Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

Legering van de Israëlieten

21De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 2‘Wanneer de Israëlieten hun tenten opslaan, moeten ze dat doen rond de ontmoetingstent, op enige afstand ervan, ieder bij zijn eigen vaandel en bij de herkenningstekens van zijn familie.

3Aan de oostkant, waar de zon opkomt, moeten de afdelingen van Juda zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Judeeërs is Nachson, de zoon van Amminadab. 4Zijn leger is volgens de telling 74.600 man sterk. 5Aan dezelfde kant slaat de stam Issachar zijn tenten op. Hun aanvoerder is Netanel, de zoon van Suar. 6Zijn leger telt 54.400 man. 7Ook de stam Zebulon komt daar. Hun aanvoerder is Eliab, de zoon van Chelon. 8Zijn leger telt 57.400 man. 9In totaal tellen de legerafdelingen van Juda 186.400 man. Zij moeten steeds het eerst opbreken.

10Aan de zuidkant moeten de afdelingen van Ruben zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Rubenieten is Elisur, de zoon van Sedeür. 11Zijn leger is volgens de telling 46.500 man sterk. 12Aan dezelfde kant slaat de stam Simeon zijn tenten op. Hun aanvoerder is Selumiël, de zoon van Surisaddai. 13Zijn leger telt 59.300 man. 14Ook de stam Gad komt daar. Hun aanvoerder is Eljasaf, de zoon van Deüel.2:14 Deüel – Volgens de Samaritaanse Pentateuch en de Vulgata. MT: ‘Reüel’. 15Zijn leger telt 45.650 man. 16In totaal tellen de legerafdelingen van Ruben 151.450 man. Zij breken als tweede op.

17Het leger van de Levieten, met de ontmoetingstent, bevindt zich midden tussen de andere legerafdelingen wanneer het kamp wordt opgebroken. Zoals de Israëlieten gelegerd zijn, zo moeten ze ook verder trekken, ieder op de voor hem bepaalde plaats, bij zijn eigen vaandel.

18Aan de westkant moeten de afdelingen van Efraïm zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Efraïmieten is Elisama, de zoon van Ammihud. 19Zijn leger is volgens de telling 40.500 man sterk. 20Aan dezelfde kant komt de stam Manasse. Hun aanvoerder is Gamliël, de zoon van Pedasur. 21Zijn leger telt 32.200 man. 22Ook de stam Benjamin komt daar. Hun aanvoerder is Abidan, de zoon van Gidoni. 23Zijn leger telt 35.400 man. 24In totaal tellen de legerafdelingen van Efraïm 108.100 man. Zij breken als derde op.

25Aan de noordkant moeten de afdelingen van Dan zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Danieten is Achiëzer, de zoon van Ammisaddai. 26Zijn leger is volgens de telling 62.700 man sterk. 27Aan dezelfde kant slaat de stam Aser zijn tenten op. Hun aanvoerder is Pagiël, de zoon van Ochran. 28Zijn leger telt 41.500 man. 29Ook de stam Naftali komt daar. Hun aanvoerder is Achira, de zoon van Enan. 30Zijn leger telt 53.400 man. 31In totaal tellen de legerafdelingen van Dan 157.600 man. Zij breken het laatst op, elke afdeling bij zijn eigen vaandel.’

32Het aantal Israëlieten dat ingeschreven was, geordend naar families, bedroeg voor het hele leger, voor alle afdelingen bij elkaar, 603.550. 33De Levieten waren niet met de andere Israëlieten meegeteld; zo had de HEER het Mozes opgedragen.

34De Israëlieten deden alles wat de HEER Mozes had opgedragen: allen legerden zich bij hun eigen vaandel, en zo trokken ze ook weer verder, ingedeeld naar geslacht en familie.

3

Telling van de Levieten; hun taken

31Dit waren de nakomelingen van Aäron en Mozes in de tijd dat de HEER op de Sinai met Mozes sprak. 2

3:2
Ex. 6:23
Num. 26:60
Dit zijn de namen van Aärons zonen: Nadab – de oudste –, Abihu, Eleazar en Itamar. 3Dit waren de namen van Aärons zonen; zij waren tot priester gezalfd, zij waren aangesteld om het priesterambt te bekleden. 4
3:4
Lev. 10:1-2
Num. 26:61
Nadab en Abihu waren bij het heiligdom gestorven toen ze de HEER in de Sinaiwoestijn vuur hadden aangeboden dat niet voldeed aan de voorschriften. Ze hadden geen zonen, zodat alleen Eleazar en Itamar overbleven om tijdens het leven van hun vader Aäron het priesterambt te bekleden.

