Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
39

391Weet39:1-30 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 39:4-33. jij wanneer de berggeit moet werpen?

Ben jij getuige van de weeën van de hinde?

2Kun jij de maanden tellen dat ze moet dragen,

weet jij wanneer ze moet baren,

3wanneer ze hurkt om te jongen,

om van haar kalveren verlost te worden?

4Haar kroost wordt sterk en groeit op in het vrije veld,

dan gaat het weg en het komt niet meer terug.

5Wie heeft de wilde ezel zijn vrijheid gegeven,

wie heeft de balker van zijn banden bevrijd?

6Ik laat hem wonen in de wildernis,

de zoutvlakte is zijn domein.

7Hij spot met het lawaai van de stad,

het geschreeuw van de drijvers hoort hij niet.

8Hij stroopt de bergen af, zijn weidegronden,

hij speurt naar ieder stukje groen.

9Zou de wilde stier bereid zijn jou te dienen,

zou hij willen overnachten bij je voederbak?

10Kun jij hem met een touw voren laten trekken,

zou hij achter jou de dalgrond eggen?

11Kun je op hem vertrouwen, zo sterk als hij is,

en aan hem het werk overlaten?

12Ben jij er zeker van dat hij binnenhaalt

wat jij gezaaid hebt en het naar de dorsvloer brengt?

13Het struisvogelvrouwtje staat vrolijk te klapwieken,

maar met haar slagpennen en veren is zij nog geen ooievaar.

14Ze legt haar eieren op de grond

en laat haar legsel door het zand verwarmen;

15ze vergeet dat een voet het kan breken,

dat een wild dier het kan vertrappen.

16

39:16
Klaagl. 4:3
Ze is hard voor haar jongen, alsof ze niet van haar zijn,

onverschillig of haar moeite misschien voor niets geweest is,

17want God heeft haar elk inzicht onthouden

en haar niet met wijsheid begiftigd.

18Maar wanneer ze opspringt en wegsnelt,

lacht ze paard en ruiter uit.

19Geef jij het paard zijn kracht?

Bekleed jij zijn nek met welige manen?

20Laat jij hem voorwaarts springen als een sprinkhaan,

terwijl zijn geweldige briesen angst aanjaagt?

21Van vreugde schraapt hij de grond in het dal;

fier rukt hij uit, de strijd tegemoet.

22Hij spot met het gevaar, niets maakt hem bang;

hij deinst niet terug voor het zwaard.

23Pijlen schieten hem voorbij,

speren en lansen flitsen langs hem heen.

24Driftig stampend woelt hij de grond om,

onbeteugelbaar wanneer de hoorn eenmaal schalt.

25Bij elke stoot van de trompet roept hij “Aaah!” –

hij ruikt de oorlog van verre,

hoort het getier van de aanvoerders, de kreten.

26Is het aan jouw wijsheid te danken dat de valk opstijgt

en zijn vleugels spreidt om zuidwaarts te trekken?

27Vliegt de gier weg als jij hem beveelt,

om zijn nest hoog in de bergen te bouwen,

28op een rots waar hij woont en overnacht,

op een richel, een onbereikbare piek?

29Van daar spiedt hij naar prooi,

zijn oog speurt in de verste verten.

30

39:30
Mat. 24:28
Zijn jongen slurpen bloed;

waar gevallenen liggen, daar is hij.’

40

401En40:1-5 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 39:34-38. de HEER vervolgde:

2‘Een mens die met de Ontzagwekkende twist – kan hij hem iets leren?

Laat hij die God terechtwijst op dit alles antwoorden!’

3En Job antwoordde de HEER:

4‘Ik ben onaanzienlijk. Wat zal ik u antwoorden?

Ik leg mijn hand op mijn mond.

5Ik heb eenmaal gesproken en zeg niets meer,

tweemaal – en doe er het zwijgen toe.’

6Toen40:6-32 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 40:1-27. antwoordde de HEER Job vanuit een storm:

7‘Sta op, Job, wapen je;

ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet.

8Wil je mijn recht loochenen,

wil je mij schuldig verklaren en zelf vrijuit gaan?

9Is jouw arm zo sterk als die van God,

heb jij zo’n donderstem als hij?

10Tooi je dan met trots en waardigheid,

omkleed jezelf met eer en glorie.

11Stort je razende woede over alles uit,

zie je een hoogmoedige – verneder hem,

12zie je een hoogmoedige – buig zijn nek,

vertrap de goddelozen, waar ze ook zijn.

13Begraaf ze allemaal in het stof,

beneem hun in de onderwereld het gezicht.

