Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

Proloog

11Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken, 2en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden, 3

1:3
Hand. 1:1
leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus, op schrift te stellen, 4om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent.

Aankondiging van de geboorte van Johannes

5

1:5
1 Kron. 24:10
Toen Herodes koning van Judea was, leefde er een priester die Zacharias heette en tot de priesterafdeling Abia behoorde. Zijn vrouw, Elisabet, stamde af van Aäron. 6Beiden waren vrome en gelovige mensen, die zich strikt aan alle geboden en wetten van de Heer hielden. 7Ze hadden geen kinderen, want Elisabet was onvruchtbaar, en beiden waren al op leeftijd.

8Toen de afdeling van Zacharias eens aan de beurt was om de priesterdienst te vervullen, 9

1:9
Ex. 30:7-8
werd er volgens het gebruik van de priesters geloot en werd Zacharias door het lot aangewezen om het reukoffer op te dragen in het heiligdom van de Heer. 10De samengestroomde menigte bleef buiten staan bidden terwijl het offer werd gebracht. 11Opeens verscheen hem een engel van de Heer, die aan de rechterkant van het reukofferaltaar stond. 12Zacharias schrok hevig bij het zien van de engel en hij werd door angst overvallen. 13Maar de engel zei tegen hem: ‘Wees niet bang, Zacharias, je gebed is verhoord: je vrouw Elisabet zal je een zoon baren, en je moet hem Johannes noemen. 14Vreugde en blijdschap zullen je ten deel vallen, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen. 15
1:15
Num. 6:3
Recht. 13:4-5
Luc. 7:33
Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer, en wijn en andere gegiste drank zal hij niet drinken. Hij zal vervuld worden van de heilige Geest terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder is, 16en hij zal velen uit het volk van Israël tot de Heer, hun God, brengen. 17
1:17
Mal. 3:23-24
Als bode zal hij voor God uit gaan met de geest en de kracht van Elia om ouders met hun kinderen te verzoenen en om zondaars tot rechtvaardigheid te brengen, en zo zal hij het volk gereedmaken voor de Heer.’

18Zacharias vroeg aan de engel: ‘Hoe kan ik weten of dat waar is? Ik ben immers een oude man en ook mijn vrouw is al op leeftijd.’ 19

1:19
Dan. 8:16
9:21
De engel antwoordde: ‘Ik ben Gabriël, die altijd in Gods nabijheid is, en ik ben uitgezonden om je dit goede nieuws te brengen. 20Maar omdat je geen geloof hebt gehecht aan mijn woorden, die op de voorbestemde tijd in vervulling zullen gaan, zul je stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit alles gaat gebeuren.’

21De menigte stond buiten op Zacharias te wachten, en de mensen vroegen zich af waarom hij zo lang in het heiligdom bleef. 22Maar toen hij naar buiten kwam, kon hij niets tegen hen zeggen. Ze begrepen dat hij in het heiligdom een visioen had gezien; hij maakte gebaren tegen hen, maar spreken kon hij niet. 23Toen zijn tempeldienst voorbij was, ging hij terug naar huis.

24Korte tijd later werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Ze leefde vijf maanden lang in afzondering en zei bij zichzelf: 25De Heer heeft zich mijn lot aangetrokken. Hij heeft dit voor mij gedaan opdat de mensen me niet langer verachten.

Aankondiging van de geboorte van Jezus

26In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, 27

1:27
Mat. 1:18
naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. 28
1:28
Recht. 6:12
Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’ 29Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. 30Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. 31
1:31
Jes. 7:14
Mat. 1:21
Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. 32Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. 33
1:33
Jes. 9:6
Dan. 2:44
7:14
Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’

34Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’ 35De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. 36Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, 37

1:37
Gen. 18:14
want voor God is niets onmogelijk.’ 38Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Daarna liet de engel haar weer alleen.

Maria en Elisabet

39Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda, 40waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette. 41Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld van de heilige Geest 42

1:42
Recht. 5:24
Judit 13:18
en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! 43Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? 44Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. 45Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’

46

1:46-55
1 Sam. 2:1-10
Maria zei:

‘Mijn ziel prijst en looft de Heer,

47

1:47
Hab. 3:18
mijn hart juicht om God, mijn redder:

48

1:48
Gen. 30:13
1 Sam. 1:11
hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.

Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,

49

1:49
Ps. 111:9
ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan,

heilig is zijn naam.

