Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

21

2:1
Jes. 52:7
Daar,2:1-14 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:15-2:13. over de bergen,

snelt een vreugdebode.

Hij kondigt vrede aan.

Vier de feesten, Juda,

los je geloften in,

want nooit meer trekken schurken door je land,

ze zijn volledig uitgeroeid.

2Er is iemand tegen hen opgestaan

die hen uiteen zal drijven.

Bewaak je vesting, Nineve!

Kijk uit over de weg!

Omgord je heupen!

Verzamel al je kracht!

3De HEER herstelt het aanzien van Jakob, van Israël,

door vernielers vernield,

die zijn ranken verwoestten.

Ondergang van Nineve

4De schilden van zijn helden zijn rood gekleurd,

zijn soldaten gaan in purper gekleed.

De wagens die hij opstelt zijn vlammend gepantserd,

de lansen worden gericht.

5Door de straten razen de wagens,

ze jagen voort over de pleinen,

ze zien eruit als fakkels,

als bliksemschichten schieten ze voorbij.

6Hij spoort zijn bevelhebbers aan,

halsoverkop gaan zij voort.

Ze snellen naar de stadsmuur,

het stormdak wordt opgesteld,

7de sluizen gaan open,

het paleis stort ineen.

8Daar staat hij, hij laat de stad naakt wegvoeren.

Haar slavinnen klagen als duiven,

rouwend slaan ze zich op hun borst.

9Nineve!

Een volle vijver zolang het bestond,

nu stroomt hij leeg.

Blijf staan! Blijf staan!

Maar niemand die zich omdraait.

10Roof het zilver, roof het goud!

De schat is onuitputtelijk!

Kostbaarheden zonder tal!

11

2:11
Jes. 13:7-8
Verwoesting, woestheid, woestenij:

harten bezwijken, knieën knikken,

heupen beven, gezichten verbleken.

12Wat is er over van het leeuwenhol?

Het was een nest vol jonge leeuwen,

de leeuw, de leeuwin en de welpen

gingen er ongestoord hun gang.

13

2:13
Jer. 4:7
De leeuw roofde voor zijn welpen,

beet kelen door voor zijn leeuwinnen,

vulde zijn holen met prooi,

zijn legers met buit.

14

2:14
Nah. 3:5
Ik zal je straffen – spreekt de HEER van de hemelse machten.

Ik laat je strijdwagens opgaan in rook,

het zwaard zal je dappere leeuwen verslinden,

je prooi vaag ik weg van de aarde,

de stem van je gezanten wordt niet meer gehoord.

3

31Wee de bloedstad,

een en al leugen,

vol oorlogsbuit,

het roven houdt niet op.

2Hoor! Knallende zwepen!

Hoor! Daverende wielen!

Dravende paarden,

dansende wagens,

3steigerende ruiters,

vlammende zwaarden,

bliksemende lansen!

Vele doden,

massa’s lichamen,

ontelbare lijken,

je struikelt over de lijken.

4Je gedraagt je als een hoer,

een verleidster ben je, bedreven in toverij,

je verkwanselt volken voor je ontuchtige praktijken,

en stammen voor je toverkunst.

5

3:5
Nah. 2:14
Daarom zal ik je straffen – spreekt de HEER van de hemelse machten.

Ik zal je kleren optillen tot over je gezicht,

je naaktheid aan alle volken tonen,

je schaamte aan alle landen laten zien.

6Ik zal je onder vuil bedelven,

je belachelijk maken,

je te kijk zetten.

7

3:7
Jes. 51:19
Jer. 15:5
Dan zal ieder die je ziet zich van je afwenden

en zeggen: ‘Nineve is verwoest!’

Wie zal om haar rouwen?

Waar vind ik iemand die je troost?

8Ben jij beter dan Thebe,

aan de armen van de Nijl,

omgeven door water,

met de zee als bescherming,

met als stadswal de zee?

9Nubië en Egypte waren haar steeds weer tot steun,

Put en de Libiërs kwamen haar te hulp.

10Toch moest ook zij in ballingschap,

ook zij werd gevangen en weggevoerd.

Ook haar zuigelingen werden vermorzeld

op iedere hoek van de straat.

Ook om haar aanzienlijken wierp men het lot,

ook haar leiders werden in de boeien geslagen.

11Ook jij zult dronken en beneveld raken,

ook jij zult voor de vijand moeten vluchten.

12Je vestingsteden zijn als bomen vol rijpe vijgen:

worden ze geschud, dan vallen ze de eter in de mond.

13

3:13
Jes. 19:16
Jer. 50:37
51:30
Je leger is een stel vrouwen,

de poorten van je land staan wijd open voor je vijanden,

vuur heeft je sluitbalken verteerd.

14Put maar water voor het beleg,

versterk je vestingsteden!

Treed de klei en stamp de leem,

pak de steenvorm!

15Toch zal het vuur je verteren,

het zwaard je verdelgen.

Het zal je opvreten als een zwerm sprinkhanen,

ook al ben je net zo talrijk

en plant je je voort als de bidsprinkhaan.

16Bij jou zijn er meer handelaars

dan sterren aan de hemel –

ze ontpoppen zich als sprinkhanen, en vliegen weg.

17Je leiders zijn als bidsprinkhanen,

je ambtenaren als een zwerm vliegen.

Op een koude dag zitten ze op de muren,

maar zodra de zon schijnt vliegen ze weg,

niemand weet waarheen. Waar zijn ze?

18

3:18
1 Kon. 22:17
Je herders slapen, koning van Assyrië,

je leiders zitten stil,

je volk is verstrooid over de bergen

en niemand brengt het bijeen.

19Er is geen verzachting voor je wond,

je letsel is niet te genezen.

Wie hoort wat er met jou gebeurt, klapt in zijn handen,

want wie heeft niet voortdurend geleden onder jouw wreedheid?