Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

Telling van de Israëlieten

11

1:1-46
Num. 26:1-51
Op de eerste dag van de tweede maand, in het tweede jaar na het vertrek van de Israëlieten uit Egypte, richtte de HEER zich in de Sinaiwoestijn tot Mozes. Hij sprak tegen hem in de ontmoetingstent en zei: 2-3‘Houd onder heel Israël een telling van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder. Tel hen hoofdelijk en schrijf hen met naam en toenaam in, geordend naar geslacht en familie en ingedeeld naar de legerafdelingen waartoe ze behoren. Doe dit samen met Aäron. 4Uit elke stam moet iemand die aan het hoofd van een familie staat jullie daarbij behulpzaam zijn. 5
1:5-16
Num. 10:13-28
1:5
Num. 2:10
7:30
10:18
Dit zijn degenen die jullie zullen helpen: uit de stam Ruben Elisur, de zoon van Sedeür; 6uit Simeon Selumiël, de zoon van Surisaddai; 7
1:7
Num. 2:3
Ruth 4:20
Mat. 1:4
Luc. 3:32-33
uit Juda Nachson, de zoon van Amminadab; 8uit Issachar Netanel, de zoon van Suar; 9uit Zebulon Eliab, de zoon van Chelon; 10wat de nakomelingen van Jozef betreft: uit Efraïm Elisama, de zoon van Ammihud, en uit Manasse Gamliël, de zoon van Pedasur; 11uit Benjamin Abidan, de zoon van Gidoni; 12uit Dan Achiëzer, de zoon van Ammisaddai; 13uit Aser Pagiël, de zoon van Ochran; 14
1:14
Num. 2:14
7:42
uit Gad Eljasaf, de zoon van Deüel; 15uit Naftali Achira, de zoon van Enan. 16
1:16
Ex. 18:25
Dit zijn de Israëlieten die het meeste aanzien genieten; ieder van hen komt aan het hoofd van een stam te staan en krijgt het bevel over de legereenheden van die stam.’

17Mozes en Aäron riepen de mannen die hun genoemd waren bij zich, 18en nog diezelfde dag, de eerste dag van de tweede maand, lieten ze de voltallige gemeenschap bijeenkomen. Alle mannen van twintig jaar en ouder werden met naam en toenaam geregistreerd, geordend naar geslacht en familie, 19zoals de HEER het Mozes had opgedragen. Hij stelde in de Sinaiwoestijn de volgende aantallen vast:

20Afstammelingen van Ruben, Israëls eerstgeborene, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, hoofdelijk geteld en met naam en toenaam geregistreerd, geordend naar geslacht en familie – 21aantal ingeschrevenen voor de stam Ruben: 46.500.

22Afstammelingen van Simeon, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, hoofdelijk geteld en met naam en toenaam geregistreerd, geordend naar geslacht en familie – 23aantal ingeschrevenen voor de stam Simeon: 59.300.

24Afstammelingen van Gad, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie – 25aantal ingeschrevenen voor de stam Gad: 45.650.

26Afstammelingen van Juda, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie – 27aantal ingeschrevenen voor de stam Juda: 74.600.

28Afstammelingen van Issachar, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie – 29aantal ingeschrevenen voor de stam Issachar: 54.400.

30Afstammelingen van Zebulon, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie – 31aantal ingeschrevenen voor de stam Zebulon: 57.400.

32Nakomelingen van Jozef: afstammelingen van Efraïm, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie – 33aantal ingeschrevenen voor de stam Efraïm: 40.500; 34afstammelingen van Manasse, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie – 35aantal ingeschrevenen voor de stam Manasse: 32.200.

36Afstammelingen van Benjamin, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie – 37aantal ingeschrevenen voor de stam Benjamin: 35.400.

38Afstammelingen van Dan, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie – 39aantal ingeschrevenen voor de stam Dan: 62.700.

40Afstammelingen van Aser, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie – 41aantal ingeschrevenen voor de stam Aser: 41.500.

42Afstammelingen van Naftali, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, met naam en toenaam, geordend naar geslacht en familie – 43aantal ingeschrevenen voor de stam Naftali: 53.400.