50

1:50
Ps. 103:17
Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht,

voor al wie hem vereert.

51Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm

en drijft uiteen wie zich verheven wanen,1:51 en drijft uiteen wie zich verheven wanen – Ook mogelijk is de vertaling: ‘de plannen van hoogmoedigen stuurt hij in de war’.

52heersers stoot hij van hun troon

en wie gering is geeft hij aanzien.

53

1:53
Ps. 107:9
Wie honger heeft overlaadt hij met gaven,

maar rijken stuurt hij weg met lege handen.

54-55

1:54-55
Gen. 17:7
Ps. 98:3
Jes. 41:8-9
Micha 7:20
Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar,

zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd:

hij herinnert zich zijn barmhartigheid

jegens Abraham en zijn nageslacht,

tot in eeuwigheid.’

56Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.

De geboorte van Johannes

57Toen de dag van haar bevalling was aangebroken, bracht Elisabet een zoon ter wereld. 58Haar buren en verwanten hoorden hoe barmhartig de Heer voor haar was geweest, en ze verheugden zich samen met haar. 59

1:59
Gen. 17:12
Lev. 12:3
Op de achtste dag kwamen ze het kind besnijden, en ze wilden het Zacharias noemen, naar zijn vader. 60Maar zijn moeder zei: ‘Nee, Johannes zal hij heten!’ 61Ze zeiden tegen haar: ‘Er is niemand in je familie die zo heet.’ 62Ze beduidden zijn vader te laten weten hoe hij het kind wilde noemen. 63Hij vroeg om een schrijftablet en schreef erop: ‘Johannes is zijn naam.’ Iedereen was verbaasd. 64En meteen werd de verlamming van zijn mond en zijn tong ongedaan gemaakt, en hij begon te spreken en loofde God. 65Alle omwonenden waren diep onder de indruk, en in heel het bergland van Judea werden deze gebeurtenissen besproken. 66Ieder die het hoorde bleef erover nadenken, en vroeg zich af: Hoe zal het verdergaan met dit kind? Want de machtige hand van de Heer beschermde hem.

67Zijn vader Zacharias werd vervuld van de heilige Geest en sprak deze profetie:

68

1:68
Ps. 41:14
106:48
111:9
‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël,

hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost.

69Een reddende kracht heeft hij voor ons opgewekt

uit het huis van David, zijn dienaar,

70zoals hij van oudsher heeft beloofd bij monde van zijn heilige profeten:

71bevrijd zouden we worden van onze vijanden,

gered uit de greep van allen die ons haten.

72Zo toont hij zich barmhartig jegens onze voorouders

en herinnert hij zich zijn heilig verbond:

73

1:73
Gen. 26:3
de eed die hij gezworen had aan Abraham, onze vader,

dat wij, 74ontkomen aan onze vijanden,

hem zonder angst zouden dienen, 75toegewijd en oprecht,

altijd levend in zijn nabijheid.

76

1:76
Jes. 40:3
Mal. 3:1
En jij, kind, jij zult genoemd worden: profeet van de Allerhoogste,

want voor de Heer zul je uit gaan om de weg voor hem gereed te maken,

77

1:77
Marc. 1:2-4
Luc. 3:3-4
en om zijn volk bekend te maken met hun redding

door de vergeving van hun zonden.

78Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God

zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan

79

1:79
Jes. 9:1
en verschijnen aan allen die leven in duisternis

en verkeren in de schaduw van de dood,

zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.’

80Het kind groeide op en werd gesterkt door de Geest. Johannes leefde in de woestijn tot de dag aanbrak waarop hij zich kenbaar maakte aan het volk van Israël.
2

De geboorte van Jezus

21In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. 2Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. 3Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. 4Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, 5

2:5-7
Mat. 1:18-25
om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. 6Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, 7en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad.

8Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. 9Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. 10De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: 11

2:11
Hand. 2:36
Filip. 3:20
vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias,2:11 de messias – Zie de noot bij Matteüs 2:4. de Heer. 12Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’ 13En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden:

14

2:14
Jes. 6:3
Luc. 19:38
‘Eer aan God in de hoogste hemel

en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’2:14 en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft – Andere handschriften lezen: ‘en vrede op aarde; hij vindt vreugde in de mensen’.

15Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’ 16Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. 17Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. 18Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, 19maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. 20De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd.

21

2:21
Lev. 12:3
Luc. 1:31
Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen.

