Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
21

Voorschriften en bepalingen voor de priesters

211

21:1-4
Ezech. 44:25
De HEER zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen de priesters, de zonen van Aäron: “Een priester mag zich niet verontreinigen wanneer zich in zijn familie een sterfgeval voordoet. 2Alleen als het een naaste bloedverwant betreft: zijn moeder of vader, zijn zoon of dochter, zijn broer 3of zijn ongehuwde zuster, die nog niet aan een man toebehoort en dus deel uitmaakt van zijn naaste familie, mag hij zich verontreinigen door in de nabijheid van de overledene te komen. 4Maar hij mag zich niet ontwijden door zich te verontreinigen vanwege een sterfgeval in zijn schoonfamilie. 5
21:5
Lev. 19:27-28
Deut. 14:1
Ezech. 44:20
Priesters mogen hun hoofd niet kaalscheren en geen stukken uit hun baard knippen. Ook mogen ze geen tekens in hun huid kerven. 6Ze zijn voor hun God geheiligd en mogen de naam van hun God niet ontwijden. Zij bieden de HEER de offergaven aan, het voedsel van hun God, en daarom mogen ze zich niet ontwijden.

7Een priester mag niet trouwen met een door hoererij ontwijde vrouw of een vrouw die door haar man verstoten is, want hij is voor zijn God geheiligd. 8

21:8
Lev. 11:44
Respecteer zijn heilige status, want hij biedt jullie God voedsel aan. Hij moet als heilig beschouwd worden, want ik, de HEER, ben heilig en ik heilig jullie. 9Als de dochter van een priester zich door hoererij ontwijdt, ontwijdt ze haar vader en moet ze worden verbrand.

10De priester die aan het hoofd van zijn verwanten staat, over wiens hoofd de zalfolie werd uitgegoten en die werd aangesteld om de heilige kleding te dragen, mag zijn haar niet los laten hangen en zijn kleren niet scheuren. 11Hij mag nooit in de nabijheid van een lijk komen, zelfs omwille van zijn vader of moeder mag hij zich niet verontreinigen. 12Hij mag het heiligdom niet verlaten, anders zou hij het heiligdom van zijn God ontwijden, hij is immers met de zalfolie van zijn God gewijd. Ik ben de HEER.

13De gezalfde priester moet trouwen met een vrouw die nog maagd is. 14

21:14
Ezech. 44:22
Hij mag niet trouwen met een weduwe of een verstoten of door hoererij ontwijde vrouw. Hij moet een maagd uit de priesterfamilie trouwen, 15anders zou hij zijn nageslacht ontwijden. Ik ben de HEER, ik heilig hem.”’

16De HEER zei tegen Mozes: 17‘Zeg tegen Aäron: “Als een van je nakomelingen een gebrek heeft, mag hij niet aantreden om voedsel aan te bieden aan zijn God. Dat geldt voor alle komende generaties. 18Niemand met enigerlei gebrek mag als priester aantreden: niemand die blind is of verlamd, niemand met een misvormd gelaat of abnormaal ontwikkelde ledematen, 19niemand wiens ledematen na een botbreuk vergroeid zijn, 20niemand met een gebochelde of dwergachtige gestalte, niemand met staar, niemand met zweren of uitslag, niemand met verpletterde zaadballen. 21Geen enkele nakomeling van de priester Aäron die een gebrek heeft, mag aantreden om de offergaven aan de HEER aan te bieden. Omdat hij een gebrek heeft mag hij niet aantreden om voedsel aan zijn God aan te bieden. 22Hij mag wel eten van het voedsel van zijn God, zowel van de heilige als van de allerheiligste offergaven. 23Maar omdat hij een gebrek heeft, mag hij de ruimte waar het voorhangsel hangt niet betreden en niet bij het altaar dienstdoen, anders zou hij mijn heilige plaatsen ontwijden; ik ben de HEER, ik heilig ze.”’

24Mozes zei dit alles tegen Aäron en zijn zonen en tegen alle Israëlieten.

