Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
32

Toewijzing van grondbezit ten oosten van de Jordaan

321

32:1-42
Joz. 1:12-18
13:8-32
21:24-25,30-32
22:1-6
32:1
Deut. 3:12-20
De Rubenieten en de Gadieten bezaten bijzonder veel vee. Toen ze zagen dat het gebied van Jazer en Gilead bij uitstek geschikt was om er vee te houden, 2gingen ze naar Mozes en de priester Eleazar en de leiders van de gemeenschap en zeiden: 3‘Het gebied van Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesbon, Elale, Sebam, Nebo en Beon, 4dat de HEER voor het volk van Israël veroverd heeft, dat gebied is zeer geschikt voor vee. En wij hebben veel vee.’ 5En ze vervolgden: ‘Wees zo goed uw dienaren dit gebied in bezit te geven, laat ons niet de Jordaan oversteken.’ 6Mozes antwoordde de Gadieten en Rubenieten: ‘U wilt hier blijven terwijl uw broeders ten strijde trekken? 7Wilt u de Israëlieten de moed ontnemen om over te steken naar het land dat de HEER hun gegeven heeft? 8Dat hebben uw voorouders ook gedaan, toen ik hen er vanuit Kades-Barnea op uit stuurde om te gaan kijken hoe het land was. 9
32:9
Num. 13:17-33
Ze verkenden het land tot aan het Eskoldal en ontnamen de Israëlieten de moed om het land dat de HEER hun gegeven had binnen te trekken. 10Toen ontstak de HEER in woede, en hij zwoer: 11“Omdat zij niet volledig op mij hebben vertrouwd, zal geen van de mannen van twintig jaar en ouder die uit Egypte zijn weggetrokken, het land zien dat ik Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd, 12met uitzondering van de Kenizziet Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun, die wel volledig op de HEER hebben vertrouwd.” 13
32:13
Num. 14:26-35
Hebr. 3:16-19
De woede van de HEER was zo hevig dat hij de Israëlieten veertig jaar in de woestijn liet rondzwerven, totdat die hele generatie, die gedaan had wat slecht is in de ogen van de HEER, gestorven was. 14En nu wilt u precies hetzelfde doen als uw zondige voorouders en zo de woede van de HEER tegen de Israëlieten nog aanwakkeren! 15Als u zich van hem afwendt, zal hij hen nog langer in de woestijn laten en zult u dit hele volk in het verderf storten.’ 16Maar zij antwoordden, dichterbij komend: ‘We willen hier schaapskooien bouwen voor ons vee en steden voor onze kinderen. 17Dan kunnen onze kinderen in de vestingsteden wonen, veilig voor de inwoners van het land, en dan zullen wijzelf ons wapenen en voor de andere Israëlieten uit trekken, totdat we hen op de plaats van hun bestemming hebben gebracht. 18Wij gaan niet naar huis voordat ieder van de Israëlieten een eigen stuk grond heeft gekregen. 19Maar als wij ten oosten van de Jordaan ons deel krijgen, hoeven wij niet net als zij grond te hebben aan de overkant van de Jordaan of nog verder weg.’ 20Hierop zei Mozes tegen hen: ‘Als u dat doet, als u zich ten overstaan van de HEER opmaakt voor de strijd, 21-22en als al uw weerbare mannen voor de HEER de Jordaan overtrekken en niet terugkeren voordat de HEER zijn vijanden verdreven heeft en het land aan hem onderworpen is, dan zult u zich volledig van uw plicht tegenover de HEER en Israël gekweten hebben en wordt dit gebied ten overstaan van de HEER uw eigendom. 23Maar doet u dit niet, dan zondigt u tegen de HEER en zult u de gevolgen van uw zonde ondervinden. 24Bouw steden voor uw kinderen en bouw schaapskooien, en doe wat u hebt beloofd.’ 25De Gadieten en de Rubenieten antwoordden Mozes: ‘We zullen doen wat u ons opdraagt, heer. 26Onze vrouwen en kinderen, ons vee, al onze dieren, zullen in de steden van Gilead blijven, 27maar alle weerbare mannen zullen doen wat u zegt, heer: wij zullen voor de HEER naar de overkant gaan om daar strijd te leveren.’

