Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
34

341En Elihu vervolgde:

2‘Luister, wijzen, naar mijn woorden,

jullie die alles weten, hoor wat ik zeg.

3

34:3
Job 12:11
Want het oor toetst de woorden,

zoals het gehemelte het voedsel proeft.

4Laten we samen onderzoeken wat juist is,

laten we met elkaar vaststellen wat goed is.

5

34:5
Job 9:15,20
13:18
19:7
27:2
Welnu, Job heeft gezegd: “Ik sta in mijn recht,

maar God heeft het mij onthouden.

6Ondanks mijn gelijk ga ik voor leugenaar door;

een dodelijke pijl heeft mij getroffen, al heb ik niets misdaan.”

7Is er een tweede zoals Job,

die zijn dorst met laster lest,

8die zich onder de onrechtplegers schaart

en omgaat met wettelozen?

9Want hij heeft gezegd:

“Het baat de mens niet om bevriend te zijn met God.”

10

34:10
Job 8:3
Jullie die zo verstandig zijn, luister dus naar mij:

het is verre van God om kwaad te doen,

de Ontzagwekkende zal geen misdaad plegen.

11

34:11
Ps. 62:13
Spr. 24:12
Sir. 16:14
Rom. 2:6
Hij vergeldt daarentegen de mens zijn daden,

hij beslist over hem naargelang zijn doen en laten.

12God zal geen slechtheden begaan,

de Ontzagwekkende zal het recht niet verdraaien.

13Wie heeft de aarde aan hem toevertrouwd,

wie heeft de hele wereld onder zijn bevel gesteld?

14

34:14-15
Ps. 104:29-30
Als hij zijn aandacht alleen op zichzelf zou richten

en hij zijn geest en adem voor zichzelf zou bewaren,

15

34:15
Gen. 3:19
dan zou al wat leeft onmiddellijk ten onder gaan

en de mens zou terugkeren tot stof.

16Als je ook maar iets begrijpt, luister dan;

laat de woorden die ik zeg tot je doordringen.

17Kan wie het recht haat met macht omgord zijn?

Wil je hem veroordelen die machtig en rechtvaardig is,

18

34:18
Jes. 40:23
die tegen koningen zegt “nietswaardige!”

en “goddeloze!” tegen edelen?

19Die geen partij kiest voor de vorsten

en de rijken niet begunstigt boven de geringen,

omdat zij allen het werk van zijn handen zijn?

20Onverwacht sterven zij, in het diepst van de nacht;

de rijke wordt opgeschrikt en het is voorbij met hem,

de machtige wordt weggehaald, en niet door mensenhand.

21

34:21
Ps. 33:14-15
Jer. 32:19
Want Gods oog is op de wegen van de mens gericht,

geen van zijn stappen blijft voor hem verborgen.

22Geen donker is zo diep, zo zwart,

dat het onrechtplegers kan verbergen.

23Het is niet aan de mens het tijdstip te bepalen

waarop God zijn rechtsgeding begint.

24

34:24
Dan. 2:21
God maakt korte metten met de machtigen

en stelt anderen in hun plaats.

25Jazeker, hij doorziet hun daden

en brengt hen in de nacht ten val;

verpletterd liggen ze terneer.

26Ter plaatse, ten overstaan van allen,

geselt hij hen voor hun goddeloosheid.

27Want ze hebben zich van hem verwijderd,

ze slaan geen acht op de wegen die hij wijst;

28het komt door hen dat de armen om hulp roepen,

door hen hoort God de vertrapten schreeuwen.

29Maar als hij zwijgt, wie kan hem dan verstoren?

Als hij zijn gelaat verbergt, wie kan hem dan aanschouwen?

Over de mensen en de volken waakt hij evenzeer,

30opdat geen schurk ooit koning wordt,

niemand die het volk in zijn net verstrikt.

31Stel, een mens heeft tegen God gezegd:

“Ik heb mijn straf gekregen, ik zal niets kwaads meer doen.

32Leer mij de dingen die ik niet kan zien;

als ik onrecht heb gepleegd, zal het niet weer gebeuren” –

33moet God het volgens jou dan toch vergelden?

Maar jij hebt zijn oordeel afgewezen!

Jij, niet ik, moet kiezen. Zeg nu wat je denkt.

34Mensen met verstand zullen mij zeggen,

en elke wijze man die naar mij luistert:

35“Job spreekt zonder kennis van zaken,

zijn woorden getuigen niet van inzicht.

36O, werd Job maar tot het uiterste beproefd,

want hij praat als iemand die op kwaad uit is.

37Hij voegt zonde toe aan zonde,

hij is opstandig waar wij bij zijn

en spreekt zich keer op keer uit tegen God.”’

35

351En Elihu vervolgde:

2‘Denk je dat het juist is om te zeggen:

“Ik sta in mijn recht tegenover God”?

3Je zegt: “Wat baat het u, God,

wat heeft het voor nut als ik niet zondig?”

