Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
17

Bloed is levenskracht

171

17:1-9
Deut. 12:8-28
De HEER zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen en tegen alle Israëlieten: “De HEER heeft het volgende bepaald: 3‘Wanneer een Israëliet een rund, een schaap of een geit slacht, hetzij binnen hetzij buiten het kamp, 4zonder het dier naar de ingang van de ontmoetingstent te brengen om het bij de tabernakel van de HEER als offergave aan de HEER aan te bieden, wordt hem dat als doodslag aangerekend. Hij heeft bloed vergoten en zal uit de gemeenschap gestoten worden.’ 5De Israëlieten moeten dus de offerdieren die ze nu nog in het open veld slachten, aan de HEER aanbieden en ze naar de priester brengen, bij de ingang van de ontmoetingstent, om ze te slachten als vredeoffer voor de HEER. 6De priester moet immers het bloed tegen het altaar van de HEER gieten, dat bij de ingang van de ontmoetingstent staat, en het vet verbranden als een geurige gave die de HEER behaagt. 7Men mag geen offerdieren meer slachten voor bokken die als goden vereerd worden. Deze bepaling blijft voor de Israëlieten en hun nakomelingen voor altijd van kracht. 8Zeg dus tegen hen: ‘Wanneer een Israëliet of een vreemdeling die bij jullie woont een dier offert 9en het niet naar de ingang van de ontmoetingstent brengt om het aan de HEER op te dragen, zal hij worden uitgestoten.’

10

17:10-11
Lev. 19:26
17:10
Gen. 9:4
Lev. 7:26-27
Deut. 12:23
15:23
1 Sam. 14:33
Wanneer een Israëliet of een vreemdeling die bij jullie woont bloed eet, zal ik mij tegen hem keren en hem uit de gemeenschap stoten. 11Want het bloed is de levenskracht van een levend wezen. Ik heb het jullie gegeven om er op het altaar de verzoeningsrite mee te voltrekken, want bloed kan, als levenskracht, verzoening bewerken. 12Daarom heb ik tegen de Israëlieten gezegd: ‘Niemand van jullie mag bloed eten, ook de vreemdelingen die bij jullie wonen niet.’ 13
17:13
Deut. 12:16
En als een Israëliet of een vreemdeling die bij jullie woont wilde dieren of vogels jaagt die gegeten mogen worden, moet hij het bloed laten weglopen en het met droge aarde bedekken, 14want het bloed is de levenskracht van elk levend wezen. Daarom heb ik tegen de Israëlieten gezegd: ‘Vlees met bloed erin mag je niet eten, want het bloed is de levenskracht van elk levend wezen, en ieder die ervan eet zal worden uitgestoten.’

15

17:15
Ex. 22:30
Deut. 14:21
Elke geboren Israëliet en elke vreemdeling die een dier eet dat een natuurlijke dood gestorven is of is doodgebeten, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein; daarna is hij weer rein. 16Wie nalaat zijn kleren en zijn lichaam te wassen, moet de gevolgen van zijn zonde dragen.”’

18

Bepalingen en regels voor het heilige volk

181

18:1-30
Lev. 20:1-27
De HEER zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: “Ik ben de HEER, jullie God. 3
18:3
Ex. 23:24
Ezech. 20:7
Volg niet de levenswijze van de Egyptenaren, bij wie je gewoond hebt, noch de levenswijze van de Kanaänieten, naar wie ik je breng. Leef niet volgens hun bepalingen, 4maar volgens mijn regels, houd je aan mijn bepalingen en leef ze na. Ik ben de HEER, jullie God. 5
18:5
Lev. 8:1
Deut. 4:1
6:24
Neh. 9:29
Ezech. 18:9
20:11
Luc. 10:28
Rom. 10:5
Gal. 3:12
Mijn bepalingen en regels schenken leven aan wie ze volgt, houd ze dus in ere. Ik ben de HEER.