Toewijding van Jezus in de tempel

22Toen de tijd was aangebroken dat ze zich overeenkomstig de wet van Mozes rein moesten laten verklaren, brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan de Heer aan te bieden, 23

2:23
Ex. 13:2,12
zoals is voorgeschreven in de wet van de Heer: ‘Elke eerstgeboren zoon moet aan de Heer worden toegewijd.’ 24
2:24
Lev. 12:6-8
Ook wilden ze het offer brengen dat de wet van de Heer voorschrijft: een koppel tortelduiven of twee jonge gewone duiven.

25Er woonde toen in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem. 26Het was hem door de heilige Geest geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de messias van de Heer zou hebben gezien. 27Gedreven door de Geest kwam hij naar de tempel, en toen Jezus’ ouders hun kind daar binnenbrachten om met hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, 28nam hij het in zijn armen en loofde hij God met de woorden:

29‘Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan,

zoals u hebt beloofd.

30

2:30-31
Jes. 52:10
Want met eigen ogen heb ik de redding gezien

31die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken:

32

2:32
Jes. 40:5
42:6
49:6
Hand. 13:47
een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen

en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’

33Zijn vader en moeder2:33 Zijn vader en moeder – Andere handschriften lezen: ‘Jozef en zijn moeder’. waren verbaasd over wat er over hem werd gezegd. 34Simeon zegende hen en zei tegen Maria, zijn moeder: ‘Weet wel dat velen in Israël door hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt, 35en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden. Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen.’

36Er was daar ook een profetes, Hanna, de dochter van Fanuel, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; vanaf haar huwbare leeftijd had ze zeven jaar met haar man geleefd, 37en ze was nu al vierentachtig jaar weduwe. Ze was altijd in de tempel, waar ze God dag en nacht diende met vasten en bidden. 38Op dat moment kwam ze naar hen toe, bracht hulde aan God en sprak over het kind met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem.

39

2:39
Mat. 2:23
Toen ze alles overeenkomstig de wet van de Heer hadden gedaan, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats Nazaret. 40Het kind groeide op, werd sterk en was begiftigd met wijsheid; Gods genade rustte op hem.

De twaalfjarige Jezus in de tempel

41

2:41
Ex. 12:1-27
Deut. 16:1-8
Zijn ouders gingen jaarlijks voor het pesachfeest naar Jeruzalem. 42Toen hij twaalf jaar was, maakten ze weer hun gebruikelijke pelgrimstocht. 43Na afloop van het feest vertrokken ze naar huis, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders2:43 zijn ouders – Andere handschriften lezen: ‘Jozef en zijn moeder’. het wisten. 44In de veronderstelling dat hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een hele dag voordat ze hem overal onder hun verwanten en bekenden begonnen te zoeken. 45Toen ze hem niet vonden, keerden ze terug naar Jeruzalem om hem daar te zoeken. 46Na drie dagen vonden ze hem in de tempel, waar hij tussen de leraren zat, terwijl hij naar hen luisterde en hun vragen stelde. 47Allen die hem hoorden stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden. 48Toen zijn ouders hem zagen, waren ze ontzet, en zijn moeder zei tegen hem: ‘Kind, wat heb je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar je gezocht.’ 49Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ 50Maar ze begrepen niet wat hij tegen hen zei. 51Hij reisde met hen terug naar Nazaret en was hun voortaan gehoorzaam. Zijn moeder sloot alles wat er met hem gebeurd was in haar hart. 52
2:52
1 Sam. 2:26
Spr. 3:4
Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe. Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen.

3

Optreden van Johannes

31

3:1-20
Mat. 3:1-12
Marc. 1:1-8
Joh. 1:6-8
In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus Judea bestuurde, en Herodes tetrarch was over Galilea, zijn broer Filippus over het gebied van Iturea en Trachonitis, en Lysanias over Abilene, 2en toen Annas en Kajafas hogepriester waren, richtte God zich in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias. 3
3:3
Luc. 1:77
Hand. 10:37
13:24
19:4
Daar ging Johannes in de omgeving van de Jordaan verkondigen dat de mensen zich moesten laten dopen en tot inkeer moesten komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen, 4
3:4-6
Jes. 40:3-5
zoals geschreven staat in het boek met de uitspraken van de profeet Jesaja:

‘Luid klinkt een stem in de woestijn:

“Maak de weg van de Heer gereed,

maak recht zijn paden!

