Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
19

Het grondgebied van de stam Simeon

191

19:1-9
1 Kron. 4:28-33
Het tweede lot viel op de stam Simeon. Het grondgebied dat aan de families van deze stam werd toegewezen, lag binnen het gebied van Juda. 2Het omvatte Berseba, Sema,19:2 Sema – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Seba’. Molada, 3Chasar-Sual, Bala, Esem, 4Eltolad, Betul, Chorma, 5Siklag, Bet-Hammarkabot, Chasar-Susa, 6Bet-Lebaot en Saruchen. Dertien steden met de omliggende dorpen. 7En verder Aïn, Rimmon, Eter en Asan. Vier steden met de omliggende dorpen. 8De dorpen rond al deze steden reikten helemaal tot aan Baälat-Beër en Ramat-Negev.

Dit was het gebied dat toebehoorde aan de families van de stam Simeon. 9Het vormde een afgescheiden deel van het gebied van Juda, dat voor die stam te groot was. Daarom kreeg Simeon een gebied binnen dat van Juda.

Het grondgebied van de stam Zebulon

10

19:10-16
Recht. 1:30
Het derde lot viel op de stam Zebulon. De zuidgrens van het grondgebied dat aan de families van deze stam werd toegewezen, begon bij Sarid. 11Hij liep vervolgens in westelijke richting omhoog naar Marala, ging vlak langs Dabbeset en kwam precies uit bij de wadi die tegenover Jokneam ligt. 12De grens liep vanaf Sarid in oostelijke richting langs de streek rond Kislot-Tabor, ging rechtstreeks naar Daberat, ging omhoog naar Jafia 13en liep van daar verder naar het oosten. Hij passeerde Gat-Hachefer en Et-Kasin en liep rechtstreeks naar Rimmon. Vervolgens boog hij af naar Nea.19:13 Rimmon. Vervolgens boog hij af naar Nea – Voorgestelde lezing. MT: ‘Rimmon, dat gericht is op Nea’. 14Daarna boog de grens opnieuw af ten noorden van Channaton, waarna hij uitkwam in de vallei van Jiftach-El. 15Andere steden zijn Kattat, Nahalal, Simron, Jidala en Bet-Lechem. Twaalf steden met de omliggende dorpen.

16Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Zebulon.

Het grondgebied van de stam Issachar

17Het vierde lot wees de families van de stam Issachar het volgende grondgebied toe: 18De steden Jizreël, Kesullot, Sunem, 19Chafaraïm, Sion, Anacharat, 20Rabbit, Kisjon, Ebes, 21Remet, En-Gannim, En-Chadda en Bet-Passes. 22De grens van hun gebied liep vlak langs de Tabor, passeerde vervolgens Sachasim en Bet-Semes, en eindigde bij de Jordaan. Het omvatte zestien steden met de omliggende dorpen.

23Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Issachar.

Het grondgebied van de stam Aser

24

19:24-31
Recht. 1:31-32
Het vijfde lot wees de families van de stam Aser het volgende grondgebied toe: 25De steden Chelkat, Chali, Beten, Achsaf, 26Allammelech, Amad en Misal. De grens van hun gebied liep helemaal langs de Karmel, via de rivier de Libnat, naar de zee. 27De andere kant op, in oostelijke richting, liep hij naar Bet-Dagon; daarna viel hij even ten noorden van het dal van Jiftach-El samen met de grens van Zebulon. Vervolgens ging hij in noordelijke richting naar Bet-Haëmek, Neïël en Kabul. 28Andere steden daar zijn Abdon,19:28 Abdon – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘Ebron’. Rechob, Chammon, Kana en Groot-Sidon. 29Vanaf Groot-Sidon liep de grens terug in de richting van Rama, hij passeerde de vestingstad Tyrus, boog af naar Chosa en eindigde ten slotte bij de zee. Dit gebied omvatte verder de steden Machaleb,19:29 Machaleb – Voorgestelde lezing ondersteund door de Septuaginta. MT: ‘vanaf Chebel naar’, of: ‘vanaf [het door het] meetlint [toegewezen gebied] naar’. Achzib, 30Akko,19:30 Akko – Volgens sommige handschriften van de Septuaginta. MT: ‘Umma’. Afek en Rechob. Tweeëntwintig steden met de omliggende dorpen.

31Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Aser.

Het grondgebied van de stam Naftali

32

19:32-33
Recht. 1:33
Het zesde lot wees de families van de stam Naftali het volgende grondgebied toe: 33De zuidgrens liep vanaf Chelef, vanaf de eik in Saänannim, via Adami-Nekeb en Jabneël naar Lakkum, waarna hij eindigde bij de Jordaan. 34De andere kant op, in westelijke richting, liep de grens vanaf Chelef naar Aznot-Tabor; van daar liep hij naar Chukok. Hij viel in het zuiden samen met de grens van Zebulon, in het westen met de grens van Aser, en in het oosten eindigde hij bij de Jordaan, bij Jehuda. 35Dit gebied omvatte de vestingsteden Siddim, Ser, Chammat, Rakkat, Kinneret, 36Adama, Rama, Hasor, 37Kedes, Edreï, En-Chasor, 38Jiron, Migdal-El, Chorem, Bet-Anat en Bet-Semes. Negentien steden met de omliggende dorpen.

39Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Naftali.

Het grondgebied van de stam Dan

40Het zevende lot wees de families van de stam Dan het volgende grondgebied toe: 41De steden Sora, Estaol, Ir-Semes, 42Saälabbin, Ajjalon, Jitla, 43Elon, Timna, Ekron, 44Elteke, Gibbeton, Baälat, 45Jehud, Bene-Berak, Gat-Rimmon, 46Me-Hajjarkon en Rakkon met het gebied tegenover Jafo. 47

19:47
Recht. 18:27-29
Maar de Danieten verloren hun gebied. Ze ondernamen daarom een veldtocht naar Lesem, namen die stad in en doodden iedereen die er woonde. Ze namen Lesem in bezit, vestigden zich in die stad en noemden haar Dan, naar hun stamvader.

48Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Dan.

Een stad voor Jozua

49Toen de Israëlieten de verdeling van het land hadden voltooid, wezen ze ook een gebied toe aan Jozua, de zoon van Nun. 50

19:50
Joz. 24:30
Recht. 2:9
Overeenkomstig de opdracht van de HEER gaven ze hem de stad waarom hij had gevraagd: Timnat-Serach in het bergland van Efraïm. Jozua bouwde die stad weer op en ging er wonen.

51Tot zover de gebieden die de priester Eleazar, Jozua, de zoon van Nun, en de stamhoofden van Israël in Silo, voor de ingang van de ontmoetingstent, ten overstaan van de HEER, door loting hebben toegewezen. Daarmee was de verdeling van het land voltooid.

20

Vrijplaatsen

201

20:1-9
Ex. 21:13
Num. 35:9-28
Deut. 19:1-10
De HEER zei tegen Jozua: 2‘Zeg tegen het volk van Israël dat het de vrijplaatsen moet aanwijzen waarover ik al bij monde van Mozes met jullie gesproken heb. 3Iemand die per ongeluk, zonder enige opzet, een ander heeft gedood, kan daarheen uitwijken voor de bloedwreker. 4Hij kan naar een van die steden vluchten en in de stadspoort zijn zaak aan de oudsten voorleggen. Ze moeten hem in hun stad opnemen en een plek geven waar hij kan wonen. 5Als de bloedwreker hem dan achterhaalt, mogen ze hem niet uitleveren. Tenslotte heeft hij zijn slachtoffer niet opzettelijk gedood en hem nooit gehaat. 6Hij kan in de stad blijven tot hij voor de volksvergadering moet verschijnen, en wanneer hij vrijgesproken wordt mag hij er blijven wonen tot aan de dood van de dan zittende hogepriester. Daarna kan hij rustig huiswaarts keren naar de stad waaruit hij was gevlucht.’

7De Israëlieten verklaarden de volgende steden tot vrijplaats: Kedes in Galilea, in het bergland van Naftali; Sichem in het bergland van Efraïm; Kirjat-Arba (het huidige Hebron) in het bergland van Juda; 8

20:8-9
Deut. 4:41-43
Beser op het onontgonnen deel van de hoogvlakte ten oosten van de Jordaan, ter hoogte van Jericho, op het grondgebied van Ruben; Ramot in Gilead, op het grondgebied van Gad; en Golan in Basan, op het grondgebied van Manasse. 9Dit waren voor alle Israëlieten en voor de vreemdelingen die bij hen woonden de aangewezen vrijplaatsen, waarheen iedereen kon vluchten die per ongeluk iemand had gedood. Zo zou hij niet door de bloedwreker kunnen worden gedood voordat hij voor de volksvergadering terechtgestaan had.

21

Steden voor de Levieten

211-2

21:1-42
Num. 35:1-8
1 Kron. 6:39-66
De familiehoofden van de Levieten kwamen in Silo, in Kanaän, bij de priester Eleazar, bij Jozua, de zoon van Nun, en bij de stamhoofden van Israël. Ze zeiden tegen hen: ‘De HEER heeft u bij monde van Mozes opgedragen ons steden te geven om in te wonen en weidegronden voor ons vee.’ 3Hierop stonden de Israëlieten van hun eigen grondgebied een reeks steden en weidegronden af aan de Levieten, overeenkomstig deze opdracht van de HEER.