44Dit waren de aantallen die Mozes noteerde, samen met Aäron en de twaalf leiders van de Israëlieten, die elk aan het hoofd van een familie stonden. 45Het aantal weerbare Israëlieten van twintig jaar en ouder dat ingeschreven werd, geordend naar families, 46

1:46
Ex. 12:37
38:26
Num. 2:32
11:21
bedroeg in totaal 603.550.

47

1:47
Num. 2:33
Degenen die tot de stam Levi behoorden werden niet ingeschreven. 48De HEER had namelijk tegen Mozes gezegd: 49‘De stam Levi mag je niet inschrijven, je mag hen niet met de andere Israëlieten meetellen. 50
1:50
Num. 3:6-8
Stel de Levieten aan over de tabernakel, waarin de verbondstekst bewaard wordt, en over alle bijbehorende voorwerpen. Zij moeten de tabernakel en alles wat erbij hoort dragen, ze zijn voor de tabernakel verantwoordelijk en moeten hun tenten eromheen opslaan. 51
1:51
Num. 3:10,38
Wanneer de tabernakel verplaatst moet worden, dienen de Levieten hem af te breken, en wanneer hij wordt neergezet, is het hun taak hem weer op te bouwen. Iedere onbevoegde die te dicht bij het heiligdom komt zal gedood worden. 52Wanneer de Israëlieten hun kamp opslaan, ieder bij zijn eigen afdeling en bij zijn eigen vaandel, 53moeten de Levieten hun tenten opslaan rond de tabernakel met de verbondstekst, om te voorkomen dat het volk door mijn toorn getroffen wordt. De Levieten moeten zorg dragen voor de tabernakel.’

54De Israëlieten deden alles wat de HEER Mozes had opgedragen.

2

Legering van de Israëlieten

21De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 2‘Wanneer de Israëlieten hun tenten opslaan, moeten ze dat doen rond de ontmoetingstent, op enige afstand ervan, ieder bij zijn eigen vaandel en bij de herkenningstekens van zijn familie.

3Aan de oostkant, waar de zon opkomt, moeten de afdelingen van Juda zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Judeeërs is Nachson, de zoon van Amminadab. 4Zijn leger is volgens de telling 74.600 man sterk. 5Aan dezelfde kant slaat de stam Issachar zijn tenten op. Hun aanvoerder is Netanel, de zoon van Suar. 6Zijn leger telt 54.400 man. 7Ook de stam Zebulon komt daar. Hun aanvoerder is Eliab, de zoon van Chelon. 8Zijn leger telt 57.400 man. 9In totaal tellen de legerafdelingen van Juda 186.400 man. Zij moeten steeds het eerst opbreken.

10Aan de zuidkant moeten de afdelingen van Ruben zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Rubenieten is Elisur, de zoon van Sedeür. 11Zijn leger is volgens de telling 46.500 man sterk. 12Aan dezelfde kant slaat de stam Simeon zijn tenten op. Hun aanvoerder is Selumiël, de zoon van Surisaddai. 13Zijn leger telt 59.300 man. 14Ook de stam Gad komt daar. Hun aanvoerder is Eljasaf, de zoon van Deüel.2:14 Deüel – Volgens de Samaritaanse Pentateuch en de Vulgata. MT: ‘Reüel’. 15Zijn leger telt 45.650 man. 16In totaal tellen de legerafdelingen van Ruben 151.450 man. Zij breken als tweede op.

17Het leger van de Levieten, met de ontmoetingstent, bevindt zich midden tussen de andere legerafdelingen wanneer het kamp wordt opgebroken. Zoals de Israëlieten gelegerd zijn, zo moeten ze ook verder trekken, ieder op de voor hem bepaalde plaats, bij zijn eigen vaandel.

18Aan de westkant moeten de afdelingen van Efraïm zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Efraïmieten is Elisama, de zoon van Ammihud. 19Zijn leger is volgens de telling 40.500 man sterk. 20Aan dezelfde kant komt de stam Manasse. Hun aanvoerder is Gamliël, de zoon van Pedasur. 21Zijn leger telt 32.200 man. 22Ook de stam Benjamin komt daar. Hun aanvoerder is Abidan, de zoon van Gidoni. 23Zijn leger telt 35.400 man. 24In totaal tellen de legerafdelingen van Efraïm 108.100 man. Zij breken als derde op.

