Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
25

Israƫl vereert de BaƤl van de Peor

251

25:1-18
Num. 31:1-16
Deut. 4:3
Ps. 106:28-31
Toen de Israƫlieten in Sittim verbleven, begonnen ze zich in te laten met Moabitische vrouwen. 2Deze vrouwen nodigden hen uit voor de offerplechtigheden ter ere van hun goden, en het volk at van de offers en boog zich voor die goden neer. 3
25:3
Hos. 9:10
Zo gaf IsraĆ«l zich af met de BaƤl van de Peor. Daarom ontstak de HEER in woede tegen IsraĆ«l. 4ā€˜Laat alle familiehoofden van het volk in het openbaar terechtstellen en ophangen, ten overstaan van de HEER,ā€™ zei hij tegen Mozes. ā€˜Dan zal de HEER zijn brandende toorn tegen IsraĆ«l laten varen.ā€™ 5
25:5
Ex. 18:25-26
Hierop droeg Mozes de rechters van Israƫl op om allen die onder hun bevoegdheid vielen en zich hadden afgegeven met de BaƤl van de Peor te doden.

6Terwijl Mozes en heel Israƫl bij de ingang van de ontmoetingstent aan het weeklagen waren, bracht een van de Israƫlitische mannen voor hun ogen toch nog een Midjanitische vrouw naar zijn tent. 7

25:7
Ex. 6:25
Toen Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester AƤron, dat zag, stond hij op, greep een speer, 8volgde de Israƫliet tot in zijn slaapvertrek en doorstak hem en de vrouw, dwars door hun onderbuik. Op hetzelfde moment werden de Israƫlieten van de plaag verlost. 9
25:9
1 Kor. 10:8
Aan vierentwintigduizend mensen had de plaag het leven gekost. 10De HEER zei tegen Mozes: 11ā€˜Dankzij Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester AƤron, heb ik mijn woede tegen de IsraĆ«lieten laten varen. Omdat hij bij de IsraĆ«lieten voor mij is opgekomen, heb ik hen niet allemaal in mijn afgunst om het leven gebracht. 12
25:12-13
Ex. 32:25-29
25:12
Mal. 2:5
Sir. 45:23-26
Maak daarom bekend dat ik een vriendschapsverbond met hem sluit: 13ik beloof dat hij en zijn nakomelingen voor altijd het priesterschap zullen bekleden, omdat hij voor zijn God is opgekomen en verzoening voor de IsraĆ«lieten bewerkt heeft.ā€™ 14De IsraĆ«liet die samen met de Midjanitische vrouw gedood was, heette Zimri. Hij was een zoon van Salu, die aan het hoofd van een Simeonitische familie stond. 15De Midjanitische vrouw die gedood was, heette Kozbi. Zij was een dochter van Sur, een Midjanitisch stamhoofd. 16De HEER zei tegen Mozes: 17ā€˜Behandel de Midjanieten als jullie vijanden en dood hen, 18want zij hebben jullie als hun vijanden behandeld door sluwe plannen tegen jullie te smeden; dat is gebleken uit de gebeurtenissen bij de Peor en ook uit wat er is voorgevallen met Kozbi, de dochter van een Midjanitische leider, iemand van hun eigen volk, die gedood werd tijdens de plaag die op de gebeurtenissen bij de Peor volgde.ā€™

De Israƫlieten opnieuw geteld

19Na de plaag