5Iedere kloof zal worden gedicht,

elke berg en heuvel geslecht,

kromme wegen recht gemaakt,

hobbelige wegen geëffend;

6en al wat leeft zal zien hoe God redding brengt.”’

7
3:7
Mat. 23:33
Johannes zei tegen de mensen die massaal uitliepen om zich door hem te laten dopen: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel? 8
3:8
Joh. 8:33
Breng vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn, en zeg niet meteen bij jezelf: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken! 9
3:9
Mat. 7:19
Ja, de bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vruchten draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.’

10De mensen vroegen hem: ‘Wat moeten we dan doen?’ 11Hij antwoordde: ‘Wie twee stel onderkleren heeft, moet delen met wie er geen heeft, en wie eten heeft moet hetzelfde doen.’ 12

3:12
Luc. 7:29
Er kwamen ook tollenaars om zich te laten dopen, en die vroegen hem: ‘Meester, wat moeten wij doen?’ 13Hij zei tegen hen: ‘Vorder niet meer dan wat jullie is opgedragen.’ 14Ook soldaten kwamen hem vragen: ‘En wij, wat moeten wij doen?’ Tegen hen zei hij: ‘Jullie mogen niemand afpersen en je ook niet laten omkopen, neem genoegen met je soldij.’

15

3:15-16
Hand. 13:24-25
Het volk was vol verwachting, en allen vroegen zich af of Johannes misschien de messias was, 16
3:16
Hand. 1:5
11:16
maar Johannes zei tegen hen: ‘Ik doop jullie met water, maar er komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om de riemen van zijn sandalen los te maken. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 17hij houdt de wan in zijn hand om de dorsvloer te reinigen, het graan zal hij bijeenbrengen in zijn schuur en het kaf in onblusbaar vuur verbranden.’

18Op deze en andere wijze spoorde hij de mensen aan en verkondigde hij hun het goede nieuws. 19

3:19-20
Mat. 4:12
14:3-4
Marc. 6:17-18
Maar de tetrarch Herodes, die door Johannes was terechtgewezen in verband met Herodias, de vrouw van zijn broer, en vanwege al zijn andere wandaden, 20voegde aan alle slechte dingen die hij had gedaan nog toe dat hij Johannes opsloot in de gevangenis.

21

3:21-22
Mat. 3:13-17
Marc. 1:9-11
Joh. 1:32-34
Heel het volk liet zich dopen, en toen ook Jezus was gedoopt en hij aan het bidden was, werd de hemel geopend 22
3:22
Ps. 2:7
Jes. 42:1
Mat. 12:18
17:5
Luc. 9:35
en daalde de heilige Geest in de gedaante van een duif op hem neer, en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’

Geslachtslijst van Jezus

23

3:23-38
Mat. 1:1-17
Jezus begon zijn verkondiging toen hij ongeveer dertig jaar was. Hij was, zoals algemeen werd aangenomen, de zoon van Jozef, die de zoon was van Eli, 24de zoon van Mattat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Jannai, de zoon van Josef, 25de zoon van Mattatias, de zoon van Amos, de zoon van Naüm, de zoon van Hesli, de zoon van Naggai, 26de zoon van Maät, de zoon van Mattatias, de zoon van Semeïn, de zoon van Josech, de zoon van Joda, 27de zoon van Joanan, de zoon van Resa, de zoon van Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de zoon van Neri, 28de zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmadan, de zoon van Er, 29de zoon van Jozua, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Mattat, de zoon van Levi, 30de zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Josef, de zoon van Jonan, de zoon van Eljakim, 31de zoon van Melea, de zoon van Menna, de zoon van Mattatta, de zoon van Natan, de zoon van David, 32de zoon van Isaï, de zoon van Obed, de zoon van Boaz, de zoon van Selach, de zoon van Nachson, 33de zoon van Amminadab, de zoon van Admin, de zoon van Arni, de zoon van Chesron, de zoon van Peres, de zoon van Juda, 34de zoon van Jakob, de zoon van Isaak, de zoon van Abraham, de zoon van Terach, de zoon van Nachor, 35de zoon van Serug, de zoon van Reü, de zoon van Peleg, de zoon van Eber, de zoon van Selach, 36de zoon van Kenan, de zoon van Arpachsad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech, 37de zoon van Metuselach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan, 38de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam, de zoon van God.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]