5De HEER zei tegen Mozes: 6

3:6
Deut. 10:8
‘Laat de stam Levi komen om zich in dienst te stellen van Aäron: zij moeten hem, de priester, behulpzaam zijn. 7Ze moeten zijn taken en die van de hele gemeenschap op zich nemen door in de ruimte voor de ontmoetingstent dienst te doen en werkzaamheden bij de tabernakel te verrichten. 8Zij dragen zorg voor alle voorwerpen die bij de ontmoetingstent horen en verrichten namens de Israëlieten werkzaamheden bij de tabernakel. 9
3:9
Num. 8:14-19
Stel de Levieten volledig ter beschikking van Aäron en zijn zonen, zij moeten hem namens alle Israëlieten ten dienste staan. 10
3:10
Num. 1:51
Aäron en zijn zonen zelf moet je opdragen het priesterschap uit te oefenen. Iedere onbevoegde die te dicht bij het heiligdom komt zal gedood worden.’

11De HEER zei tegen Mozes: 12‘Ik maak de Levieten tot mijn eigendom. Zij zullen mij toebehoren in plaats van alle eerstgeboren Israëlieten, allen die als eerste de moederschoot verlaten. 13

3:13
Ex. 13:2
Num. 8:17
Elke eerstgeborene komt mij immers toe: op de dag dat ik de eerstgeborenen in Egypte doodde, heb ik alle eerstgeborenen van Israël, zowel van de mensen als van de dieren, voor mijzelf bestemd. Mij behoren ze toe. Ik ben de HEER.’

14

3:14-16
Num. 26:57-62
Ook zei de HEER in de Sinaiwoestijn tegen Mozes: 15‘Schrijf de Levieten in, geordend naar familie en geslacht. Alle mannelijke personen van één maand en ouder moeten worden ingeschreven.’ 16Hierop schreef Mozes hen in, zoals de HEER hem geboden had.

17

3:17-20
Ex. 6:16-19
3:17
Gen. 46:11
Dit zijn de namen van de zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. 18-20De zonen van Gerson heetten Libni en Simi. De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. De zonen van Merari: Machli en Musi. Naar hen werden de verschillende geslachten genoemd. Dit waren de geslachten van de Levieten, die elk weer onderverdeeld waren in families.

21Van Gerson stamden de Libnieten en de Simieten af; dit waren de geslachten van de Gersonieten. 22Het aantal mannelijke personen van één maand en ouder dat werd ingeschreven, bedroeg 7500. 23De Gersonieten sloegen hun kamp op achter de tabernakel, aan de westkant. 24Hun leider was Eljasaf, de zoon van Laël. 25De Gersonieten hadden wat de ontmoetingstent betreft de zorg voor de tabernakel, de tent daaroverheen en de dekkleden, het gordijn voor de ingang van de ontmoetingstent, 26de doeken waarmee de ruimte rond de tabernakel en het altaar afgeschermd was, het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, en de touwen. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk.

27Van Kehat stamden de Amramieten, Jisharieten, Chebronieten en Uzziëlieten af; dat waren de geslachten van de Kehatieten. 28Het aantal mannelijke personen van één maand en ouder bedroeg 8600. Zij hadden de zorg voor de heilige ruimte. 29De Kehatieten sloegen hun kamp op aan een van de lange zijden van de tabernakel, en wel aan de zuidkant. 30Hun leider was Elisafan, de zoon van Uzziël. 31Zij hadden de zorg voor de ark, de tafel, de lampenstandaard, de altaren, de heilige voorwerpen die bij de dienst gebruikt werden en het voorhangsel. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk. 32Aan het hoofd van de leiders van de Levieten stond Eleazar, de zoon van de priester Aäron. Hij hield toezicht op degenen die de zorg voor de heilige ruimte hadden.

33Van Merari stamden de Machlieten en de Musieten af; dat waren de geslachten van de Merarieten. 34Het aantal mannelijke personen van één maand en ouder dat werd ingeschreven, bedroeg 6200. 35Hun leider was Suriël, de zoon van Abichaïl. Zij sloegen hun kamp op aan de andere lange zijde van de tabernakel, aan de noordkant. 36De Merarieten waren belast met de zorg voor de planken van de tabernakel, de dwarsbalken, palen en voetstukken en wat daarbij hoorde. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk. 37Ook droegen ze zorg voor de palen van de afgeschermde ruimte, voor de voetstukken, de pinnen en de touwen.