28Daarna gaf Mozes instructies aan de priester Eleazar, aan Jozua, de zoon van Nun, en aan de stamhoofden van Israël. 29Hij zei tegen hen: ‘Als de weerbare mannen van de Gadieten en de Rubenieten samen met u de Jordaan overtrekken om onder bevel van de HEER te strijden, dan moet u hun, wanneer het land aan u onderworpen is, Gilead in eigendom geven. 30Maar wapenen ze zich niet en steken ze niet samen met u over, dan moeten ze net als u land in Kanaän krijgen.’ 31De Gadieten en de Rubenieten beloofden te doen wat de HEER hun had opgedragen: 32‘We zullen onder bevel van de HEER gewapend naar Kanaän oversteken, maar we zullen grondbezit krijgen aan deze kant van de Jordaan.’

33Daarop gaf Mozes aan de Gadieten en de Rubenieten en aan de helft van de stam Manasse, de zoon van Jozef, het rijk van koning Sichon van de Amorieten en het rijk van koning Og van Basan – alle steden binnen de landsgrenzen en al het gebied rondom die steden. 34-36De Gadieten herbouwden de vestingsteden Dibon, Atarot, Aroër, Atrot-Sofan, Jazer, Jogboha, Bet-Nimra en Bet-Haran, en herstelden de schaapskooien. 37De Rubenieten herbouwden Chesbon, Elale, Kirjataïm 38en de plaatsen die voordat hun naam veranderd werd Nebo en Baäl-Meon heetten, en Sibma, en ze gaven alle herbouwde steden een nieuwe naam. 39De zonen van Machir, de zoon van Manasse, gingen naar Gilead en namen het in. De Amorieten die er woonden werden verdreven. 40Mozes gaf Gilead aan Machir, de zoon van Manasse, en deze vestigde zich daar. 41

32:41
Recht. 10:4
Jaïr, ook een zoon van Manasse, trok eropuit, nam een aantal dorpen van de Amorieten in en noemde die de Dorpen van Jaïr. 42Ook Nobach trok eropuit, nam Kenat met de omliggende dorpen in en noemde het naar zichzelf, Nobach.

33

Lijst van pleisterplaatsen

331Dit zijn de pleisterplaatsen die de Israëlieten aandeden, nadat ze onder leiding van Mozes en Aäron, geordend in legerafdelingen, waren weggetrokken uit Egypte. 2Op bevel van de HEER heeft Mozes de plaatsen waar ze hun kamp hadden opgeslagen genoteerd. Ze trokken als volgt van de ene pleisterplaats naar de andere:

3

33:3
Ex. 14:8
Op de vijftiende dag van de eerste maand verlieten de Israëlieten Rameses; voor de ogen van de Egyptenaren trokken ze de dag na het pesachmaal onbevreesd weg. 4De Egyptenaren waren toen hun eerstgeborenen, die de HEER gedood had, aan het begraven; hun goden waren door de HEER van hun voetstuk gestoten.

5

33:5
Ex. 12:37
Nadat de Israëlieten Rameses verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Sukkot.

6

33:6
Ex. 13:20
Nadat ze Sukkot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn.

7

33:7
Ex. 14:1-4
Nadat ze Etam verlaten hadden, keerden ze terug naar Pi-Hachirot, tegenover Baäl-Sefon, en sloegen ze hun kamp op voor Migdol.

8

33:8
Ex. 15:23
Nadat ze Pi-Hachirot verlaten hadden,33:8 Pi-Hachirot verlaten hadden – Volgens de Samaritaanse Pentateuch en de Vulgata. MT: ‘van voor Hachirot waren opgebroken’. trokken ze dwars door de zee naar de woestijn. Ze trokken drie dagreizen ver de woestijn van Etam in en sloegen hun kamp op in Mara.

9

33:9
Ex. 15:27
Nadat ze Mara verlaten hadden, kwamen ze in Elim. In Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig dadelpalmen; daar sloegen ze hun kamp op.