22

Voorschriften en bepalingen omtrent de heilige gaven

221De HEER zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij op gepaste wijze moeten omgaan met de heilige gaven die de Israëlieten aan mij afstaan, opdat ze mijn heilige naam niet ontwijden. Ik ben de HEER. 3Zeg tegen hen: “Wanneer een van jullie nakomelingen in onreine toestand in de nabijheid komt van de heilige gaven die de Israëlieten aan de HEER hebben afgestaan, zal hij van omgang met mij worden uitgesloten. Dit geldt voor alle komende generaties. Ik ben de HEER. 4

22:4
Lev. 13:1-59
Wanneer een van de nakomelingen van Aäron aan huidvraat of een geslachtsziekte lijdt, mag hij niet van de heilige offergaven eten tot hij weer rein is. En wie mensen of dingen heeft aangeraakt die door aanraking met een lijk onrein geworden zijn, wie een zaadlozing heeft gehad, 5wie in aanraking is geweest met een kruipend dier dat onreinheid veroorzaakt of met een persoon die onreinheid veroorzaakt, van welke aard die onreinheid ook is, 6zo iemand is tot de avond onrein en mag niet van de heilige gaven eten voor hij zijn lichaam met water heeft gewassen. 7Pas als de zon ondergaat is hij weer rein en mag hij eten van de heilige gaven, want daar moet hij van leven. 8
22:8
Lev. 17:15
Ezech. 4:14
De nakomelingen van Aäron mogen zich niet verontreinigen door dieren te eten die een natuurlijke dood gestorven zijn of zijn doodgebeten. Ik ben de HEER. 9Ze moeten zich houden aan hun verplichtingen tegenover mij en mogen op dit punt niet zondigen, want als ze wat heilig is ontwijden, zullen ze sterven. Ik ben de HEER, ik heilig hen.

10Wie niet tot de priesterfamilie behoort, mag niet van de heilige gaven eten. Iemand die bij een priester te gast is of bij hem in loondienst is, mag er niet van eten. 11Maar wanneer een priester iemand als slaaf heeft gekocht, mag die er wel van eten. Ook allen die in zijn huishouden geboren zijn, mogen van het priestervoedsel eten. 12Als de dochter van een priester getrouwd is met een man die niet tot de priesterfamilie behoort, mag ze niet eten van de heilige gaven die de Israëlieten afdragen. 13Maar als die dochter weduwe wordt of verstoten wordt zonder dat ze kinderen heeft gekregen, en dus weer in het huishouden van haar vader wordt opgenomen, zoals toen ze nog een meisje was, mag ze wel van het voedsel van haar vader eten. Maar niemand van buiten de priesterfamilie mag ervan eten. 14

22:14
Lev. 5:16
Wanneer iemand anders per vergissing toch van de heilige gaven eet, moet hij dat aan de priester vergoeden, vermeerderd met een vijfde. 15De priesters mogen de heilige gaven die de Israëlieten aan de HEER schenken niet ontwijden 16en geen schuld op het volk laden door het van de heilige gaven te laten eten, want ik, de HEER, heb het geheiligd.”’

17De HEER zei tegen Mozes: 18

22:18-20
Lev. 1:3
‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen en tegen alle Israëlieten: “Wanneer een geboren Israëliet of een vreemdeling een offer aanbiedt, hetzij ter nakoming van een gelofte hetzij als vrijwillige gave, en het dier wordt als brandoffer aan de HEER aangeboden, 19dan moet hij, wil het offer aanvaard worden, daarvoor een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek, en wel een rund, een schaap of een geit. 20
22:20
Deut. 17:1
Dieren met een gebrek mogen niet als offer worden aangeboden; ze zullen niet worden aanvaard. 21
22:21
Lev. 3:1
Wanneer iemand een dier als vredeoffer voor de HEER wil slachten, ter nakoming van een gelofte of als vrijwillige gave, moet het een rund, een schaap of een geit zijn zonder enig gebrek, anders zal het niet worden aanvaard. 22
22:22
Mal. 1:8
Dieren die blind zijn, vergroeide poten hebben of anderszins verminkt zijn, of etterende wonden, zweren of huiduitslag hebben, mogen niet aan de HEER worden aangeboden. Zulke dieren mogen niet als offergave op het altaar aan de HEER worden opgedragen. 23Dieren met te lange of te korte poten mogen wel worden geofferd als vrijwillige gave, maar als gelofteoffer zullen ze niet worden aanvaard. 24Een dier waarvan de zaadballen zijn afgekneld, verpletterd, afgescheurd of afgesneden mag niet aan de HEER worden aangeboden. Dergelijke praktijken zijn bij jullie verboden 25en ook van vreemdelingen mag je zulke dieren niet aannemen om ze als voedsel aan jullie God aan te bieden, want ze zijn verminkt. Ze hebben een gebrek en zullen daarom niet als offer aanvaard worden.”’

