Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

51Roep dan, is er iemand die jou antwoordt?

Tot wie in de hemel kun jij je wenden?

2Aan ergernis gaat de dwaas ten onder,

van afgunst sterft de domme.

3Ik zag een dwaas die het voor de wind ging,

maar plotseling was zijn huis vervloekt.

4Zijn kinderen vonden hulp noch bescherming,

ze werden in de poort vertrapt en niemand schoot te hulp.

5Wat de dwaas oogst, eet de hongerige,

zelfs tussen dorens haalt hij weg al wat hij kan,

en de dorstige smacht naar zijn bezit.

6Nee, niet uit de aarde spruit het kwaad,

niet uit de grond komt het ongeluk voort.

7De mens is voor het ongeluk geboren –

zoals vonken uit het vuur omhoog spatten.

8Ik zou me in jouw plaats tot God wenden,

aan God zou ik het oordeel overlaten.

9

5:9
Job 9:10
37:5
Hij doet grote, ondoorgrondelijke dingen,

ontelbaar zijn de wonderen die hij verricht.

10Hij zendt de regen die op aarde valt,

hij laat het water over de akkers vloeien.

11

5:11
1 Sam. 2:7-8
Onaanzienlijken brengt hij tot aanzien,

treurenden geeft hij weer vertrouwen.

12Hij doorkruist de listen van de sluwen,

wat zij ondernemen zal mislukken.

13

5:13
1 Kor. 3:19
De wijzen overtroeft hij in hun wijsheid,

verraderlijke plannen lopen op niets uit.

14Overdag stuiten ze op duisternis,

ze tasten in de middag rond alsof het nacht is.

15Maar de armen redt hij van de gesel van hun tong,

hij redt hen uit de greep van de sterken.

16Er is hoop voor de weerlozen –

het kwaad wordt de mond gesnoerd.

17

5:17
Spr. 3:11-12
Hebr. 12:5-6
Gelukkig de mens die door God wordt getuchtigd,

wijs daarom de straf van de Ontzagwekkende niet af!

18

5:18
Deut. 32:39
Hos. 6:1
Want hij verwondt en hij verbindt,

hij slaat en zijn handen genezen.

19Zesmaal zal hij je redden in gevaar,

ook de zevende maal zal je niets overkomen.

20

5:20
Ps. 33:19
In tijden van honger behoedt hij je voor de dood,

in tijden van oorlog voor de macht van het zwaard.

21Voor de gesel van de tong ben je veilig,

bij naderend geweld zul je niet bang zijn.

22

5:22-23
Jes. 11:6-8
Met honger en geweld kun je spotten,

de wilde dieren van de aarde hoef je niet te vrezen.

23

5:23
Hos. 2:20
Je hebt een verbond met de stenen van het veld,

met de dieren van het veld leef je in vrede.

24Je weet dat er vrede in je huis heerst,

je kijkt uit over je weiden – niets ontbreekt je.

25

5:25
Gen. 28:14
Je weet dat je kroost talrijk zal zijn,

dat je nageslacht de aarde als gras zal bedekken.

26Verzadigd van het leven zul je in het graf dalen,

als een rijpe korenschoof die wordt binnengehaald.

27Dit hebben wij onderzocht, en zo is het;

luister naar ons en neem het ter harte.’

6

Jobs antwoord op Elifaz’ eerste betoog

61Hierop antwoordde Job:

2‘Weeg mijn verdriet en mijn boosheid,

leg mijn lijden erbij in de weegschaal:

3zwaarder is het dan het zand van de zee.

Daarom waren mijn woorden zo onbezonnen.

4

6:4
Deut. 32:23
Job 16:13
Ps. 38:3
De pijlen van de Ontzagwekkende steken in mij,

mijn geest wordt door hun gif vergiftigd.

Voor mij staat de slagorde van Gods verschrikkingen.

5Balkt een ezel bij het zien van mals gras,

loeit een os bij zijn voederbak?

6Eet men flauwe spijzen zonder zout,

zit er smaak aan het wit van een ei?

7Ik keer mij af van zulk voedsel,

het is weerzinwekkend.

8Laat toch gebeuren waar ik om vraag,

laat God mijn hoop verwerkelijken.

9

6:9
Job 7:15
Wilde hij mij maar verpletteren,

zijn hand terugtrekken, mijn levensdraad afsnijden.

10Dat zou een troost voor mij zijn,

ik zou opspringen, ondanks de pijn die hij mij niet bespaart,

ik heb de woorden van de Heilige nooit verloochend.

11Ik heb geen kracht meer om te wachten.

Met welk doel zou ik alles verdragen?

