Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

41De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 2-3‘Houd onder de Levieten een telling van de Kehatieten die tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn en verplicht zijn werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. Tel hen per geslacht en per familie. 4De Kehatieten hebben als taak zorg te dragen voor het allerheiligste in de ontmoetingstent. 5Wanneer het kamp wordt opgebroken, moeten Aäron en zijn zonen het voorhangsel losmaken en er de ark met de verbondstekst mee bedekken. 6Ze leggen er een kleed van zeekoevellen overheen, spreiden daarover een geheel blauwpurperen kleed en brengen de draagbomen aan. 7Ook over de tafel voor de toonbroden moeten ze een blauwpurperen kleed spreiden; daar moet het voortdurend aanwezige brood op liggen. De schotels, schalen en kommen en de kannen voor de wijnoffers zetten ze op het kleed. 8Daaroverheen spreiden ze een karmozijnrood kleed en een kleed van zeekoevellen, en ze brengen de draagbomen aan. 9Met een blauwpurperen kleed moeten ze de lampenstandaard bedekken, de bijbehorende lampen, snuiters en bakjes en alle olievaatjes die erbij gebruikt worden. 10Vervolgens zetten ze de standaard en alles wat erbij hoort op een draagbaar waarover een kleed van zeekoevellen ligt. 11Over het gouden altaar spreiden ze een blauwpurperen kleed. Dit bedekken ze met een kleed van zeekoevellen, en ze brengen de draagbomen aan. 12Alle voorwerpen die ze bij de dienst in het heiligdom gebruiken, moeten ze op een blauwpurperen kleed leggen, met een kleed van zeekoevellen bedekken en op een draagbaar leggen. 13Ze verwijderen de as van het brandofferaltaar, spreiden er een roodpurperen kleed over, 14leggen daarop alle voorwerpen die erbij gebruikt worden – de vuurbakken, vorken, scheppen en offerschalen, kortom, al het altaargerei –, spreiden daar een kleed van zeekoevellen over en brengen de draagbomen aan. 15Pas als Aäron en zijn zonen bij het opbreken van het kamp klaar zijn met het bedekken van het heiligdom en alle heilige voorwerpen, mogen de Kehatieten komen om ze te dragen. Zij mogen het heiligdom niet aanraken, anders sterven ze. Dat zijn de voorwerpen uit de ontmoetingstent die de Kehatieten moeten dragen. 16

4:16
Ex. 27:20-21
30:23-25,35
Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft het toezicht op de olie voor het licht, op het geurige reukwerk, het dagelijkse graanoffer en de zalfolie. Hij heeft het toezicht op de tabernakel en alles wat zich daarin bevindt, op het hele heiligdom en alle bijbehorende voorwerpen.’ 17De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 18‘Zorg ervoor dat de Kehatitische tak van de Levieten niet wordt uitgeroeid. 19Om te voorkomen dat zij te dicht bij het allerheiligste komen en sterven, moeten jullie het volgende doen: Aäron en zijn zonen komen bij hen en wijzen ieder van hen toe wat hij moet dragen. 20Zelf mogen ze het heilige niet binnengaan, want als ze er ook maar een glimp van zouden opvangen, zouden ze sterven.’

21De HEER zei tegen Mozes: 22‘Tel ook de Gersonieten, per familie en per geslacht. 23Schrijf allen in die tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn en verplicht zijn werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. 24De Gersonieten hebben bij het vervoer de volgende taak: 25zij dragen de kleden van de tabernakel en van de tent daaroverheen, het dekkleed en het kleed van zeekoevellen dat daaroverheen ligt, het gordijn voor de ingang van de ontmoetingstent, 26de doeken van de ruimte die rond de tabernakel en het altaar afgeschermd is en het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, met de touwen en alles wat er verder bij hoort. Alle werkzaamheden die hiermee verband houden, maken deel uit van hun taak. 27Alle taken die de Gersonieten bij het vervoer hebben, moeten worden verricht volgens de aanwijzingen van Aäron en zijn zonen, en jijzelf moet nauwkeurig aangeven wat ze moeten dragen. 28Dit is de taak die de Gersonieten bij het vervoer van de ontmoetingstent hebben. Ze moeten hun werk verrichten onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.

