Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
26

261

26:1-51
Num. 1:1-46
zei de HEER tegen Mozes en Eleazar, de zoon van de priester Aäron: 2‘Houd onder heel Israël een telling van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder. Tel hen per familie.’ 3-4Mozes en de priester Eleazar riepen alle mannen van twintig jaar en ouder bijeen, in de vlakte van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho, zoals de HEER Mozes had opgedragen.

Dit waren de nakomelingen van de Israëlieten die weggetrokken waren uit Egypte:

5

26:5
Gen. 46:8-9
De stam Ruben, Israëls eerstgeborene. Afstammelingen van Ruben: van Chanoch stamde het geslacht van de Chanochieten af, van Pallu het geslacht van de Palluïeten, 6van Chesron het geslacht van de Chesronieten, van Karmi het geslacht van de Karmieten. 7Dit waren de geslachten van de Rubenieten; het aantal ingeschrevenen bedroeg 43.730. 8Pallu had een zoon,26:8 een zoon – Voorgestelde lezing. MT: ‘zonen’. Eliab, 9
26:9
Num. 16:1-17:15
en de zonen van Eliab waren Nemuel, Datan en Abiram. Deze Datan en Abiram, zeer aanzienlijke Israëlieten, waren het die zich met de aanhang van Korach tegen Mozes en Aäron verzet hadden en in opstand waren gekomen tegen de HEER. 10De aarde had haar mond geopend en hen met Korach opgeslokt, terwijl zijn tweehonderdvijftig aanhangers de dood vonden door een verterend vuur. Zo waren zij een afschrikwekkend voorbeeld geworden. 11Korachs zonen waren echter niet omgekomen.

12

26:12
Gen. 46:10
Afstammelingen van Simeon, geordend naar geslacht: van Nemuel stamde het geslacht van de Nemuelieten af, van Jamin het geslacht van de Jaminieten, van Jachin het geslacht van de Jachinieten, 13van Zerach het geslacht van de Zarchieten, van Saül het geslacht van de Saülieten. 14Dit waren de geslachten van de Simeonieten – 22.200.

15

26:15
Gen. 46:16
Afstammelingen van Gad, geordend naar geslacht: van Sefon stamde het geslacht van de Sefonieten af, van Chaggi het geslacht van de Chaggieten, van Suni het geslacht van de Sunieten, 16van Ozni het geslacht van de Oznieten, van Eri het geslacht van de Erieten, 17van Arod het geslacht van de Arodieten, van Areli het geslacht van de Arelieten. 18Dit waren de geslachten van de Gadieten – 40.500 ingeschrevenen.

19

26:19
Gen. 38:6-10
46:12
Zonen van Juda: Er en Onan. Zowel Er als Onan was in Kanaän gestorven. 20
26:20
Gen. 38:27-30
Afstammelingen van Juda, geordend naar geslacht: van Sela stamde het geslacht van de Selanieten af, van Peres het geslacht van de Parsieten, van Zerach het geslacht van de Zarchieten. 21Afstammelingen van Peres: van Chesron stamde het geslacht van de Chesronieten af, van Chamul het geslacht van de Chamulieten. 22Dit waren de geslachten van Juda – 76.500 ingeschrevenen.

23

26:23
Gen. 46:13
Recht. 10:1-2
Afstammelingen van Issachar, geordend naar geslacht: van Tola stamde het geslacht van de Tolaïeten af, van Puwwa het geslacht van de Punieten, 24van Jasub het geslacht van de Jasubieten, van Simron het geslacht van de Simronieten. 25Dit waren de geslachten van Issachar – 64.300 ingeschrevenen.

26

26:26
Gen. 46:14
Recht. 12:11-12
Afstammelingen van Zebulon, geordend naar geslacht: van Sered stamde het geslacht van de Sardieten af, van Elon het geslacht van de Elonieten, van Jachleël het geslacht van de Jachleëlieten. 27Dit waren de geslachten van de Zebulonieten – 60.500 ingeschrevenen.