26De HEER zei tegen Mozes: 27‘Het jong van een rund, een schaap of een geit moet na zijn geboorte minstens zeven dagen bij zijn moeder blijven. Pas als het acht dagen of ouder is zal het als offergave voor de HEER worden aanvaard. 28Een rund, schaap of geit mag niet worden geslacht op dezelfde dag als een eigen jong. 29Wanneer jullie een dankoffer voor de HEER slachten, moeten jullie, wil het offer worden aanvaard, 30het vlees op diezelfde dag eten, het mag niet tot de volgende dag bewaard worden. Ik ben de HEER.

31Houd je aan mijn voorschriften en leef ze na. Ik ben de HEER. 32Doen jullie dat niet, dan ontwijden jullie mijn heilige naam en moet ik mijn heiligheid tegenover jullie bewijzen. Ik ben de HEER, ik heilig jullie. 33

22:33
Lev. 11:45
18:3-5
25:55
26:13,45
Ik ben het die jullie uit Egypte heeft weggeleid om jullie God te zijn. Ik ben de HEER.’

23

Feestdagen

231

23:1-44
Num. 28:16-29:39
De HEER zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: “Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dagen samen moet vieren. Dit zijn mijn hoogtijdagen:

3

23:3
Ex. 20:8-10
23:12
31:15
34:21
35:2
Deut. 5:12-14
Zes dagen kun je werken, maar de zevende dag is het sabbat, een dag van volstrekte rust, die je als heilige dag samen moet vieren. Je mag die dag geen enkele bezigheid verrichten. Waar je ook woont, het moet een rustdag zijn die aan de HEER gewijd is.

4Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dagen samen moet vieren, elk op de aangewezen tijd:

5

23:5-6
Ex. 12:1-20
23:5
Deut. 16:1-2
Op de veertiende dag van de eerste maand wordt ter ere van de HEER het pesachoffer bereid, in de avondschemer. 6
23:6
Ex. 23:15
34:18
Deut. 16:3-8
En op de vijftiende dag van die maand begint ter ere van de HEER het feest van het Ongedesemde brood: zeven dagen lang moeten jullie dan ongedesemd brood eten. 7De eerste dag moet je als heilige dag samen vieren; je mag dan niet werken. 8Elk van de zeven dagen moeten jullie de HEER een offergave aanbieden. De zevende dag moet je opnieuw als heilige dag samen vieren, en ook dan mag je niet werken.”’

9De HEER zei tegen Mozes: 10‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat ik jullie zal geven en je daar de oogst binnenhaalt, moeten jullie de eerste schoof van je gersteoogst naar de priester brengen. 11De priester moet de schoof ten overstaan van de HEER omhoogheffen opdat die als offer zal worden aanvaard. De priester moet de schoof omhoogheffen op de dag na de sabbat. 12Op de dag dat de schoof wordt aangeboden, moeten jullie ook een eenjarige ram zonder enig gebrek als brandoffer aan de HEER opdragen, 13met het bijbehorende graanoffer van twee tiende efa tarwebloem vermengd met olijfolie, als een geurige gave die de HEER behaagt, en het bijbehorende wijnoffer van een kwart hin wijn. 14Tot op de dag dat deze gave aan jullie God is gebracht, mag je geen brood, geroosterd graan of vers graan eten. Deze bepaling blijft voor jullie voor altijd van kracht, generatie na generatie, waar je ook woont.

15

23:15-21
Ex. 34:22
23:15-16
Ex. 23:16
23:15
Num. 28:26
Deut. 16:9-12
Vanaf die dag na de sabbat, vanaf de dag dat de schoof omhooggeheven is, moeten zeven volle weken worden afgeteld, 16tot de dag na de zevende sabbat. Vijftig dagen moeten jullie aftellen, en dan moeten jullie de HEER een graanoffer aanbieden uit de nieuwe tarweoogst. 17Jullie moeten dan uit je woonplaats brood meenemen om het voor de HEER omhoog te heffen: twee broden van twee tiende efa tarwebloem, met zuurdesem gebakken, als gave voor de HEER uit de eerste opbrengst van de nieuwe oogst. 18Tegelijk met het brood moeten zeven eenjarige rammen zonder enig gebrek, een stier en twee volwassen rammen worden aangeboden. Die dienen als brandoffer voor de HEER en vormen samen met de bijbehorende graan- en wijnoffers een geurige gave die de HEER behaagt. 19Als reinigingsoffer moet een bok worden geofferd, en als vredeoffer twee eenjarige rammen. 20De twee jonge rammen23:20 De twee jonge rammen – Volgens de Samaritaanse Pentateuch en de Septuaginta. MT: ‘Met twee jonge rammen’. moet de priester tegelijk met het brood uit de eerste opbrengst van de nieuwe oogst ten overstaan van de HEER omhoogheffen. Zo worden deze offers voor de HEER geheiligd; ze zijn bestemd voor de priester. 21Jullie moeten die dag als heilige dag samen vieren en mogen dan niet werken. Dit voorschrift blijft voor jullie voor altijd van kracht, generatie na generatie, waar je ook woont.