29Wat de Merarieten betreft, ook hen moet je geordend naar geslacht en familie inschrijven, 30en wel allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn en verplicht zijn werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. 31De taak die zij bij het vervoer van de ontmoetingstent hebben, is het dragen van de planken van de tabernakel, de dwarsbalken, de palen en voetstukken, 32en de palen van de omheining, met de pinnen en de touwen en wat er verder bij hoort. Alles wat hiermee te maken heeft, is hun werk. Leg een lijst aan van alle voorwerpen waarvoor zij bij het vervoer zorg moeten dragen. 33Dit is de taak die de Merarieten bij het vervoer van de ontmoetingstent hebben. Ze moeten die verrichten onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.’

34Mozes, Aäron en de leiders van de gemeenschap schreven, geordend naar geslacht en familie, alle Kehatieten in 35die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. 36Het aantal ingeschrevenen, geordend naar geslacht, bedroeg 2750. 37Dit was het aantal Kehatieten dat werkzaam was bij de ontmoetingstent en dat door Mozes en Aäron werd ingeschreven, zoals de HEER het Mozes geboden had.

38Het aantal Gersonieten dat, geordend naar geslacht en familie, werd ingeschreven, 39allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten, 40dit aantal ingeschrevenen, geordend naar geslacht en familie, bedroeg 2630. 41Dit was het aantal Gersonieten dat werkzaam was bij de ontmoetingstent en dat door Mozes en Aäron werd ingeschreven, zoals de HEER geboden had.

42Het aantal Merarieten dat, geordend naar geslacht en familie, werd ingeschreven, 43allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten, 44dit aantal ingeschrevenen, geordend naar geslacht, bedroeg 3200. 45Dit was het aantal Merarieten dat door Mozes en Aäron werd ingeschreven, zoals de HEER het Mozes geboden had.

46Het totale aantal Levieten dat door Mozes, Aäron en de leiders van de Israëlieten werd ingeschreven, geordend naar geslacht en familie, 47allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten en te helpen bij het dragen ervan, 48dit aantal bedroeg 8580. 49Zoals de HEER had geboden, werden ze onder leiding van Mozes ingeschreven overeenkomstig de taak die ieder van hen bij het vervoer had. Zo had de HEER het Mozes opgedragen.

5

Voorschriften bij onreinheid en ontrouw

51

5:1-3
Deut. 23:10-15
De HEER zei tegen Mozes: 2
5:2
Lev. 13:45-46
15:2-3
Num. 19:11-16
‘Geef de Israëlieten opdracht om iedereen die aan huidvraat lijdt of onrein vocht verliest en iedereen die onrein is doordat hij met een lijk in aanraking is geweest, het kamp uit te sturen. 3Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen. Stuur hen weg, want anders verontreinigen ze het kamp, waarin ik te midden van het volk woon.’ 4De Israëlieten deden wat de HEER tegen Mozes gezegd had en stuurden hen het kamp uit.

5De HEER zei tegen Mozes: 6

5:6
Lev. 5:15-26
‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer een man of vrouw een ander iets misdaan heeft en daarmee ontrouw is geworden aan de HEER en schuld op zich geladen heeft, 7moet zo iemand openlijk uitspreken wat hij heeft misdaan en een volledige schadevergoeding, vermeerderd met een vijfde, betalen aan degene die hij heeft benadeeld. 8Is er niemand aan wie de schuld vergoed kan worden, dan valt het verschuldigde toe aan de HEER en komt het de priester ten goede, net als de ram waarmee hij de verzoeningsrite voor de schuldige voltrekt. 9Ook krijgt de priester van de heilige gaven van de Israëlieten het deel dat ze aan hem afstaan. 10De heilige gaven blijven het eigendom van wie ze aanbiedt, maar geeft iemand er iets van aan de priester, dan is dat voor hem.”’