6Niemand van jullie mag de eer van een bloedverwant aantasten. Ik ben de HEER. 7Je mag geen gemeenschap hebben met je moeder, daarmee onteer je je vader; zij is je moeder en je mag geen gemeenschap met haar hebben. 8

18:8
Deut. 23:1
27:20
Heb geen gemeenschap met een andere vrouw van je vader, daarmee onteer je je vader. 9
18:9
Deut. 27:22
Heb geen gemeenschap met je zuster, of ze nu de dochter van je vader of van je moeder is; zelfs al is ze niet uit hetzelfde huwelijk geboren als jij, je mag geen gemeenschap met haar hebben. 10Heb geen gemeenschap met de dochter van je zoon of de dochter van je dochter, daarmee onteer je jezelf. 11Heb geen gemeenschap met de dochter van een vrouw van je vader die door je vader verwekt is; zij is je zuster en je mag geen gemeenschap met haar hebben. 12Heb geen gemeenschap met de zuster van je vader; zij is een bloedverwante van je vader. 13Heb geen gemeenschap met de zuster van je moeder; zij is een bloedverwante van je moeder. 14Tast de eer van je vaders broer niet aan; je mag zijn vrouw niet te na komen, ze is je tante. 15Heb geen gemeenschap met je schoondochter; zij is de vrouw van je zoon en je mag geen gemeenschap met haar hebben. 16Heb geen gemeenschap met de vrouw van je broer, daarmee onteer je je broer. 17Heb geen gemeenschap met de dochter van je vrouw, noch met de dochter van haar zoon of de dochter van haar dochter; zij zijn haar bloedverwanten en daarom zou dat een schanddaad zijn. 18Je mag niet naast je vrouw haar zuster als bijvrouw nemen, je mag geen gemeenschap hebben met de ene zuster zolang de andere leeft.

19

18:19-20
Ezech. 22:10-11
Heb geen gemeenschap met een vrouw wanneer zij vanwege haar menstruatie onrein is. 20
18:20
Ex. 20:14
Verontreinig jezelf niet door seksuele omgang te hebben met de vrouw van een ander. 21
18:21
Lev. 20:2-5
2 Kon. 23:10
Jer. 7:31
Ontwijd de naam van je God niet door een van je kinderen aan Moloch te offeren. Ik ben de HEER. 22Je mag niet het bed delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk. 23
18:23
Ex. 22:18
Deut. 27:21
Verontreinig jezelf niet door de geslachtsdaad te verrichten met een dier. En een vrouw mag niet een dier uitlokken om met haar te paren, dat is pervers.

24Verontreinig jezelf niet door dergelijke dingen te doen. De volken die ik voor jullie verdrijf hebben zich met al deze dingen verontreinigd, 25waardoor het land onrein werd. Vanwege de wandaden die er gepleegd zijn, heb ik het land geteisterd, zodat het zijn inwoners is gaan uitbraken. 26Jullie echter moeten mijn bepalingen en regels in ere houden, jullie mogen geen van deze gruwelen begaan. Dat geldt zowel voor geboren Israëlieten als voor de vreemdelingen die bij jullie wonen 27– de mensen die vóór jullie in het land woonden hebben al deze gruwelen bedreven, waardoor het land onrein werd – 28anders zal het land jullie uitbraken omdat jullie het verontreinigen, zoals het volk dat er voor jullie tijd woonde werd uitgebraakt. 29Wie toch een dergelijke gruweldaad bedrijft, zal uit de gemeenschap gestoten worden. 30Houd je aan je verplichtingen tegenover mij en volg geen van de gruwelijke gewoonten na die voor jullie tijd in zwang waren, opdat je er niet door verontreinigd wordt. Ik ben de HEER, jullie God.”’

19

191De HEER zei tegen Mozes: 2

19:2
Lev. 11:44-45
1 Petr. 1:16
‘Zeg tegen de gemeenschap van Israël: “Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God, ben heilig.

3

19:3
Ex. 20:8,12
Lev. 19:30
Deut. 5:12,16
Toon ontzag voor je moeder en je vader, en neem steeds mijn sabbat in acht. Ik ben de HEER, jullie God.

4

19:4
Ex. 20:4
34:17
Lev. 26:1
Deut. 5:8
27:15
Laat je niet in met afgoden en maak geen godenbeelden. Ik ben de HEER, jullie God.

5Wanneer je de HEER een vredeoffer aanbiedt, moet je, wil het offer aanvaard worden, 6het vlees eten op de dag dat het dier wordt geslacht, of op de volgende dag. Wat er op de derde dag nog over is, moet worden verbrand. 7

19:7
Lev. 7:17-18
Als er op de derde dag nog van het offervlees gegeten wordt, is dat verwerpelijk en zal het offer niet worden aanvaard. 8Wie ervan eet moet de gevolgen van zijn zonde dragen. Hij heeft ontwijd wat de HEER toebehoort en wordt uit de gemeenschap gestoten.

9

19:9
Deut. 24:19-22
Wanneer je de graanoogst binnenhaalt, oogst dan niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen. 10
19:10
Lev. 23:22
En wanneer je bij de wijnoogst druiven plukt, loop dan niet alles nog eens na en raap niet bijeen wat op de grond is gevallen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben de HEER, jullie God.