22

23:22
Lev. 19:9-10
Deut. 24:19-22
Ga bij het binnenhalen van de oogst niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben de HEER, jullie God.”’

23De HEER zei tegen Mozes: 24

23:24
Num. 10:10
‘Zeg tegen de Israëlieten: “De eerste dag van de zevende maand moeten de hoorns schallen. Het zal voor jullie een rustdag zijn, die je als heilige dag samen moet vieren. 25Je mag die dag niet werken en moet de HEER een offergave aanbieden.”’

26De HEER zei tegen Mozes: 27

23:27
Lev. 16:29-34
‘Neem dit in acht: De tiende dag van de zevende maand is het Grote Verzoendag, een dag die jullie als heilige dag samen moeten vieren. Jullie moeten die dag in onthouding doorbrengen en de HEER een offergave aanbieden. 28Je mag dan geen enkele bezigheid verrichten, want het is Grote Verzoendag, waarop voor jullie ten overstaan van de HEER, jullie God, de verzoeningsrite zal worden voltrokken. 29Wie deze dag niet in onthouding doorbrengt, zal uit de gemeenschap gestoten worden. 30Wie die dag enige bezigheid verricht, zal ik zelf uit de gemeenschap wegvagen. 31Je mag die dag geen enkele bezigheid verrichten; deze bepaling geldt voor jullie voor altijd, generatie na generatie, waar je ook woont. 32Het zal voor jullie een dag van volstrekte rust zijn, die je in onthouding moet doorbrengen. Deze dag moet in volstrekte rust worden doorgebracht, vanaf de avond van de negende dag van die maand tot aan de avond daarop.’

33De HEER zei tegen Mozes: 34‘Zeg tegen de Israëlieten: “Op de vijftiende dag van de zevende maand begint ter ere van de HEER het Loofhuttenfeest, dat zeven dagen duurt. 35De eerste dag moet je als heilige dag samen vieren; je mag dan niet werken. 36Elk van de zeven dagen moeten jullie de HEER een offergave aanbieden. De achtste dag moet je opnieuw als heilige dag samen vieren, en ook dan moeten jullie een offergave aanbieden aan de HEER. Er zal dan een feestelijke samenkomst zijn en er mag niet gewerkt worden.

37Dit zijn de hoogtijdagen van de HEER, die je als heilige dag samen moet vieren en waarop jullie de HEER een offergave moeten aanbieden, brandoffers, graanoffers, vredeoffers en wijnoffers, al naargelang voor een bepaalde dag is voorgeschreven. 38Deze offers vallen buiten wat jullie de HEER elke sabbat geven en buiten je wijgeschenken, gelofteoffers en vrijwillige gaven.

39

23:39-43
Ex. 34:22
23:39
Ex. 23:16
Deut. 16:13-15
Neem dit in acht: Op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer je de oogst van het land hebt gehaald, begint het feest van de HEER, dat zeven dagen duurt. De eerste dag en de achtste dag moeten voor jullie rustdagen zijn. 40De eerste dag moeten jullie mooie vruchten plukken en takken afsnijden van dadelpalmen, loofbomen en beekwilgen. Zeven dagen lang moeten jullie feestvieren ten overstaan van de HEER, jullie God. 41Elk jaar moet dit feest ter ere van de HEER zeven dagen lang gevierd worden. Dit voorschrift geldt voor altijd, generatie na generatie. Vier dit feest in de zevende maand. 42Zeven dagen lang moeten jullie in hutten wonen, elke geboren Israëliet moet in een loofhut wonen, 43om jullie kinderen eraan te herinneren dat ik de Israëlieten in hutten liet wonen toen ik hen uit Egypte wegleidde. Ik ben de HEER, jullie God.”’

44En Mozes maakte de hoogtijdagen van de HEER aan het volk bekend.