14Wanneer je op eigen kracht zult winnen,

dan zal ook ik je prijzen.

15Zie het nijlpaard dat ik heb geschapen, net als jou;

het eet gras als een rund.

16Hoe krachtig zijn zijn lendenen,

hoe machtig de spieren van zijn buik!

17Hij kan zijn staart rechten als een ceder,

de pezen van zijn dijen spannen zich in bundels.

18Zijn botten zijn staven van brons,

zijn ribben stangen van ijzer.

19Hij is een van Gods eerste meesterwerken,

tegen hem trekt alleen zijn maker het zwaard.

20Zijn voedsel vindt hij in de bergen,

waar de dieren van het veld zich vermaken.

21Hij strekt zich uit onder de lotusplanten,

hij ligt verborgen tussen het riet van het moeras.

22De lotusplanten hullen hem in hun schaduw;

de wilgen van het dal beschutten hem.

23Hij slurpt een rivier leeg zonder zich te haasten;

hij blijft kalm wanneer de Jordaan zijn muil in golft.

24Wie kan oog in oog met hem staan

en een ring door zijn neus halen?

25Kun jij met een haak de krokodil op de kant trekken

en zijn tong met een touw beteugelen?

26Kun jij met een riet zijn neus doorsteken

en met een doorn zijn kaak doorboren?

27Zou hij jou bidden en smeken

en vriendelijke woorden tot je richten?

28Zou hij een verbond sluiten met jou,

zodat jij hem voortaan als knecht kunt hebben?

29Kun je met hem spelen als met een vogel,

hem aan een touw houden, voor je dochters?

30Zal het vissersgilde over zijn prijs onderhandelen

en hem tussen de kooplieden verdelen?

31Kun jij speren in zijn huid planten

en een harpoen door zijn kop steken?

32Waag het eens hem aan te raken –

weet wel: het zou je laatste strijd zijn.

41

411De41:1-26 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 40:28-41:25. hoop van elke aanvaller wordt beschaamd,

alleen al bij zijn aanblik wordt hij teruggeworpen.

2Wie zou het wagen om hem op te schrikken?

Wie kan aantreden om met hem te strijden?

3Wie daagt hem uit zonder daarvoor te boeten?

Niemand, hij heeft op de hele aarde zijn gelijke niet.

4Ik zal niet zwijgen over zijn machtige dijen,

over zijn geweldige krachten en fraaie gestalte.

5Wie kan zijn opperhuid afvillen?

Wie dringt door zijn dubbele pantser41:5 pantser – Volgens de Septuaginta. MT: ‘bit’. heen?

6Wie heeft de kracht om zijn kaken te openen?

Schrikwekkend gapen de tanden in zijn muil.

7Zijn rug is met schilden geschubd,

ondoordringbaar verzegeld.

8Ze sluiten dicht op elkaar aan

en laten niet de minste lucht door;

9het ene kleeft vast aan het andere,

aaneengesloten en onscheidbaar.

10Wanneer hij proest, flikkert het licht,

zijn ogen schitteren als de dageraad.

11Brandende fakkels komen uit zijn bek,

vonkenregens vliegen door de lucht.

12Zijn neusgaten walmen,

als een kokende ketel of rokend riet.

13Zijn adem laat kolen ontbranden,

uit zijn bek slaat een vlam.

14Zijn nek zwelt op van kracht,

zijn muil straalt niets dan verschrikking uit.

15Zijn vlees sluit dicht om hem heen,

als om hem gegoten, onwrikbaar.

16Zijn hart is hard als een rots

en hard als de onderste maalsteen.

17Komt hij overeind, dan deinzen stortzeeën terug

en wijken brekers.

18Geen tegen hem getrokken zwaard houdt stand,

geen speer, geen lans, geen pijl.

19IJzer beschouwt hij als stro,

brons als rot hout.

20Hij slaat niet op de vlucht voor de pijl uit de boog,

slingerstenen raken hem – het zijn maar stoppels.

21Voor hem is een knuppel als stro

en hij lacht om het suizen van speren.

22Zijn onderlijf is zo scherp als een scherf;

als een dorsslede snijdt hij door de modder.

23Hij laat de diepten kolken,

de zee als een mengkroes zieden.

24Hij laat een spoor van lichten achter,

alsof de zee met zilverwitte koppen is bekroond.

25Hij heeft op de aarde zijn gelijke niet,

hij is een schepsel zonder vrees.

26Op al wat hoog is kijkt hij neer,

hij is de koning van alle trotse dieren.’