Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

Eerste lied: het bittere lot van Jeruzalem

11

1:1
Bar. 4:12
Ach, hoe eenzaam zit zij neer, de eens zo levendige stad.

Een weduwe is ze geworden, zij die groot was onder de volken,

de vorstin van de gewesten is tot slavernij vervallen.

2

1:2
Jer. 9:17
30:14
Klaagl. 2:18
Heel de nacht weent zij, haar wangen zijn nat van tranen.

Er is niemand die haar troost, niemand van haar vele minnaars;

geen vriend bleef haar trouw, allen zijn haar vijandig gezind.

3Juda is verbannen na een tijd van nood en zware onderdrukking;

zij zit neer te midden van de volken, maar vindt geen rust:

haar vervolgers belagen haar, drijven haar in het nauw.

4

1:4
Jes. 3:26
Jer. 14:2
De wegen naar Sion treuren, er zijn geen feestgangers meer.

Haar poorten liggen verlaten, haar priesters zuchten,

haar meisjes zijn bedroefd. En zijzelf: bitter is haar lot.

5

1:5
Klaagl. 2:17
Haar vijanden zijn heer en meester, zo zeker van zichzelf.

De HEER heeft haar dit aangedaan om haar vele overtredingen.

Haar kinderen zijn gevangen weggevoerd, voor de vijand uit.

6Sion heeft al haar glans verloren.

Haar leiders zijn als herten die geen weidegrond meer vinden.

Ze zijn gevlucht, van al hun kracht beroofd, voor hun vervolgers uit.

7Jeruzalem denkt ten tijde van haar nood en haar zwervend bestaan

aan alle kostbaarheden die zij vanouds bezat.

Toen haar volk in handen van de vijand viel, schoot niemand haar te hulp;

de vijanden die haar zagen, lachten om haar ondergang.

8

1:8
Jes. 47:3
Ezech. 16:37
Haar zware zonden maakten Jeruzalem tot een voorwerp van spot;

wie haar eerden, verachten haar, nu ze haar naaktheid zien.

En zij, zij kreunt en zucht en wendt zich af.

9Haar onreinheid kleeft aan de zoom van haar kleed. Dit einde had ze niet voorzien.

Ontstellend diep is zij gezonken, er is niemand die haar troost.

HEER, zie toch mijn nood, zie hoe de vijand zich verheft.

10

1:10
Deut. 23:4
Ezech. 44:7-9
Ob. 10-14
De vijand heeft zijn hand naar haar kostbaarheden uitgestrekt.

Zij moet aanzien hoe het heiligdom betreden wordt door vreemde volken,

aan wie u de toegang tot de gemeenschap had ontzegd.

11Alle inwoners zuchten en steunen, op zoek naar wat brood,

ze ruilen hun kostbaarheden voor voedsel, om weer levenskracht te krijgen.

HEER, zie mij, merk toch op hoezeer ik word veracht.

12

1:12
Dan. 9:12
Jullie die hier voorbijgaan, raakt het jullie niet? Merk toch op en zie:

is er leed als het leed dat mij wordt aangedaan,

dat de HEER op de dag van zijn toorn over mij heeft uitgestort?

13Hij liet uit de hoogte vuur neerdalen,1:13 Hij liet [...] vuur neerdalen – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Hij zond [...] vuur, en het heerste over haar’. dat in mijn gebeente brandt.

Hij spande een valstrik voor mij, hij deed mij terugdeinzen.

Hij verwoestte mijn leven en maakte me ziek, dag na dag.

14

1:14
Deut. 28:48
Hij heeft mijn overtredingen gebundeld en ze vastgemaakt als een juk;

ze drukken zwaar op mijn nek, mijn kracht is gebroken.

De Heer heeft mij uitgeleverd aan hen bij wie ik weerloos ben.

15

1:15
Jes. 63:3
Joël 4:13
De Heer heeft de machthebbers in mijn midden verworpen,

hij heeft het tijdstip bepaald om mijn jongemannen te breken.

De Heer heeft vrouwe Juda in de wijnpers vertrapt.

16Hierom ween ik, hierom baden mijn ogen in tranen.

Oneindig ver weg is mijn trooster, die mij levenskracht geeft.

Mijn kinderen zijn verbrijzeld, want groot was de overmacht van de vijand.

17Sion strekt haar handen uit, maar er is niemand die haar troost.