28

26:28
Gen. 46:20
Zonen van Jozef: Manasse en Efraïm. Van beiden stamden verschillende geslachten af. 29
26:29
Joz. 17:1
1 Kron. 7:14
Afstammelingen van Manasse: van Machir stamde het geslacht van de Machirieten af, Machir verwekte Gilead, en van Gilead stamde het geslacht van de Gileadieten af. 30Dit waren de afstammelingen van Gilead: van Iëzer stamde het geslacht van de Iëzrieten af, van Chelek het geslacht van de Chelkieten, 31van Asriël het geslacht van de Asriëlieten, van Sechem het geslacht van de Sichmieten, 32van Semida het geslacht van de Semidaïeten, van Chefer het geslacht van de Chefrieten. 33Chefers zoon Selofchad had geen zonen maar wel dochters. De namen van de dochters van Selofchad waren Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa. 34Dit waren de geslachten van Manasse; het aantal ingeschrevenen bedroeg 52.700. 35Afstammelingen van Efraïm, geordend naar geslacht: van Sutelach stamde het geslacht van de Sutalchieten af, van Becher het geslacht van de Bachrieten, van Tachan het geslacht van de Tachanieten. 36Afstammelingen van Sutelach: van Eran stamde het geslacht van de Eranieten af. 37Dit waren de geslachten van de Efraïmieten – 32.500 ingeschrevenen. Dit waren de nakomelingen van Jozef, geordend naar geslacht.

38Afstammelingen van Benjamin, geordend naar geslacht: van Bela stamde het geslacht van de Balieten af, van Asbel het geslacht van de Asbelieten, van Achiram het geslacht van de Achiramieten, 39van Sefufam het geslacht van de Sufamieten, van Chufam het geslacht van de Chufamieten. 40De zonen van Bela waren Ard en Naäman. Van Ard stamde het geslacht van de Ardieten af, van Naäman het geslacht van de Naämieten. 41Dit waren de afstammelingen van Benjamin, geordend naar geslacht; het aantal ingeschrevenen bedroeg 45.600.

42

26:42
Gen. 46:23
Afstammelingen van Dan, geordend naar geslacht: van Sucham stamde het geslacht van de Suchamieten af. Dit waren de geslachten van Dan. 43Voor de geslachten van de Suchamieten bedroeg het aantal ingeschrevenen 64.400.

44

26:44
Gen. 46:17
Afstammelingen van Aser, geordend naar geslacht: van Jimna stamde het geslacht Jimna af, van Jiswi het geslacht van de Jiswieten, van Beria het geslacht van de Beriieten. 45Wat de afstammelingen van Beria betreft: van Cheber stamde het geslacht van de Chebrieten af, van Malkiël het geslacht van de Malkiëlieten. 46De naam van de dochter van Aser was Serach. 47Dit waren de geslachten van de Aserieten – 53.400 ingeschrevenen.

48

26:48
Gen. 46:24
Afstammelingen van Naftali, geordend naar geslacht: van Jachseël stamde het geslacht van de Jachseëlieten af, van Guni het geslacht van de Gunieten, 49van Jeser het geslacht van de Jisrieten, van Sillem het geslacht van de Sillemieten. 50Dit waren de Naftalieten, geordend naar geslacht; het aantal ingeschrevenen bedroeg 45.400.

51

26:51
Num. 2:32
11:21
Het aantal ingeschreven Israëlieten bedroeg 601.730.

52De HEER zei tegen Mozes: 53-54

26:53-56
Num. 33:54
‘Het land moet onder deze stammen verdeeld worden overeenkomstig het aantal ingeschrevenen: geef een grote stam een groot gebied als erfelijk bezit, een kleine stam een klein gebied. 55Het lot zal beslissen hoe het land verdeeld moet worden en welk gebied elke stam, overeenkomstig het aantal ingeschrevenen, toegewezen krijgt; 56
26:56
Num. 34:13
Joz. 14:1-2
het lot beslist over de toewijzing van zowel de grote als de kleine stamgebieden.’

57

26:57
Gen. 46:11
Ex. 6:16-18
Dit waren de ingeschrevenen van de Levieten, geordend naar geslacht: afstammend van Gerson het geslacht van de Gersonieten, van Kehat het geslacht van de Kehatieten, van Merari het geslacht van de Merarieten. 58Dit waren de geslachten van Levi: het geslacht van de Libnieten, het geslacht van de Chebronieten, het geslacht van de Machlieten, het geslacht van de Musieten, het geslacht van de Korchieten. Kehat verwekte Amram. 59
26:59
Ex. 6:20
De naam van de vrouw van Amram was Jochebed. Zij was een dochter van Levi, wiens vrouw haar in Egypte gebaard had, en zij baarde aan Amram Aäron, Mozes en hun zuster Mirjam. 60
26:60
Num. 3:2
Aäron kreeg de volgende zonen: Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar. 61
26:61
Lev. 10:1-2
Num. 3:4
Nadab en Abihu stierven toen zij de HEER vuur hadden aangeboden dat niet aan de voorschriften voldeed. 62
26:62
Num. 3:15,39
18:20-24
Het aantal ingeschreven Levieten, te weten alle mannelijke personen van één maand en ouder, bedroeg 23.000. Zij werden apart van de andere Israëlieten ingeschreven, omdat aan hen geen grondgebied werd toegewezen, zoals aan de anderen.