10Nadat ze Elim verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op aan de Rode Zee.

11

33:11
Ex. 16:1
Nadat ze de Rode Zee verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de woestijn van Sin.

12Nadat ze de woestijn van Sin verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Dofka.

13Nadat ze Dofka verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Alus.

14

33:14
Ex. 17:1
Nadat ze Alus verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Refidim; daar was geen drinkwater voor het volk.

15

33:15
Ex. 19:1
Nadat ze Refidim verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de Sinaiwoestijn.

16

33:16
Num. 11:35
Nadat ze de Sinaiwoestijn verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Kibrot-Hattaäwa.

17Nadat ze Kibrot-Hattaäwa verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Chaserot.

18Nadat ze Chaserot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Ritma.

19Nadat ze Ritma verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Rimmon-Peres.

20Nadat ze Rimmon-Peres verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Libna.

21Nadat ze Libna verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Rissa.

22Nadat ze Rissa verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Kehelata.

23Nadat ze Kehelata verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op bij de Seferberg.

24Nadat ze de Seferberg verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Charada.

25Nadat ze Charada verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Makhelot.

26Nadat ze Makhelot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Tachat.

27Nadat ze Tachat verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Terach.

28Nadat ze Terach verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Mitka.

29Nadat ze Mitka verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Chasmona.

30Nadat ze Chasmona verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Moserot.

31Nadat ze Moserot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Bene-Jaäkan.

32

33:32
Deut. 10:6-7
Nadat ze Bene-Jaäkan verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Chor-Haggidgad.

33Nadat ze Chor-Haggidgad verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Jotbata.

34Nadat ze Jotbata verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Abrona.

35Nadat ze Abrona verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Esjon-Geber.

36Nadat ze Esjon-Geber verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de woestijn van Sin, en wel in Kades.

37Nadat ze Kades verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op bij de Hor, een berg aan de grens van Edom. 38

33:38
Num. 20:22-28
Deut. 10:6
32:50
Toen ging de priester Aäron op bevel van de HEER de berg op, en hij stierf daar, op de Hor, in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand. 39Aäron was honderddrieëntwintig jaar toen hij op de Hor stierf. 40
33:40
Num. 21:1
De Kanaänitische koning van Arad, die in de Negev in Kanaän woonde, vernam dat de Israëlieten in aantocht waren.

41Nadat ze de Hor verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Salmona.

42Nadat ze Salmona verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Punon.

43Nadat ze Punon verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Obot.

44

33:44
Num. 21:10-11
Nadat ze Obot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op bij Ijje-Haäbarim aan de grens van Moab.

45Nadat ze Ijje-Haäbarim verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Dibon-Gad.

46Nadat ze Dibon-Gad verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Almon-Diblataïm.

47Nadat ze Almon-Diblataïm verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in het Abarimgebergte, bij de Nebo.

48

33:48
Num. 22:1
Nadat ze het Abarimgebergte verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de vlakte van Moab, bij de Jordaan, tegenover Jericho; 49ze sloegen hun tenten op langs de Jordaan, van Bet-Hajjesimot tot aan Abel-Hassittim, in de vlakte van Moab.

Verdeling van Kanaän

50In de vlakte van Moab, aan de Jordaan ter hoogte van Jericho, zei de HEER tegen Mozes: 51

33:51-52
Deut. 7:1-5,16
12:2-3
‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer jullie de Jordaan oversteken naar Kanaän, 52moeten jullie de bewoners van dat land verdrijven. Vernietig al hun stenen met afbeeldingen en al hun gegoten beelden, en verwoest de offerplaatsen. 53Neem het land in bezit en ga er wonen, ik geef jullie dit land in eigendom. 54
33:54
Num. 26:53-56
Jullie moeten het land door middel van loting onder de verschillende geslachten verdelen. Geef een groot geslacht een groot stuk grond in bezit, een klein geslacht een klein stuk. Het lot bepaalt wat elk geslacht krijgt. Zo moeten jullie het land onder de verschillende stammen verdelen. 55Maar als jullie de bewoners ervan niet verdrijven, zullen degenen die je van hen overlaat zich vijandig tegenover je opstellen wanneer jullie eenmaal in het land wonen; ze zullen tot stekels in je zij en tot dorens in je ogen worden. 56En dan zal ik met jullie doen wat ik van plan was met hen te doen.”’