25Aan de noordkant moeten de afdelingen van Dan zich bij hun vaandel legeren. Aanvoerder van de Danieten is Achiëzer, de zoon van Ammisaddai. 26Zijn leger is volgens de telling 62.700 man sterk. 27Aan dezelfde kant slaat de stam Aser zijn tenten op. Hun aanvoerder is Pagiël, de zoon van Ochran. 28Zijn leger telt 41.500 man. 29Ook de stam Naftali komt daar. Hun aanvoerder is Achira, de zoon van Enan. 30Zijn leger telt 53.400 man. 31In totaal tellen de legerafdelingen van Dan 157.600 man. Zij breken het laatst op, elke afdeling bij zijn eigen vaandel.’

32Het aantal Israëlieten dat ingeschreven was, geordend naar families, bedroeg voor het hele leger, voor alle afdelingen bij elkaar, 603.550. 33De Levieten waren niet met de andere Israëlieten meegeteld; zo had de HEER het Mozes opgedragen.

34De Israëlieten deden alles wat de HEER Mozes had opgedragen: allen legerden zich bij hun eigen vaandel, en zo trokken ze ook weer verder, ingedeeld naar geslacht en familie.

3

Telling van de Levieten; hun taken

31Dit waren de nakomelingen van Aäron en Mozes in de tijd dat de HEER op de Sinai met Mozes sprak. 2

3:2
Ex. 6:23
Num. 26:60
Dit zijn de namen van Aärons zonen: Nadab – de oudste –, Abihu, Eleazar en Itamar. 3Dit waren de namen van Aärons zonen; zij waren tot priester gezalfd, zij waren aangesteld om het priesterambt te bekleden. 4
3:4
Lev. 10:1-2
Num. 26:61
Nadab en Abihu waren bij het heiligdom gestorven toen ze de HEER in de Sinaiwoestijn vuur hadden aangeboden dat niet voldeed aan de voorschriften. Ze hadden geen zonen, zodat alleen Eleazar en Itamar overbleven om tijdens het leven van hun vader Aäron het priesterambt te bekleden.

5De HEER zei tegen Mozes: 6

3:6
Deut. 10:8
‘Laat de stam Levi komen om zich in dienst te stellen van Aäron: zij moeten hem, de priester, behulpzaam zijn. 7Ze moeten zijn taken en die van de hele gemeenschap op zich nemen door in de ruimte voor de ontmoetingstent dienst te doen en werkzaamheden bij de tabernakel te verrichten. 8Zij dragen zorg voor alle voorwerpen die bij de ontmoetingstent horen en verrichten namens de Israëlieten werkzaamheden bij de tabernakel. 9
3:9
Num. 8:14-19
Stel de Levieten volledig ter beschikking van Aäron en zijn zonen, zij moeten hem namens alle Israëlieten ten dienste staan. 10
3:10
Num. 1:51
Aäron en zijn zonen zelf moet je opdragen het priesterschap uit te oefenen. Iedere onbevoegde die te dicht bij het heiligdom komt zal gedood worden.’

11De HEER zei tegen Mozes: 12‘Ik maak de Levieten tot mijn eigendom. Zij zullen mij toebehoren in plaats van alle eerstgeboren Israëlieten, allen die als eerste de moederschoot verlaten. 13

3:13
Ex. 13:2
Num. 8:17
Elke eerstgeborene komt mij immers toe: op de dag dat ik de eerstgeborenen in Egypte doodde, heb ik alle eerstgeborenen van Israël, zowel van de mensen als van de dieren, voor mijzelf bestemd. Mij behoren ze toe. Ik ben de HEER.’

14

3:14-16
Num. 26:57-62
Ook zei de HEER in de Sinaiwoestijn tegen Mozes: 15‘Schrijf de Levieten in, geordend naar familie en geslacht. Alle mannelijke personen van één maand en ouder moeten worden ingeschreven.’ 16Hierop schreef Mozes hen in, zoals de HEER hem geboden had.

17

3:17-20
Ex. 6:16-19
3:17
Gen. 46:11
Dit zijn de namen van de zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. 18-20De zonen van Gerson heetten Libni en Simi. De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. De zonen van Merari: Machli en Musi. Naar hen werden de verschillende geslachten genoemd. Dit waren de geslachten van de Levieten, die elk weer onderverdeeld waren in families.