11

19:11
Ex. 20:15
Deut. 5:19
Steel niet, lieg niet en bedrieg je naaste niet. 12
19:12
Ex. 20:7,16
Deut. 5:11,20
19:16-19
Mat. 5:33
Leg geen valse eed af als je bij mijn naam zweert, want daarmee ontwijd je de naam van je God. Ik ben de HEER.

13

19:13
Deut. 24:14-15
Beroof niemand en pers een ander niet af. Betaal een dagloner zijn loon nog op dezelfde dag uit. 14
19:14
Deut. 27:18
Spreek geen vloek uit over een dove en plaats geen obstakel voor de voeten van een blinde. Toon ontzag voor je God. Ik ben de HEER.

15

19:15
Ex. 23:3,6-8
Deut. 16:19
Wees niet partijdig wanneer je rechtspreekt. Trek onaanzienlijken niet voor en zie machthebbers niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over je naasten. 16Breng het leven van een ander niet in gevaar door lasterpraat over hem rond te strooien. Ik ben de HEER.

17

19:17-18
Rom. 12:19
19:17
Sir. 10:6
Wees niet haatdragend. Als je iemand iets te verwijten hebt, roep hem dan ter verantwoording en laad niet omwille van een ander schuld op je 18
19:18
Mat. 5:43
19:19
22:39
Marc. 12:31
Luc. 10:27
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Jak. 2:8
door je te wreken of wrok te blijven koesteren. Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de HEER.

19

19:19
Deut. 22:9-11
Leef mijn bepalingen na. Laat je vee niet paren met dieren van een andere soort. Zaai je akker niet in met verschillende soorten gewassen. Draag geen kleren die zijn geweven uit twee soorten garen.

20Als een man seksuele omgang heeft met een slavin die voor een andere man bestemd was, en ze was nog niet vrijgekocht of vrijgelaten, moet hij een schadeloosstelling betalen. Ze hoeven niet ter dood gebracht te worden, want de vrouw was nog niet vrij. 21De man moet als hersteloffer voor de HEER een ram naar de ingang van de ontmoetingstent brengen. 22Door de ram ten overstaan van de HEER te offeren, voltrekt de priester voor de man in kwestie de verzoeningsrite voor datgene waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt, en krijgt hij vergeving voor zijn zonde.

23Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat ik je zal geven en je daar vruchtbomen plant, moet je de eerste vruchten laten hangen. De eerste drie jaar moet je de vruchten laten hangen en mag je er niet van eten. 24In het vierde jaar moeten jullie alle vruchten tijdens een dankfeest aan de HEER afstaan. 25In het vijfde jaar mag je de vruchten eten. De opbrengst zal des te groter zijn. Ik ben de HEER, jullie God.

26

19:26
Gen. 9:4
Ex. 22:17
Lev. 7:26
17:10-11
Deut. 12:23
15:23
18:10
1 Sam. 14:33
Eet geen vlees waar nog bloed in zit. Laat je niet in met waarzeggerij en wolkenschouwerij. 27-28
19:27-28
Lev. 21:5
Deut. 14:1
Wanneer je een dode te betreuren hebt, scheer dan het haar aan je slapen niet weg en knip geen stukken uit je baard, kerf geen tekens in je lichaam en breng geen tatoeages aan. Ik ben de HEER.

29Ontwijd je dochters niet door hoeren van hen te maken, want dan verspreidt de ontucht zich onder het volk en zal er in het hele land zedeloosheid heersen. 30

19:30
Lev. 19:3
26:2
Neem steeds mijn sabbat in acht en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben de HEER.

31

19:31
Lev. 20:6,27
Deut. 18:10-11
Raadpleeg geen geesten en schimmen van doden. Wie zich tot hen wendt, verontreinigt zichzelf. Ik ben de HEER, jullie God.

32Sta op voor oude mensen en betoon hun respect. Toon ontzag voor je God. Ik ben de HEER.

33Iemand die als vreemdeling in jullie land verblijft, mag je niet onderdrukken. 34

19:34
Ex. 22:20
Deut. 24:17-18
27:19
Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de HEER, jullie God.

35

19:35
Amos 8:5
Knoei niet met lengtematen, gewichten en inhoudsmaten. 36
19:36
Deut. 25:13-15
Spr. 20:10
Ezech. 45:10
Gebruik een zuivere weegschaal met zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin. Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid. 37Houd je aan al mijn bepalingen en regels en leef ze na. Ik ben de HEER.”’