bijbehorende graanoffer van tarwebloem vermengd met olijfolie. Laat zelf een tweede jonge stier brengen voor een reinigingsoffer. 9Draag de Levieten op om naar de ruimte voor de ontmoetingstent te gaan en roep de voltallige gemeenschap van Israël bijeen. 10Wanneer je de Levieten zo voor de HEER hebt gebracht, moeten de Israëlieten hun de hand opleggen 11
8:11
Num. 3:6-8
en moet Aäron hen namens de Israëlieten als offergave aan de HEER aanbieden; zij zijn bestemd voor de dienst van de HEER. 12
8:12
Lev. 1:4
Laat de Levieten hun hand op de kop van de jonge stieren leggen, en draag daarna de ene stier als reinigingsoffer en de andere als brandoffer aan de HEER op om verzoening voor de Levieten te bewerken. 13Stel de Levieten ter beschikking van Aäron en zijn zonen en bied hen als offergave aan de HEER aan. 14
8:14
Num. 3:12-13
Zo zonder je hen van de overige Israëlieten af en worden ze mijn eigendom. 15Nadat je de Levieten gereinigd hebt en hen als offergave hebt aangeboden, mogen ze bij de ontmoetingstent dienstdoen. 16Ze zijn bestemd om volledig aan mij te worden afgestaan. Ik heb hen voor mijzelf uitgekozen in de plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, allen die als eerste de moederschoot verlaten. 17
8:17
Ex. 13:2
Num. 3:13
Alle eerstgeborenen van Israël, zowel van de mensen als van de dieren, behoren mij immers toe: op de dag dat ik de eerstgeborenen in Egypte doodde, heb ik hen voor mijzelf bestemd, 18en in de plaats van de eerstgeboren Israëlieten heb ik de Levieten uitgekozen. 19Ik heb hen volledig ter beschikking van Aäron en zijn zonen gesteld. De Levieten moeten als vertegenwoordigers van de Israëlieten werkzaamheden bij de ontmoetingstent verrichten en verzoening voor de Israëlieten bewerken. Zo voorkomen zij dat de Israëlieten, wanneer iemand te dicht bij het heiligdom komt, door een plaag getroffen worden.’

20Mozes en Aäron en heel Israël voerden alles uit wat de HEER Mozes met betrekking tot de Levieten had opgedragen. 21De Levieten reinigden zich en wasten hun kleren, en Aäron bood hen als offergave aan de HEER aan en voltrok de verzoeningsrite aan hen. Zo reinigde hij hen. 22Daarna konden de Levieten hun werkzaamheden bij de ontmoetingstent verrichten, onder toezicht van Aäron en zijn zonen. Alles wat de HEER Mozes met betrekking tot de Levieten had opgedragen, werd uitgevoerd.

23De HEER zei tegen Mozes: 24‘Voor de Levieten geldt dit voorschrift: iedereen van vijfentwintig jaar of ouder moet werkzaamheden bij de ontmoetingstent verrichten. 25Wie vijftig jaar is, is van die verplichting ontslagen en hoeft niet langer dienst te doen. 26Wel mag hij zijn verwanten nog behulpzaam zijn bij het verrichten van hun werk bij de ontmoetingstent. Zo moet je het werk van de Levieten regelen.’

9

Pesachviering

91

9:1-5
Ex. 12:1-28
In de eerste maand van het tweede jaar na de uittocht uit Egypte richtte de HEER zich in de Sinaiwoestijn tot Mozes. Hij zei: 2‘De Israëlieten moeten op de daarvoor vastgestelde tijd het pesachoffer bereiden. 3Dat moet gebeuren op de veertiende dag van deze maand, in de avondschemer, op de vastgestelde tijd, met inachtneming van alle voorschriften en regels die ervoor gelden.’ 4Mozes droeg de Israëlieten op het pesachoffer te bereiden, 5en zo vierden ze op de veertiende dag van de eerste maand, in de avondschemer, in de Sinaiwoestijn het pesachfeest; ze vierden het precies zoals de HEER het Mozes geboden had.

6

9:6
Num. 5:2
19:11
Nu waren sommigen onrein doordat ze met een lijk in aanraking waren geweest, zodat ze die dag geen Pesach konden vieren. Ze wendden zich nog dezelfde dag tot Mozes en Aäron. 7‘Wij zijn onrein doordat we met een dode in aanraking zijn geweest,’ zeiden ze. ‘Moet dat echt een beletsel zijn om samen met de andere Israëlieten op de vastgestelde tijd ons offer aan de HEER te brengen?’ 8‘Wacht hier,’ antwoordde Mozes, ‘dan ga ik vragen wat de HEER van u verlangt.’ 9Toen zei de HEER tegen Mozes: 10‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer iemand van u of van uw nakomelingen onrein is doordat hij met een lijk in aanraking is geweest of wanneer iemand een verre reis maakt, en hij wil toch ter ere van de HEER het pesachoffer bereiden, 11dan moet hij dat doen in de tweede maand, op de veertiende dag, in de avondschemer. Hij moet er ongedesemd brood en bittere kruiden bij eten. 12
9:12
Ex. 12:46
Er mag van het offerdier niets overblijven tot de volgende morgen, en de botten mogen niet gebroken worden. Alle voorschriften voor het pesachfeest moeten nauwkeurig in acht genomen worden. 13Maar wie rein is en niet op reis en desondanks nalaat het pesachoffer te bereiden, moet uit de gemeenschap gestoten worden omdat hij de HEER niet op de vastgestelde tijd zijn offer heeft gebracht. Zo iemand moet de gevolgen van zijn zonde dragen. 14Wil een vreemdeling die bij u woont ter ere van de HEER een pesachoffer bereiden, dan moet hij dat doen met inachtneming van de voorschriften en regels die voor Pesach gelden. Voor vreemdelingen en voor geboren Israëlieten geldt een en dezelfde wet.”’

De wolk

15

9:15-23
Ex. 40:34-38
9:15-16
Ex. 13:21-22
Op de dag waarop de tabernakel met de verbondstekst was opgebouwd, werd hij overdekt door een wolk. Die avond was de wolk als een lichtend vuur boven de tabernakel te zien, en dat bleef zo tot de volgende morgen. 16Zo was het voortdurend: de wolk overdekte de tabernakel en was ’s nachts te zien als een vuur. 17Telkens als de wolk zich van de tent verhief trokken de Israëlieten verder, en op de plaats waar de wolk stilhield sloegen ze hun kamp op. 18Op bevel van de HEER trokken de Israëlieten verder, en op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op. Zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven ze op de plaats waar ze waren. 19Bleef de wolk lange tijd boven de tabernakel hangen, dan braken de Israëlieten al die tijd niet op; ze hielden zich aan de aanwijzingen van de HEER. 20Soms bleef de wolk maar een paar dagen boven de tabernakel hangen. Ook dan sloegen ze hun kamp op wanneer de HEER daartoe bevel gaf en trokken ze weer verder wanneer de HEER het beval. 21Soms ook bleef de wolk alleen van de avond tot de morgen. Als hij zich dan ’s morgens verhief, trokken ze verder. Zodra de wolk zich verhief, of dat nu overdag gebeurde of ’s nachts, trokken ze verder. 22Rustte de wolk langere tijd boven de tabernakel – een paar dagen of een maand of nog langer – dan bleven de Israëlieten al die tijd op de plaats waar ze waren; pas wanneer hij zich verhief trokken ze weer verder. 23Op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op, en op bevel van de HEER trokken ze verder. Ze hielden zich aan de aanwijzingen van de HEER, die de HEER hun bij monde van Mozes gegeven had.