4Er werden door loting eerst steden toegewezen aan de Levitische families die van Kehat afstamden. Hiervan kregen de nakomelingen van de priester Aäron dertien steden; deze kwamen van de stammen Juda, Simeon en Benjamin. 5De overige nakomelingen van Kehat kregen door loting tien steden toegewezen; deze kwamen van de families van de stammen Efraïm en Dan en van de tweede helft van de stam Manasse. 6Vervolgens kregen de nakomelingen van Gerson door loting dertien steden toegewezen; deze kwamen van de families van de stammen Issachar, Aser en Naftali en van de eerste helft van de stam Manasse in Basan. 7De families die van Merari afstamden kregen twaalf steden toegewezen; deze kwamen van de stammen Ruben, Gad en Zebulon. 8Zo wezen de Israëlieten door loting aan de Levieten een reeks steden en weidegronden toe, zoals de HEER hun bij monde van Mozes had opgedragen.

9-10Het eerste lot viel op de families van de Kehatieten die nakomelingen waren van Aäron. Deze Levieten kregen de volgende, hieronder opgesomde steden van de stammen Juda en Simeon: 11

21:11-12
Joz. 14:13-15
Kirjat-Arba met de omliggende weidegronden, in het bergland van Juda. (Arba was de vader van Enak; Kirjat-Arba is het huidige Hebron.) 12De Israëlieten gaven echter de akkers rond deze stad en de omliggende dorpen aan Kaleb, de zoon van Jefunne. 13De nakomelingen van de priester Aäron kregen behalve Hebron (een vrijplaats ter bescherming tegen bloedwrekers) eveneens Libna, 14Jattir, Estemoa, 15Cholon, Debir, 16Asan,21:16 Asan – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Aïn’. Jutta en Bet-Semes. Negen steden van de stammen Juda en Simeon, elk met de omliggende weidegronden. 17En van de stam Benjamin kregen ze Gibeon, Geba, 18Anatot en Almon. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. 19In totaal kregen de priesters, de nakomelingen van Aäron, dertien steden met de omliggende weidegronden.

20Het lot wees de overige Levitische families die van Kehat afstamden de volgende steden van de stam Efraïm toe: 21Sichem in het bergland van Efraïm (een vrijplaats ter bescherming tegen bloedwrekers), Gezer, 22Kibsaïm en Bet-Choron. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. 23Van de stam Dan kregen ze Elteke, Gibbeton, 24Ajjalon en Gat-Rimmon. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. 25En van de tweede helft van de stam Manasse kregen ze Taänach en Jibleam.21:25 Jibleam – Voorgestelde lezing. MT: ‘Gat-Rimmon’. Twee steden, beide met de omliggende weidegronden. 26In totaal kregen de overige families die van Kehat afstamden tien steden met de omliggende weidegronden.

27De Israëlieten gaven aan de Levitische families die van Gerson afstamden de volgende steden van de eerste helft van de stam Manasse: Golan in Basan (een vrijplaats ter bescherming tegen bloedwrekers) en Astarot.21:27 Astarot – Volgens de Pesjitta. MT: ‘Beëstera’. Twee steden, beide met de omliggende weidegronden. 28Van de stam Issachar gaven ze Kisjon, Daberat, 29Jarmut en En-Gannim. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. 30-31Verder Misal, Abdon, Chelkat en Rechob van de stam Aser. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. 32En van de stam Naftali gaven ze Kedes in Galilea (een vrijplaats ter bescherming tegen bloedwrekers), Chammot-Dor en Kartan. Drie steden, elk met de omliggende weidegronden. 33In totaal kregen de families die van Gerson afstamden dertien steden met de omliggende weidegronden.

34De Israëlieten gaven aan de families die van Merari afstamden, de Levieten die nog resteerden, de volgende steden van de stam Zebulon: Jokneam, Karta, 35Dimna en Nahalal. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden.21:35 Tussen de verzen 35 en 38 hebben sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen nog de volgende tekst: ‘[36] Van de stam Ruben gaven ze Beser op het onontgonnen deel van de hoogvlakte, Jahas, [37] Kedemot en Mefaät. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden.’ 38En van de stam Gad gaven ze Ramot in Gilead (een vrijplaats ter bescherming tegen bloedwrekers), Machanaïm, 39Chesbon en Jazer. Vier steden, elk met de omliggende weidegronden. 40In totaal kregen de families die van Merari afstamden, de nog resterende Levitische families, door loting twaalf steden toegewezen.

41Tot zover de steden die de Levieten op het grondgebied van Israël kregen toegewezen. In totaal achtenveertig steden met de omliggende weidegronden. 42Bij al deze steden moesten de omliggende weidegronden worden meegerekend; dit gold voor elke stad.

43Zo schonk de HEER Israël het hele land, zoals hij hun voorouders onder ede beloofd had. De Israëlieten namen het in bezit en gingen er wonen. 44En de HEER gaf hun vrede aan al hun grenzen, precies zoals hij hun voorouders beloofd had. Geen van hun vijanden kon tegen hen standhouden, de HEER leverde al hun vijanden aan hen uit. 45

21:45
Joz. 23:14
1 Kon. 8:56
Hij brak niet één van de beloften die hij Israël had gedaan. Hij deed ze alle gestand.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]