63Dit waren de Israëlieten die door Mozes en de priester Eleazar in de vlakte van Moab werden ingeschreven, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho. 64Onder hen bevond zich niemand van degenen die door Mozes en de priester Aäron waren ingeschreven in de Sinaiwoestijn, 65

26:65
Num. 14:20-38
want de HEER had gezegd dat ze allemaal in de woestijn zouden sterven. Er was niemand van hen overgebleven, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

27

Erfrecht van vrouwen

271-2

27:1-7
Joz. 17:3-4
27:1-2
Num. 26:33
De dochters van Selofchad, die tot een geslacht behoorden dat van Jozefs zoon Manasse afstamde – Selofchad was een zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse – kwamen naar de ingang van de ontmoetingstent en wendden zich tot Mozes, de priester Eleazar, de leiders en het hele volk. Deze vrouwen, Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa genaamd, legden hun het volgende voor: 3‘Onze vader is in de woestijn gestorven. Hij behoorde niet tot de aanhangers van Korach, die tegen de HEER in opstand kwamen, maar is om zijn eigen zonden gestorven. Hij had geen zonen. 4Moet de naam van onze vader nu uit de familie verdwijnen omdat hij geen zoon heeft nagelaten? Wijst u ons, net als de broers van onze vader, een stuk grond toe.’ 5Mozes legde hun zaak aan de HEER voor, 6en de HEER zei tegen Mozes: 7
27:7
Num. 36:2
‘Selofchads dochters hebben gelijk. Je moet hun inderdaad een stuk grond in bezit geven, net als de broers van hun vader. Wat hun vader toekwam moet op hen overgaan. 8En zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer iemand sterft zonder een zoon na te laten, moet zijn bezit overgaan op zijn dochter. 9Heeft hij geen dochter, dan moet zijn bezit aan zijn broers gegeven worden. 10Heeft hij geen broers, dan moet zijn bezit aan de broers van zijn vader gegeven worden. 11Heeft zijn vader geen broers, dan moet zijn bezit aan zijn naaste bloedverwant gegeven worden; dat is dan zijn erfgenaam. Dit is een wettelijke bepaling voor alle Israëlieten, door de HEER aan Mozes gegeven.”’

Mozes draagt de leiding over aan Jozua

12

27:12-23
Deut. 3:23-28
31:1-8,23
27:12-13
Deut. 32:48-52
De HEER zei tegen Mozes: ‘Beklim het Abarimgebergte, zodat je kunt uitkijken over het land dat ik de Israëlieten geef. 13Wanneer je het gezien hebt, zul je met je voorouders verenigd worden, net als je broer Aäron. 14
27:14
Num. 20:2-13
Dat is omdat jullie in de woestijn van Sin, toen de Israëlieten met verwijten kwamen over water, tegen mijn bevel zijn ingegaan en in hun bijzijn geen ontzag hebben getoond voor mijn heiligheid.’ (Dat was het water van Meribat-Kades in de woestijn van Sin.) 15Mozes antwoordde de HEER: 16‘Moge de HEER, de God die aan al wat leeft de levensadem schenkt, dan iemand over het volk aanstellen 17
27:17
1 Kon. 22:17
Ezech. 34:5
Zach. 10:2
Mat. 9:36
Marc. 6:34
die het kan leiden en de troepen kan aanvoeren, zodat het volk van de HEER niet wordt als een kudde schapen zonder herder.’ 18De HEER zei tegen Mozes: ‘Laat Jozua, de zoon van Nun, bij je komen; hij is een man die geestkracht bezit. Leg hem de hand op 19en laat hem plaatsnemen voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap. Draag in ieders aanwezigheid de leiding aan hem over 20
27:20
Joz. 1:16-17
en laat hem delen in het aanzien dat jij geniet. Dan zal heel Israël hem voortaan gehoorzamen. 21
27:21
Ex. 28:30
Deut. 33:8
Wanneer er een beslissing moet worden genomen, moet hij zich tot de priester Eleazar wenden, en die raadpleegt dan ten overstaan van de HEER de orakelstenen. Zijn uitspraak bepaalt of Jozua met de andere Israëlieten een veldtocht moet ondernemen of niet.’

22Mozes deed wat de HEER hem had opgedragen: hij liet Jozua bij zich komen, liet hem plaatsnemen voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap, 23

27:23
Deut. 34:9
legde hem de handen op en droeg de leiding aan hem over. Zo had de HEER het bij monde van Mozes bevolen.