De HEER heeft de vijanden rondom tegen Jakob opgeroepen;

zij bejegenen Jeruzalem alsof ze onrein is.

18De HEER staat in zijn recht: ik trotseerde zijn bevel.

Luister toch, volken, en zie hoe ik lijd:

mijn meisjes en mijn jongemannen zijn gevangen weggevoerd.

19Ik riep om mijn minnaars, maar zij lieten mij in de steek.

Mijn priesters en oudsten zijn in de stad omgekomen,

zoekend naar voedsel om in leven te blijven.

20

1:20
Jer. 4:19
9:20
HEER, zie mijn ellende: mijn ingewanden staan in brand,

mijn hart wordt verscheurd, omdat ik zo opstandig ben geweest.

Buiten berooft het zwaard mij van mijn kinderen, binnen heerst de dood.

21Hoor1:21 Hoor – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Zij hoorden’, of: ‘Men hoorde’. toch hoe ik zucht, er is niemand die mij troost.

Al mijn vijanden hoorden van mijn rampspoed en juichten uw daden toe:

de dag die u had bepaald, brak aan. – Laat hen nu delen in mijn lot!

22Neem hun verdorvenheid in ogenschouw, en doe met hen

wat u met mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen.

Talrijk zijn mijn verzuchtingen, en mijn hart is ziek.

2

Tweede lied: de HEER als vijand

21

2:1
Ezech. 43:7
Ach, hoe hult de Heer in zijn toorn Sion in donkere wolken.

Hij heeft vanuit de hemel Israëls luister ter aarde geworpen,

hij zag op de dag van zijn toorn niet naar zijn voetenbank om.

2De Heer heeft Jakobs weidegrond meedogenloos verwoest,

hij heeft in zijn woede de vestingen van Juda vernietigd,

hij heeft het koninkrijk vernederd en zijn leiders onteerd.

3

2:3
Klaagl. 4:11
Hij heeft in brandende toorn Israëls macht gebroken,

hij trok zijn rechterhand terug, niet langer weerhield hij de vijand.

Hij is tegen Jakob ontbrand als een laaiend, allesvernietigend vuur.

4Hij spande als een vijand zijn boog, met vaste rechterhand,

als een tegenstander doodde hij hun kostbaarste bezit.

Als vuur goot hij zijn gramschap uit over de tent van Sion.

5De Heer was een vijand voor hen: hij verwoestte Israël.

Hij heeft de paleizen verwoest, de vestingen vernietigd.

Hij heeft in heel Juda de jammerklachten vermeerderd.

6

2:6
Hos. 2:13
De HEER heeft de omheining geslecht als bij een tuin,

en de ontmoetingstent zelf heeft hij vernietigd;

hij heeft in Sion sabbat en feestdag in onbruik doen raken,

in zijn hevige toorn heeft hij koning en priester verstoten.

7

2:7
2 Kron. 36:19
Jer. 52:13
Ezech. 24:21
De Heer heeft zijn altaar versmaad, zijn heiligdom verworpen,

de muren van Sions paleizen prijsgegeven aan haar vijanden;

hun stemmen galmen door het huis van de HEER, als op een feestdag.

8

2:8
2 Kon. 21:13
Jes. 34:11
De HEER wilde de muur rondom Sion vernietigen:

hij spande het meetlint, trok zijn verwoestende hand niet terug,

hij bracht rouw over wallen en muren, die tezamen bezweken.

9

2:9
Deut. 28:36
Ps. 74:9
Ezech. 7:26
Haar poorten zijn ter aarde gezonken, de grendels stukgeslagen en vernield.

Nu haar koning en leiders onder vreemde volken leven,

is het onderricht van haar priesters verdwenen;

haar profeten ontvangen niet langer visioenen van de HEER.

10

2:10
Jer. 6:26
De oudsten van Sion zitten zwijgend op de grond,

met stof op hun hoofd, gehuld in een rouwkleed.

De meisjes van Jeruzalem buigen het hoofd ter aarde.

11Mijn ogen zijn door tranen verteerd, mijn ingewanden staan in brand,

mijn maag keert zich om – vanwege de wonden van mijn volk,

omdat kind en zuigeling versmachten op de pleinen van de stad.

12

2:12
Klaagl. 1:11
Ze blijven hun moeders vragen: ‘Is er geen brood en wijn?’,

versmachtend op de pleinen van de stad, als gewonden op het slagveld;

in de armen van hun moeders stroomt het leven uit hen weg.