34

341

34:1-18
Ezech. 47:13-21
De HEER zei tegen Mozes: 2‘Deel de Israëlieten het volgende mee: “Wanneer jullie in Kanaän zijn aangekomen, zullen dit de grenzen zijn van het grondgebied dat jullie toevalt: 3Jullie zuidgrens loopt vanaf de woestijn van Sin langs het gebied van Edom, en begint dus bij de uiterste zuidoostpunt van de Zoutzee. 4Hij loopt in een bocht zuidelijk om de Schorpioenenpas heen, gaat dan verder naar Sin, loopt vervolgens rechtstreeks naar een punt ten zuiden van Kades-Barnea, en gaat via Chasar-Addar verder naar Asmon. 5Bij Asmon buigt de grens af naar de wadi die de grens met Egypte vormt, en van daar loopt hij rechtstreeks naar de zee. 6De westgrens wordt gevormd door de Grote Zee; houd dat als westgrens aan. 7Jullie noordgrens loopt als volgt: Trek een lijn van de Grote Zee naar de Hor, 8en trek van deze berg een lijn naar Lebo-Hamat. De grens loopt daarna rechtstreeks naar Sedad, 9vervolgens naar Zifron, en eindigt bij Chasar-Enan. Houd dit als noordgrens aan. 10Voor de grens in het oosten moeten jullie een lijn trekken van Chasar-Enan naar Sefam. 11Van Sefam loopt de grens naar beneden, naar Haribla, ten oosten van Aïn, vervolgens gaat hij verder omlaag en loopt hij vlak langs de bergketen ten oosten van het Meer van Kinneret. 12Daarna loopt hij nog verder omlaag, volgt de Jordaan en komt uit bij de Zoutzee. Dat zijn de grenzen van het land dat voor jullie bestemd is.”’

13Mozes deelde de Israëlieten mee: ‘Dit is het land dat u door middel van loting onder elkaar moet verdelen en dat aan negen-en-een-halve stam gegeven moet worden, zoals de HEER geboden heeft. 14De families van de stam Ruben en van de stam Gad, en ook de helft van de stam Manasse, hebben immers het grondgebied dat hun toekomt al ontvangen; 15

34:15
Num. 32:33-42
Deut. 3:12-17
Joz. 14:1-5
twee-en-een-halve stam hebben grondbezit ontvangen aan deze kant van de Jordaan, ter hoogte van Jericho, aan de oostkant, waar de zon opkomt.’

16De HEER zei tegen Mozes: 17‘Degenen die het land onder jullie moeten verdelen, zijn de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun. 18Wijs in elke stam iemand aan die de leiding heeft bij de verdeling van het land. 19Dit zijn hun namen: voor de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefunne; 20voor de stam Simeon Semuel, de zoon van Ammihud; 21voor de stam Benjamin Elidad, de zoon van Kislon; 22voor de stam Dan het familiehoofd Bukki, de zoon van Jogli; 23wat de nakomelingen van Jozef betreft: voor de stam Manasse het familiehoofd Channiël, de zoon van Efod, 24en voor de stam Efraïm het familiehoofd Kemuel, de zoon van Siftan; 25voor de stam Zebulon het familiehoofd Elisafan, de zoon van Parnach; 26voor de stam Issachar het familiehoofd Paltiël, de zoon van Azzan; 27voor de stam Aser het familiehoofd Achihud, de zoon van Selomi; 28voor de stam Naftali het familiehoofd Pedaël, de zoon van Ammihud.’ 29Dit waren degenen aan wie de HEER opdroeg om Kanaän onder de Israëlieten te verdelen.