12Is mijn kracht de kracht van stenen?

Is mijn lichaam hard als brons?

13Vind ik nog ergens hulp?

Zal ik ooit weer aanzien krijgen?

14Wie zich bekommert om een vriend in nood

toont zijn eerbied voor de Ontzagwekkende.

15Maar mijn vrienden zijn onbetrouwbaar,

als beken die voorbijstromen,

16troebel onder het ijs,

donker in de sneeuw.

17’s Zomers slinken ze en zijn niet meer te horen,

ze verdampen in de hitte en zijn onvindbaar.

18Al kronkelend door de woestenij

eindigen ze in het niets en gaan verloren.

19Karavanen van Tema speuren naar hun loop,

reizigers uit Seba rekenen op hun water.

20Maar hun vertrouwen wordt beschaamd,

daar aangekomen zien ze zich bedrogen.

21Welnu, zo zijn jullie ook geworden,

jullie zien mijn rampspoed en angst is jullie antwoord.

22Heb ik jullie soms gevraagd: “Geef me iets”?

Of: “Betaal voor mij met jullie geld”?

23Of: “Bevrijd me uit vijandelijke hand,

verlos me uit de macht van tirannen”?

24Als ik iets misdaan heb, vertel het dan.

Leg het me uit, ik zal wel zwijgen.

25Oprechte woorden sterken,

maar jullie verwijten – wat tonen die aan?

26Nemen jullie me mijn woorden kwalijk?

Is mijn vertwijfeld spreken voor jullie niets dan wind?

27Een weeskind zouden jullie nog verdobbelen,

jullie zouden zelfs je eigen vriend verkopen!

28Keer mij je gezicht toe en luister.

Ik zal tegen jullie toch niet liegen?

29Bezin je, laat geen onrecht gebeuren.

Bezin je, nog altijd sta ik in mijn recht.

30Ligt er kwaad op mijn tong?

Ken ik de smaak van rampspoed niet?

7

71

7:1
Sir. 40:1
Is het aardse leven van de mens geen slavendienst,

brengt hij zijn dagen niet door als een dagloner?

2Als een slaaf smacht hij naar schaduw,

als een dagloner wacht hij op zijn loon.

3Maanden van leegte heb ik ervaren,

nachtenlang werd ik door ellende overmand.

4Als ik ga slapen, vraag ik: “Wanneer sta ik weer op?”

Maar de avond duurt en duurt

en onrust vervult me tot de ochtendwind komt.

5Mijn lichaam is met wormen en korsten bedekt,

mijn huid verschilfert en laat los.

6Mijn dagen gaan sneller dan een weversspoel,

ze haasten zich naar een einde zonder hoop.

7Bedenk toch: in een zucht is mijn leven voorbij,

nooit weer zal mijn blik het goede aanschouwen.

8Het oog dat op mij is gericht, zal niets zien:

u kijkt naar mij, maar ik zal er niet zijn.

9

7:9
Wijsh. 2:4
Zoals wolken verwaaien en verdwijnen,

zo daalt de mens voorgoed af in het dodenrijk.

10Naar zijn huis keert hij niet terug

en zijn woonplaats zal hem niet meer kennen.

11Maar ik zal mijn mond niet houden,

zo beklemd als mijn hart is, zal ik spreken,

zo bitter als mijn ziel is, zal ik klagen.

12Ben ik de zee of het zeemonster?

Moet u mij daarom bewaken?

13Want als ik zeg: “In mijn bed vind ik troost,

mijn slaap zal mijn verdriet verzachten,”

14dan schrikt u mij met dromen op,

en de beelden die ik zie, jagen me angst aan.

15

7:15
Job 6:9
Liever zou ik gewurgd worden en sterven

dan in dit lichaam blijven.

16

7:16-17
Ps. 8:5
144:3-4
Ik kan niet meer, ik zal niet eeuwig leven;

laat mij toch met rust, mijn dagen zijn al vluchtig.

17Waarom acht u de mens zo hoog?

Waarom krijgt hij al die aandacht van u?

18Elke ochtend dringt u zich aan hem op,

u onderzoekt hem, elk ogenblik opnieuw.

19Wanneer wendt u uw blik eens af,

wanneer gunt u mij even rust, zodat ik kan slikken?

20Heb ik gezondigd?

Heb ik u iets misdaan, bespieder van de mens?

Waarom hebt u mij tot mikpunt gekozen?

Ik ben mezelf al tot last.

21Waarom negeert u mijn misstappen niet?

Waarom gaat u niet voorbij aan mijn fouten?

Weldra zal ik tot stof zijn vergaan,

u zult naar me zoeken, maar ik zal er niet zijn.’