13

2:13
Jer. 30:12
Waarmee zal ik je vergelijken, Jeruzalem, welk voorbeeld kan ik je tonen?

Waaraan zal ik je gelijkstellen, vrouwe Sion? Hoe kan ik je troosten?

Wijd als de zee gapen je wonden – wie kan je genezen?

14

2:14
Jer. 5:31
29:8
Ezech. 13:10
Je profeten hebben je bedrogen met valse visioenen –

hadden ze maar je wandaden onthuld om je lot nog te keren!

Ze hebben je valse orakels verkondigd om je te misleiden.

15

2:15
Jer. 19:8
Allen die voorbijgaan wringen de handen als ze jou zien;

ze sissen van afschuw, schudden meewarig het hoofd over Jeruzalem:

‘Is dit nu die stad, volmaakt van schoonheid, vreugde voor de wereld?’

16Al je vijanden sperren hun mond naar je open;

ze fluiten, grijnzen en spotten: ‘We hebben haar verwoest!

Ja, dit is de dag waarop we hoopten, hiernaar hebben wij uitgezien!’

17

2:17
Deut. 28:36-37
De HEER heeft gedaan wat hij bepaald had, hij bracht ten uitvoer

wat hij lang geleden had besloten: vernietiging zonder mededogen.

Hij liet je vijand triomferen, je tegenstanders gaf hij de macht.

18

2:18
Klaagl. 1:2
Het hart van het volk schreeuwt tot de Heer. – O, muur van Sion,

laat je tranen stromen als een rivier, dag en nacht,

aan één stuk door; gun je ogen geen rust.

19Weeklaag in de nacht, jammer tot aan de ochtend,

stort je hart uit als water, ten overstaan van de Heer.

Hef je handen naar hem op, voor het leven van je kinderen,

die op elke straathoek van honger versmachten.

20

2:20
Deut. 28:53
Jer. 19:9
Klaagl. 4:10
HEER, zie mij, merk toch op wie u dit aandoet.

Moeten vrouwen de kinderen eten die ze zelf hebben gebaard?

Moeten priester en profeet worden gedood in het heiligdom van de Heer?

21Op straat liggen de lijken van mannen, jong en oud,

mijn meisjes en mijn jongemannen zijn gevallen door het zwaard;

u doodt hen op de dag van uw toorn, meedogenloos slacht u hen af.

22U riep mijn ergste vijanden bijeen, als was het een feestdag.

Op de dag van de toorn van de HEER kan niemand ontkomen, niemand overleeft;

de kinderen die ik baarde en grootbracht, worden door mijn vijand gedood.

3

Derde lied: wanhoop en hoop

31Ik ben de mens die te lijden heeft onder de stok van zijn toorn.

2Hij leidt mij en voert mij – in een lichtloos duister.

3Tegen mij heft hij zijn hand op, steeds opnieuw, dag na dag.

4Mijn vlees en mijn huid doet hij wegteren, en al mijn botten breekt hij.

5Hij sluit mij in en omringt me met gif en tegenspoed.

6Hij laat mij in duisternis wonen, als de doden van eeuwen her.

7

3:7
Job 19:8
Hij trekt een muur rond mij op, ik kan er niet uit; zwaar zijn mijn bronzen ketenen.

8Al schreeuw ik en roep ik om hulp, hij wil mijn gebed niet horen.

9Hij verspert mij de weg met rotsblokken, mijn paden maakt hij krom.

10

3:10
Job 10:16
Als een beer loert hij op mij, als een leeuw in het verborgene.

11Hij dringt me opzij, hij verscheurt me en verwoest mijn leven.

12

3:12
Job 16:12-13
Hij spant zijn boog en kiest mij als doelwit voor zijn pijlen.

13Hij treft mij in het hart met de pijlen uit zijn koker.

14

3:14
Deut. 28:37
Job 30:9
Ps. 69:12-13
Jer. 20:7
Dag na dag moet ik het ontgelden in het spotlied van mijn volk.

15

3:15
Jer. 23:15
Hij verzadigt mij met bittere kruiden, hij geeft me alsem te drinken in overvloed,

16hij laat me mijn tanden stukbijten op stenen, hij drukt mij neer in het stof.

17Mijn leven is verstoken van3:17 is verstoken van – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘hebt u uitgesloten van’. vrede, geluk is mij vreemd geworden.

18

3:18
Job 17:15
Steeds denk ik: Verdwenen is mijn glans, vervlogen mijn hoop op de HEER.