11De HEER zei tegen Mozes: 12‘Zeg tegen de Israëlieten: “Stel dat iemands vrouw hem ontrouw is geweest door overspel te plegen, 13dat een ander gemeenschap met haar heeft gehad; haar man weet er niet van, het is niet aan het licht gekomen dat ze zich verontreinigd heeft, omdat ze niet betrapt is en door niemand is aangeklaagd. 14Wanneer zo’n man zijn vrouw, die zich verontreinigd heeft, in een vlaag van jaloezie wantrouwt, of wanneer iemand uit jaloezie zijn vrouw wantrouwt zonder dat ze zich verontreinigd heeft, 15dan moet die man met zijn vrouw naar de priester gaan en als offergave voor haar een tiende efa gerstemeel meenemen. Hij mag er geen olijfolie over gieten en er geen wierook op leggen, want het is een graanoffer dat uit jaloezie voortkomt, een graanoffer dat een zonde in herinnering brengt. 16De priester laat de vrouw naar voren komen en brengt haar voor de HEER. 17Hij vult een kom met heilig water en vermengt dat met stof dat op de vloer van de tabernakel ligt. 18Nadat de priester de vrouw voor de HEER heeft gebracht, maakt hij haar hoofdhaar los en legt hij het herinneringsoffer, het graanoffer van de jaloezie, op haar handpalmen. Zelf heeft hij het bittere, vloekbrengende water in zijn hand. 19Dan spreekt de priester deze bezwering over de vrouw uit: ‘Als niemand anders dan uw eigen man gemeenschap met u heeft gehad, als u zich als gehuwde vrouw niet verontreinigd hebt door overspel te plegen, dan zal dit bittere, vloekbrengende water u niet deren. 20Maar als u zich als gehuwde vrouw verontreinigd hebt door overspel te plegen, als een ander dan uw eigen man gemeenschap met u heeft gehad, dan’ 21– zo spreekt de priester de bezwering en vervloeking over de vrouw uit – ‘zal de HEER maken dat uw naam genoemd wordt in de vervloekingen die er bij uw volk worden uitgesproken: hij zal uw schoot laten verschrompelen en uw buik laten opzwellen. 22Wanneer dit vloekbrengende water in uw ingewanden komt, zwelt uw buik op en verschrompelt uw schoot.’ De vrouw zegt hierop: ‘Amen, amen.’ 23Dan schrijft de priester deze vervloeking op een blad en lost hij het geschrevene op in het bittere water. 24Dat bittere, vloekbrengende water moet hij de vrouw te drinken geven, zodat het in haar lichaam komt en zijn bittere uitwerking heeft. 25De priester neemt het graanoffer van de jaloezie van haar handen, biedt het de HEER als offergave aan en brengt het naar het altaar. 26Hij neemt er een handvol van af en verbrandt dat als teken van de hele offergave op het altaar. Vervolgens geeft hij de vrouw het water te drinken. 27Als ze zich verontreinigd heeft en ontrouw is geweest aan haar man, zal het vloekbrengende water dat hij haar te drinken geeft in haar lichaam zijn bittere uitwerking hebben. Haar buik zal opzwellen en haar schoot verschrompelen, en de naam van die vrouw zal bij haar volk genoemd worden wanneer men iemand vervloekt. 28Maar als de vrouw zich niet verontreinigd heeft, als ze rein is, blijft ze ongedeerd en kan ze nog zwanger worden.

29Dit is het voorschrift voor gevallen van jaloezie, als een gehuwde vrouw zich verontreinigt door overspel te plegen, 30of als een man zijn vrouw in een vlaag van jaloezie wantrouwt. De man moet de vrouw voor de HEER brengen en de priester moet dit voorschrift nauwgezet volgen. 31De man gaat vrijuit, de vrouw moet boeten voor wat ze misdaan heeft.”’