28

Dagelijkse offers en offers op hoogtijdagen

281

28:1-29:39
Lev. 23:1-44
De HEER zei tegen Mozes: 2‘Laat de Israëlieten ervoor zorgen dat ze mij op de vastgestelde tijden mijn offers brengen, het voedsel dat mij wordt aangeboden als een geurige gave die mij behaagt.

3

28:3-8
Ex. 29:38-42
Zeg tegen hen: “Elke dag moet u de HEER een offergave aanbieden. Draag hem dagelijks twee eenjarige rammen zonder enig gebrek als brandoffer op, 4de ene ram ’s morgens, de andere tegen het vallen van de avond, 5met een graanoffer van een tiende efa tarwebloem vermengd met een kwart hin zuivere olijfolie. 6Dit is een brandoffer dat u dagelijks moet brengen en dat op de Sinai is ingesteld; het is een geurige gave die de HEER behaagt. 7Bij de eerste ram hoort een wijnoffer van een kwart hin wijn. De wijn die de HEER geofferd wordt, moet in het heiligdom worden uitgegoten. 8De tweede ram offert u tegen het vallen van de avond, met eenzelfde graanoffer en eenzelfde wijnoffer als ’s morgens, een geurige gave die de HEER behaagt.

9Op sabbat biedt u twee eenjarige rammen zonder enig gebrek aan, met een graanoffer van twee tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, en het bijbehorende wijnoffer. 10Dit brandoffer moet elke sabbat gebracht worden, naast het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende wijnoffer.

11Bij elke nieuwemaan moet u de HEER als brandoffer twee stieren, een volwassen ram en zeven eenjarige rammen zonder enig gebrek opdragen. 12Bij elke stier komt een graanoffer van drie tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, bij de volwassen ram een graanoffer van twee tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, 13en bij elke jonge ram een graanoffer van één tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie. Dit alles is bestemd als brandoffer, als een geurige gave die de HEER behaagt. 14De bijbehorende wijnoffers zijn een halve hin wijn bij elke stier, een derde hin bij de volwassen ram en een kwart hin bij elke jonge ram. Dit is het maandelijkse brandoffer; het moet elke maand van het jaar gebracht worden. 15Ook moet als reinigingsoffer een bok aan de HEER worden opgedragen, naast het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende wijnoffer.

16

28:16-25
Ex. 12:1-20
Deut. 16:1-8
28:16-17
Deut. 16:3-8
28:16
Ezech. 45:21
Op de veertiende dag van de eerste maand wordt ter ere van de HEER het pesachoffer bereid. 17
28:17
Ex. 23:15
34:18
En op de vijftiende dag van die maand begint het feest waarop er zeven dagen lang ongedesemd brood gegeten wordt. 18De eerste dag moet u als heilige dag samen vieren; u mag dan niet werken. 19Draag de HEER als brandoffer twee stieren, een volwassen ram en zeven eenjarige rammen op; ze mogen geen enkel gebrek hebben. 20Bied daarbij een graanoffer aan van tarwebloem vermengd met olijfolie: drie tiende efa bij elke stier, twee tiende efa bij de volwassen ram 21en één tiende efa bij elk van de zeven jonge rammen. 22Ook moet u, als reinigingsoffer, een bok aanbieden, om verzoening voor uw zonden te bewerken. 23Deze offers komen niet in mindering op het brandoffer dat elke morgen gebracht wordt. 24Elk van de zeven dagen moet u dit voedsel als offergave aanbieden, een geurige gave die de HEER behaagt. Met het bijbehorende wijnoffer moet het naast het dagelijkse brandoffer worden aangeboden. 25De zevende dag moet u als heilige dag samen vieren; u mag dan niet werken.

26

28:26-31
Deut. 16:9-11
28:26
Ex. 23:16
34:22
Ook de dag van de eerste opbrengst, de dag van het Wekenfeest, waarop u de HEER een graanoffer uit de nieuwe oogst aanbiedt, moet u als heilige dag samen vieren; u mag dan niet werken. 27Bied die dag als brandoffer, als een geurige gave die de HEER behaagt, twee stieren aan, een volwassen ram en zeven eenjarige rammen, 28met het bijbehorende graanoffer van tarwebloem vermengd met olijfolie: drie tiende efa bij elke stier, twee tiende efa bij de volwassen ram, 29en één tiende efa bij elk van de zeven jonge rammen. 30Bied ook een bok aan, om verzoening voor u te bewerken. 31De dieren mogen geen enkel gebrek hebben. Deze offers, met de bijbehorende wijnoffers, komen niet in mindering op het dagelijkse brandoffer en het daarbij horende graanoffer.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]