38

3:38
Num. 1:51
Aan de voorzijde van de tabernakel, aan de oostkant, waar de zon opkomt, sloegen Mozes en Aäron en zijn zonen hun tenten op. Zij verzorgden namens de Israëlieten de dienst in het heiligdom. Iedere onbevoegde die te dicht bij het heiligdom kwam, werd gedood.

39Het totale aantal mannelijke Levieten van één maand en ouder dat Mozes samen met Aäron in opdracht van de HEER inschreef, geordend naar geslacht, bedroeg 22.000.

40De HEER zei tegen Mozes: ‘Leg een lijst aan van alle mannelijke eerstgeboren Israëlieten van één maand en ouder en stel hun aantal vast. 41

3:41
Num. 3:12
In de plaats van de eerstgeboren Israëlieten moet je de Levieten voor mij afzonderen, en in de plaats van het eerstgeboren vee van de Israëlieten moet je het vee van de Levieten afzonderen. Ik ben de HEER.’ 42Mozes telde de eerstgeboren Israëlieten, zoals de HEER hem had opgedragen. 43Het totale aantal mannelijke eerstgeborenen van één maand en ouder bedroeg 22.273.

44De HEER zei tegen Mozes: 45‘Zonder de Levieten voor mij af in de plaats van de eerstgeboren Israëlieten, en het vee van de Levieten in de plaats van het vee van de Israëlieten. De Levieten behoren mij toe. Ik ben de HEER. 46-47Voor elk van de tweehonderddrieënzeventig eerstgeboren Israëlieten die het aantal Levieten te boven gaan, moet je als losgeld vijf sjekel innen, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel. 48Draag dat geld af aan Aäron en zijn zonen, als losprijs voor hen die overblijven.’ 49-50Mozes inde het losgeld voor de eerstgeboren Israëlieten die het aantal dat door de Levieten was vrijgekocht te boven gingen; hij nam dertienhonderdvijfenzestig sjekel in ontvangst, volgens het ijkgewicht van het heiligdom. 51Hij gaf dit losgeld aan Aäron en zijn zonen, zoals de HEER hem geboden had.

4

41De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 2-3‘Houd onder de Levieten een telling van de Kehatieten die tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn en verplicht zijn werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. Tel hen per geslacht en per familie. 4De Kehatieten hebben als taak zorg te dragen voor het allerheiligste in de ontmoetingstent. 5Wanneer het kamp wordt opgebroken, moeten Aäron en zijn zonen het voorhangsel losmaken en er de ark met de verbondstekst mee bedekken. 6Ze leggen er een kleed van zeekoevellen overheen, spreiden daarover een geheel blauwpurperen kleed en brengen de draagbomen aan. 7Ook over de tafel voor de toonbroden moeten ze een blauwpurperen kleed spreiden; daar moet het voortdurend aanwezige brood op liggen. De schotels, schalen en kommen en de kannen voor de wijnoffers zetten ze op het kleed. 8Daaroverheen spreiden ze een karmozijnrood kleed en een kleed van zeekoevellen, en ze brengen de draagbomen aan. 9Met een blauwpurperen kleed moeten ze de lampenstandaard bedekken, de bijbehorende lampen, snuiters en bakjes en alle olievaatjes die erbij gebruikt worden. 10Vervolgens zetten ze de standaard en alles wat erbij hoort op een draagbaar waarover een kleed van zeekoevellen ligt. 11Over het gouden altaar spreiden ze een blauwpurperen kleed. Dit bedekken ze met een kleed van zeekoevellen, en ze brengen de draagbomen aan. 12Alle voorwerpen die ze bij de dienst in het heiligdom gebruiken, moeten ze op een blauwpurperen kleed leggen, met een kleed van zeekoevellen bedekken en op een draagbaar leggen. 13Ze verwijderen de as van het brandofferaltaar, spreiden er een roodpurperen kleed over, 14leggen daarop alle voorwerpen die erbij gebruikt worden – de vuurbakken, vorken, scheppen en offerschalen, kortom, al het altaargerei –, spreiden daar een kleed van zeekoevellen over en brengen de draagbomen aan. 15Pas als Aäron en zijn zonen bij het opbreken van het kamp klaar zijn met het bedekken van het heiligdom en alle heilige voorwerpen, mogen de Kehatieten komen om ze te dragen. Zij mogen het heiligdom niet aanraken, anders sterven ze. Dat zijn de voorwerpen uit de ontmoetingstent die de Kehatieten moeten dragen. 16