6

Voorschriften voor nazireeërs

61De HEER zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer een man of vrouw een bijzondere gelofte aflegt om zich als nazireeër aan de HEER te wijden, 3

6:3
Luc. 1:15
moet zo iemand zich onthouden van wijn en andere drank. Hij mag ook geen verzuurde wijn drinken, geen andere verzuurde drank en geen druivensap, en hij mag geen verse of gedroogde druiven eten. 4Zolang zijn nazireeërschap duurt, mag hij niets eten dat van de wijnstok afkomstig is, zelfs niet iets dat van de pitten en velletjes gemaakt wordt. 5
6:5
Recht. 13:3-5
16:17
1 Sam. 1:11
Ook mag, zolang zijn nazireeërgelofte geldt, zijn hoofd niet door een scheermes worden aangeraakt; gedurende de hele periode dat hij aan de HEER gewijd is, is hij heilig en moet hij zijn hoofdhaar laten groeien. 6En zolang hij aan de HEER gewijd is, mag hij niet in de buurt van een dode komen. 7Zelfs als zijn vader of moeder of zijn broer of zuster sterft, mag hij zich niet verontreinigen door bij hen te komen, want op zijn hoofd draagt hij het teken dat hij aan God gewijd is. 8Zolang zijn nazireeërschap duurt, is hij aan de HEER gewijd. 9Maar wanneer zijn hoofdhaar verontreinigd wordt doordat er geheel onverwachts in zijn nabijheid iemand sterft, moet hij zich op de zevende dag reinigen door zijn hoofdhaar af te scheren. 10Op de achtste dag moet hij de priester, bij de ingang van de ontmoetingstent, twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven brengen. 11De priester moet dan de ene duif als reinigingsoffer opdragen en de andere als brandoffer en zo verzoening voor hem bewerken, omdat hij schuld op zich heeft geladen door in de nabijheid van de dode te komen. Diezelfde dag moet hij zijn hoofd weer heiligen, 12zich opnieuw voor eenzelfde tijdsduur als nazireeër aan de HEER wijden, en een eenjarige ram als hersteloffer aanbieden. De vorige periode telt niet meer, vanwege de ontwijding van zijn nazireeërschap.

13Wanneer de periode van het nazireeërschap voorbij is, gelden de volgende voorschriften: De nazireeër moet naar de ingang van de ontmoetingstent gebracht worden, 14en daar moet hij de HEER een offergave aanbieden: een eenjarige ram zonder enig gebrek als brandoffer, een eenjarige ooi zonder enig gebrek als reinigingsoffer en een volwassen ram zonder enig gebrek als vredeoffer, 15verder een mand met ongedesemd tarwebrood, dikke broden, met olijfolie bereid, en dunne ongedesemde broden, met olijfolie bestreken, en de bijbehorende graan- en wijnoffers. 16De priester biedt dit aan de HEER aan en draagt het reinigingsoffer en het brandoffer voor de nazireeër op. 17De volwassen ram bereidt hij als vredeoffer ter ere van de HEER en hij biedt daarbij de mand met ongedesemd brood en het bijbehorende graanoffer en wijnoffer aan. 18De nazireeër scheert voor de ingang van de ontmoetingstent zijn hoofdhaar af, het teken van zijn nazireeërschap, en gooit dat in het vuur onder het vredeoffer. 19Nadat de nazireeër zijn haar afgeschoren heeft, neemt de priester een gekookt schouderstuk van de ram en een dik en een dun ongedesemd brood uit de mand, en legt dit alles op de handpalmen van de nazireeër. 20

6:20
Lev. 7:34
10:14
De priester biedt het de HEER als offergave aan. Het is heilig en bestemd voor de priester, evenals het borststuk en de rechterachterbout. Daarna mag de nazireeër weer wijn drinken.

21Dit zijn de voorschriften voor de nazireeër, die op grond van zijn wijding de HEER een offergave verschuldigd is. Volgens de voorschriften met betrekking tot het nazireeërschap moet hij de belofte die hij gedaan heeft nauwkeurig nakomen. Als hij het zich veroorloven kan, mag hij nog meer geven.”’

De priesterzegen

22De HEER zei tegen Mozes: 23‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen:

24

6:24
Ps. 121:7-8
“Moge de HEER u zegenen en u beschermen,

25

6:25
Ps. 4:7
31:17
moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn,

26

6:26
Ps. 121:6-7
moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.”

27Als zij mijn naam over het volk uitspreken, zal ik de Israëlieten zegenen.’
Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]