4Ik zal je daarop het antwoord geven,

jou en ook je vrienden.

5Kijk eens naar de hemel

en aanschouw de wolken boven je.

6Als je zondigt, schaad je hem daarmee?

Deert het hem als je veel misstappen begaat?

7Als je rechtvaardig bent, wat geef je hem dan?

Een geschenk, dat hij uit jouw hand ontvangt?

8

35:8
Job 22:2-3
Je goddeloosheid raakt mensen als jezelf,

je rechtvaardigheid helpt anderen.

9De mensen, vertrapt als ze worden, klagen hun nood;

ze schreeuwen om hulp tegen het geweld van de machtigen.

10Maar niet één van hen zegt: “Waar is God, mijn maker,

hij die in de nacht mijn krachten herstelt,

11die aan ons meer kennis geeft dan aan de dieren op de aarde,

ons meer wijsheid schenkt dan de vogels in de lucht?”

12Ze schreeuwen, maar hij antwoordt niet,

omdat de hoogmoed van de kwaden schandelijk is.

13Maar het is schijn dat God niet luistert,

dat de Ontzagwekkende geen aandacht aan hen schenkt.

14Je zegt dat jij hem niet aanschouwt,

maar hij heeft het vonnis voor zich – hij laat je wachten.

15En eerder zal zijn woede niet bekoelen,

hij weet immers al te goed van je opstandigheid.

16Maar uit Jobs mond komt slechts lucht en leegte,

een vloed van woorden zonder kennis.’

36

361En Elihu vervolgde:

2‘Heb een ogenblik geduld, dan laat ik je zien

dat er nog veel meer over God te zeggen is.

3Mijn kennis komt uit vele bronnen

en ik zal mijn schepper recht doen.

4Want in mijn woorden steekt geen bedrog;

voor je staat een man die weet waarover hij spreekt.

5Welnu, God is machtig, maar minacht niet,

want hij is machtig door zijn oordeelskracht.

6Hij laat de goddelozen niet in leven,

de vertrapten verschaft hij recht.

7Hij wendt zijn blik niet van de rechtvaardigen af,

maar zet hen als koningen op een troon,

voor altijd, en hij geeft hun aanzien.

8En als zij met ketenen geboeid zijn,

door koorden van smart worden gekneveld,

9dan is dit om slechte daden te onthullen,

misstappen, die uit trots zijn voortgekomen.

10Hij opent hun de oren voor zijn vermaning

en zegt hun het kwaad de rug toe te keren.

11Als zij gehoorzamen en hem zullen dienen,

leven zij tot in lengte van dagen in voorspoed,

brengen zij hun jaren door in geluk.

12Gehoorzamen zij niet,

dan zullen zij de doodsrivier oversteken;

verstoken van kennis blazen ze de laatste adem uit.

13Doortrapte schurken zijn halsstarrig,

zij roepen niet om hulp wanneer hij hen knevelt.

14Voortijdig geven ze de geest,

ze eindigen als schandjongens van de tempel.

15God redt echter de vertrapten,

door ellende, tegenspoed opent hij hun de ogen.

16Ook jou lokte hij weg van het gevaar dat je benauwde,

naar een plaats waar je vrij kon ademhalen

en je tafel met vette spijzen overladen was.

17Maar jij denkt slechts aan de veroordeling van goddelozen,

al ontkom je zelf evenmin aan een geding en vonnis.

18Pas op: laat je woede je niet meeslepen,

vertrouw niet op het losgeld dat je kunt betalen.

19Zouden je rijkdommen je vrijwaren van ellende?

Al je krachtsinspanningen en al je goud?

20Verlang niet naar de nacht

die volken plotseling wegsleurt van hun plaats.

21Hoed je voor een toevlucht tot het kwaad,

verkies dat niet, maar draag je ongeluk.

22

36:22
Rom. 11:33
Hoe verheven is God in zijn macht!

Is er een tweede die leert zoals hij?

23Wie kan hem zijn weg voorschrijven,

wie zal zeggen: “U hebt kwaad gedaan”?

24Bedenk dat je zijn werk moet prijzen,

dat immers door de mensen wordt bezongen,

25door iedereen bewonderd wordt,

door iedereen van ver aanschouwd.

26Zie hoe groot God is, buiten elk begrip,

het getal van zijn jaren is ontelbaar.

27Hij schept de waterdruppels op

en zeeft de regen door zijn nevels,

28dan daalt deze uit de wolken neer,

daalt neer op alle mensen.

29Wie kan de uitgestrektheid van de wolken peilen,

het donderen dat uit zijn tent komt?

30De hemel laat hij baden in zijn licht

en hij legt het diepste van de zeeën bloot.

31Zo oordeelt hij over de volken,

zo geeft hij de mensen voedsel in overvloed.

32In beide handen neemt hij schichten

die hij op hun doelwit richt.

33Donderslagen kondigen zijn komst aan,

en ook het vee voelt dat het onweer nadert.