21Van Gerson stamden de Libnieten en de Simieten af; dit waren de geslachten van de Gersonieten. 22Het aantal mannelijke personen van één maand en ouder dat werd ingeschreven, bedroeg 7500. 23De Gersonieten sloegen hun kamp op achter de tabernakel, aan de westkant. 24Hun leider was Eljasaf, de zoon van Laël. 25De Gersonieten hadden wat de ontmoetingstent betreft de zorg voor de tabernakel, de tent daaroverheen en de dekkleden, het gordijn voor de ingang van de ontmoetingstent, 26de doeken waarmee de ruimte rond de tabernakel en het altaar afgeschermd was, het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, en de touwen. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk.

27Van Kehat stamden de Amramieten, Jisharieten, Chebronieten en Uzziëlieten af; dat waren de geslachten van de Kehatieten. 28Het aantal mannelijke personen van één maand en ouder bedroeg 8600. Zij hadden de zorg voor de heilige ruimte. 29De Kehatieten sloegen hun kamp op aan een van de lange zijden van de tabernakel, en wel aan de zuidkant. 30Hun leider was Elisafan, de zoon van Uzziël. 31Zij hadden de zorg voor de ark, de tafel, de lampenstandaard, de altaren, de heilige voorwerpen die bij de dienst gebruikt werden en het voorhangsel. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk. 32Aan het hoofd van de leiders van de Levieten stond Eleazar, de zoon van de priester Aäron. Hij hield toezicht op degenen die de zorg voor de heilige ruimte hadden.

33Van Merari stamden de Machlieten en de Musieten af; dat waren de geslachten van de Merarieten. 34Het aantal mannelijke personen van één maand en ouder dat werd ingeschreven, bedroeg 6200. 35Hun leider was Suriël, de zoon van Abichaïl. Zij sloegen hun kamp op aan de andere lange zijde van de tabernakel, aan de noordkant. 36De Merarieten waren belast met de zorg voor de planken van de tabernakel, de dwarsbalken, palen en voetstukken en wat daarbij hoorde. Alles wat hiermee te maken had, was hun werk. 37Ook droegen ze zorg voor de palen van de afgeschermde ruimte, voor de voetstukken, de pinnen en de touwen.

38

3:38
Num. 1:51
Aan de voorzijde van de tabernakel, aan de oostkant, waar de zon opkomt, sloegen Mozes en Aäron en zijn zonen hun tenten op. Zij verzorgden namens de Israëlieten de dienst in het heiligdom. Iedere onbevoegde die te dicht bij het heiligdom kwam, werd gedood.

39Het totale aantal mannelijke Levieten van één maand en ouder dat Mozes samen met Aäron in opdracht van de HEER inschreef, geordend naar geslacht, bedroeg 22.000.

40De HEER zei tegen Mozes: ‘Leg een lijst aan van alle mannelijke eerstgeboren Israëlieten van één maand en ouder en stel hun aantal vast. 41

3:41
Num. 3:12
In de plaats van de eerstgeboren Israëlieten moet je de Levieten voor mij afzonderen, en in de plaats van het eerstgeboren vee van de Israëlieten moet je het vee van de Levieten afzonderen. Ik ben de HEER.’ 42Mozes telde de eerstgeboren Israëlieten, zoals de HEER hem had opgedragen. 43Het totale aantal mannelijke eerstgeborenen van één maand en ouder bedroeg 22.273.

44De HEER zei tegen Mozes: 45‘Zonder de Levieten voor mij af in de plaats van de eerstgeboren Israëlieten, en het vee van de Levieten in de plaats van het vee van de Israëlieten. De Levieten behoren mij toe. Ik ben de HEER. 46-47Voor elk van de tweehonderddrieënzeventig eerstgeboren Israëlieten die het aantal Levieten te boven gaan, moet je als losgeld vijf sjekel innen, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel. 48Draag dat geld af aan Aäron en zijn zonen, als losprijs voor hen die overblijven.’ 49-50Mozes inde het losgeld voor de eerstgeboren Israëlieten die het aantal dat door de Levieten was vrijgekocht te boven gingen; hij nam dertienhonderdvijfenzestig sjekel in ontvangst, volgens het ijkgewicht van het heiligdom. 51Hij gaf dit losgeld aan Aäron en zijn zonen, zoals de HEER hem geboden had.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]