19Gedenk mijn nood en mijn zwervend bestaan, de alsem en het gif.

20Telkens als ik mijn lot overdenk, ben ik diep terneergeslagen.

21Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast:

22

3:22
Ex. 34:6-7
Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen.

23Elke morgen schenkt hij nieuwe weldaden. – Veelvuldig blijkt uw trouw!

24

3:24
Ps. 73:26
Ik besef: mijn enig bezit is de HEER, al mijn hoop is op hem gevestigd.

25Goed is de HEER voor wie hem zoekt en alles van hem verwacht.

26

3:26
Jes. 30:18
Goed is het geduldig te hopen op de HEER die redding brengt.

27Goed is het als een mens zijn juk draagt in zijn jeugd.

28Laat hij neerzitten, eenzaam en geduldig, als het hem wordt opgelegd.

29Laat hij zich neerwerpen en stof likken, misschien is er hoop.

30

3:30
Jes. 50:6
Mat. 5:39
Laat hij zijn wang bieden aan wie hem slaat, laat hij verzadigd raken van hoon.

31Want de Heer verwerpt niet voor eeuwig.

32

3:32
Jes. 54:8
Als hij leed berokkent, ontfermt hij zich ook, zo groot is zijn genade;

33

3:33
Ezech. 33:11
slechts met tegenzin brengt hij leed en rampspoed over de mensen.

34Dat men overal op aarde gevangenen vertrapt,

35dat men iemands rechten schendt onder de ogen van de Allerhoogste,

36dat men een mens een eerlijk vonnis onthoudt – zou de Heer het niet zien?

37

3:37
Ps. 33:9
Wie is het die spreekt, en het is er? Zou de Heer het niet zijn die gebiedt?

38Komt uit de mond van de Allerhoogste niet goed zowel als kwaad?

39Wat klaagt een mens zolang hij nog leeft? Laat hij klagen over zijn zonden!

40

3:40
Jes. 55:7
Laten we ons leven onderzoeken en doorvorsen, laten we terugkeren naar de HEER,

41laten we met onze handen ook ons hart opheffen tot God in de hemel.

42Wij hebben gezondigd, wij zijn opstandig geweest, en u hebt ons niet vergeven.

43U hult u in toorn, u achtervolgt en doodt ons zonder mededogen.

44

3:44
Klaagl. 3:8
U hult u in een wolk, geen gebed dringt tot u door.

45

3:45
Deut. 28:37
1 Kor. 4:13
U maakt ons tot schuim en uitschot te midden van de volken.

46Al onze vijanden sperren hun mond naar ons open.

47Angst en afgrijzen, dood en verderf, ze houden ons in hun greep.

48Waterbeken stromen uit mijn ogen, om de rampspoed van mijn volk.

49Mijn ogen vloeien van tranen, zonder rust, zonder ophouden,

50totdat de HEER vanuit de hemel neerkijkt en mij ziet.

51Wat ik zie, raakt mij in het hart: het lot van de vrouwen van mijn stad.

52

3:52
Ps. 69:5
Mijn vijanden jaagden fel op mij, als op een vogel, al hadden ze geen reden.

53Ze hebben mijn leven gesmoord in de put, mij afgedekt met een steen.

54Het water sloot zich boven mijn hoofd, ik dacht: Ik ben verloren.

55

3:55
Ps. 130:1
Uit de diepte van de put roep ik uw naam, HEER.

56U hoort mijn stem. Sluit uw oor niet voor mijn zuchten en mijn hulpgeroep.

57Altijd als ik roep, bent u nabij; u zegt mij: ‘Wees niet bang.’

58U, Heer, neemt het voor mij op, u redt mijn leven.

59U, HEER, ziet hoe mij onrecht wordt aangedaan; verschaf mij toch recht.

60U doorziet hun wraakzucht, hun samenzwering tegen mij.

61U hoort hoe zij mij honen, HEER, en hoe ze samenzweren:

62hun vijandige taal en hun gekonkel over mij, de hele dag door.

63

3:63
Klaagl. 3:14
Zie hen in al hun doen en laten: ik word bezongen in hun spotlied.

64

3:64
Jer. 51:56
HEER, u zult hen laten boeten voor al wat ze misdeden,

65u zult hun geest verblinden – laat uw vloek hen treffen!

66Laat uw toorn hen achtervolgen, vaag hen weg van onder uw hemel.