4:16
Ex. 27:20-21
30:23-25,35
Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft het toezicht op de olie voor het licht, op het geurige reukwerk, het dagelijkse graanoffer en de zalfolie. Hij heeft het toezicht op de tabernakel en alles wat zich daarin bevindt, op het hele heiligdom en alle bijbehorende voorwerpen.’ 17De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 18‘Zorg ervoor dat de Kehatitische tak van de Levieten niet wordt uitgeroeid. 19Om te voorkomen dat zij te dicht bij het allerheiligste komen en sterven, moeten jullie het volgende doen: Aäron en zijn zonen komen bij hen en wijzen ieder van hen toe wat hij moet dragen. 20Zelf mogen ze het heilige niet binnengaan, want als ze er ook maar een glimp van zouden opvangen, zouden ze sterven.’

21De HEER zei tegen Mozes: 22‘Tel ook de Gersonieten, per familie en per geslacht. 23Schrijf allen in die tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn en verplicht zijn werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. 24De Gersonieten hebben bij het vervoer de volgende taak: 25zij dragen de kleden van de tabernakel en van de tent daaroverheen, het dekkleed en het kleed van zeekoevellen dat daaroverheen ligt, het gordijn voor de ingang van de ontmoetingstent, 26de doeken van de ruimte die rond de tabernakel en het altaar afgeschermd is en het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, met de touwen en alles wat er verder bij hoort. Alle werkzaamheden die hiermee verband houden, maken deel uit van hun taak. 27Alle taken die de Gersonieten bij het vervoer hebben, moeten worden verricht volgens de aanwijzingen van Aäron en zijn zonen, en jijzelf moet nauwkeurig aangeven wat ze moeten dragen. 28Dit is de taak die de Gersonieten bij het vervoer van de ontmoetingstent hebben. Ze moeten hun werk verrichten onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.

29Wat de Merarieten betreft, ook hen moet je geordend naar geslacht en familie inschrijven, 30en wel allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud zijn en verplicht zijn werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. 31De taak die zij bij het vervoer van de ontmoetingstent hebben, is het dragen van de planken van de tabernakel, de dwarsbalken, de palen en voetstukken, 32en de palen van de omheining, met de pinnen en de touwen en wat er verder bij hoort. Alles wat hiermee te maken heeft, is hun werk. Leg een lijst aan van alle voorwerpen waarvoor zij bij het vervoer zorg moeten dragen. 33Dit is de taak die de Merarieten bij het vervoer van de ontmoetingstent hebben. Ze moeten die verrichten onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron.’

34Mozes, Aäron en de leiders van de gemeenschap schreven, geordend naar geslacht en familie, alle Kehatieten in 35die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten. 36Het aantal ingeschrevenen, geordend naar geslacht, bedroeg 2750. 37Dit was het aantal Kehatieten dat werkzaam was bij de ontmoetingstent en dat door Mozes en Aäron werd ingeschreven, zoals de HEER het Mozes geboden had.

38Het aantal Gersonieten dat, geordend naar geslacht en familie, werd ingeschreven, 39allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten, 40dit aantal ingeschrevenen, geordend naar geslacht en familie, bedroeg 2630. 41Dit was het aantal Gersonieten dat werkzaam was bij de ontmoetingstent en dat door Mozes en Aäron werd ingeschreven, zoals de HEER geboden had.

42Het aantal Merarieten dat, geordend naar geslacht en familie, werd ingeschreven, 43allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten, 44dit aantal ingeschrevenen, geordend naar geslacht, bedroeg 3200. 45Dit was het aantal Merarieten dat door Mozes en Aäron werd ingeschreven, zoals de HEER het Mozes geboden had.

46Het totale aantal Levieten dat door Mozes, Aäron en de leiders van de Israëlieten werd ingeschreven, geordend naar geslacht en familie, 47allen die tussen de dertig en vijftig jaar oud waren en verplicht waren werkzaamheden bij de ontmoetingstent te verrichten en te helpen bij het dragen ervan, 48dit aantal bedroeg 8580. 49Zoals de HEER had geboden, werden ze onder leiding van Mozes ingeschreven overeenkomstig de taak die ieder van hen bij het vervoer had. Zo had de HEER het Mozes opgedragen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]