Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
31

311

31:1
Sir. 9:5
Mat. 5:27-29
Ik heb een verbond gesloten met mijn ogen:

nooit zal ik naar jonge vrouwen kijken.

2Wat heb ik van God in de hemel te verwachten,

wat valt mij ten deel van de Ontzagwekkende daar boven?

3Wacht de boosdoener geen rampspoed,

treft het ongeluk niet hen die onrecht doen?

4Ziet hij niet de wegen die ik ga,

telt hij niet al mijn stappen?

5Heb ik het pad van het bedrog bewandeld,

vluchtte ik ooit in de leugen?

6Laat hij mij op een eerlijke weegschaal wegen,

dan zal hij zien dat ik onschuldig ben.

7Als mijn voet is afgeweken van de goede weg,

als mijn hart heeft toegegeven aan mijn oog,

als er aan mijn hand een smet is blijven kleven,

8dan zal ik zaaien, maar anderen zullen eten,

en wat ik voortbreng zal verdelgd worden.

9

31:9-12
Spr. 6:33-35
Als mijn hart zich door een vrouw heeft laten lokken

en ik geloerd heb bij mijn buurmans deur,

10laat mijn vrouw dan koren malen voor een vreemde,

laat anderen maar bij haar liggen,

11want het zou een schanddaad zijn,

een misdrijf dat bestraft moet worden,

12een vuur dat een mens de afgrond in drijft,

dat de oogst verdelgt tot aan de wortels.

13Als ik mijn slaaf of slavin ooit hun recht ontzegd heb

wanneer wij van mening verschilden,

14wat zal ik dan beginnen als God voor mij oprijst,

en als hij mij ondervraagt – wat kan ik dan antwoorden?

15

31:15
Spr. 22:2
Maakte hij hen in de moederschoot niet net als mij,

vormde een en dezelfde ons niet eender in de moederbuik?

16Onthield ik aan de armen ooit waar ze om vroegen,

liet ik de ogen van weduwen versmachten?

17At ik mijn brood alleen,

deelde ik het niet met wezen?

18Hadden zij van kindsbeen geen vader in mij,

stond ik weduwen niet van jongs af bij?

19Als ik een zwerver zag die geen kleren had,

een verschoppeling die zich met niets kon bedekken,

20zegende hij mij dan niet met heel zijn hart,

wanneer hij zich warmde met de wol van mijn schapen?

21Als ik mijn vuisten tegen wezen heb gebald,

omdat de rechters in de poort mijn vrienden waren,

22mogen mijn schouders dan ontwricht worden

en mijn arm doormidden breken bij de elleboog –

23want één ding vrees ik: een door God gezonden ramp –

tegen zijn oppermacht ben ik niet opgewassen.

24

31:24
Ps. 49:7
52:9
Spr. 11:28
Sir. 31:5-8
Heb ik mijn hoop gevestigd op goud,

van het fijnste goud gezegd: “Daarop vertrouw ik”?

25Heb ik mij verheugd over mijn vermogen,

omdat ik eigenhandig zoveel had verworven?

26

31:26-27
Deut. 4:19
Keek ik ooit naar de zon, haar stralende licht,

naar de maan in haar wassende pracht,

27terwijl mijn hart zich heimelijk liet lokken

en ik in verering mijn mond op mijn hand drukte?

28Ook dat zou een misdrijf zijn dat bestraft moet worden,

want dan zou ik God daar boven verloochend hebben.

29

31:29
Spr. 24:17
Verheugde ik mij over de ondergang van mijn vijand,

juichte ik wanneer hij door het kwaad getroffen werd?

30Nooit heb ik mijn mond laten zondigen

door met een vloek zijn leven te verlangen.

31Zullen mijn verwanten niet getuigen:

“Ieder deed zich te goed aan het vlees van zijn kudden”?

32Geen vreemdeling liet ik buiten overnachten,

voor elke reiziger opende ik mijn deuren.

33Heb ik als anderen mijn overtredingen verhuld

en mijn zonden weggeborgen in mijn binnenste,

34omdat ik in angst en beven voor de menigte verkeerde

en de verachting van anderen mij angst aanjoeg,

zodat ik mij stilhield en geen stap naar buiten deed?

35O, wilde er maar iemand luisteren!

Ik sta in voor wat ik heb gezegd.

Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven,

laat mijn tegenstander zijn klacht boekstaven!

36Dan zou ik die op mijn schouders dragen,

als een krans zou ik hem om mijn hoofd vlechten.

37Ik kan van al mijn gangen rekenschap afleggen,

fier als een vorst treed ik hem tegemoet.

38Als mijn akkers ooit geroepen hebben om vergelding,

als uit hun voren een jammerklacht is opgestegen,

39als ik hun vruchten heb verteerd zonder te betalen

en de boeren tot wanhoop heb gebracht –

40mogen er dan dorens opschieten in plaats van tarwe

en woekerkruid in plaats van gerst.’

Hier eindigen de woorden van Job.
32

Elihu’s betoog

321Hierop wisten de drie mannen Job niets meer te antwoorden, omdat hij zichzelf als onschuldig bleef beschouwen. 2Maar toen ontbrandde de woede van Elihu, de zoon van Barachel uit Buz, uit de familie van Ram; hij ontstak in woede tegen Job, omdat deze in zijn recht meende te staan tegenover God, 3en hij ontstak in woede tegen Jobs drie vrienden, omdat ze niets tegen Job wisten aan te voeren en hem toch schuldig verklaarden. 4Elihu had gewacht tot Job was uitgesproken, omdat zij allen ouder waren dan hij. 5Maar toen hij zag dat de drie mannen niets meer wisten te antwoorden, ontbrandde zijn woede. 6En Elihu, de zoon van Barachel uit Buz, nam het woord:

‘Ik ben nog jong, en jullie zijn oud,

daarom hield ik mij stil.

In jullie bijzijn durfde ik mijn mening niet te geven.

7

32:7
Job 12:12
Sir. 25:4-6
Ik zei bij mezelf: Laat de ouderdom spreken,

laat de jaren hun wijsheid verkondigen.

8Maar het is de geest van God in de mens,

de adem van de Ontzagwekkende die inzicht brengt.

9Niet de ouderdom maakt wijs,

de jaren leiden niet vanzelf tot een juist oordeel.

10Daarom zeg ik: luister naar mij,

nu zal ook ik mijn mening geven.

11Ik heb gewacht totdat jullie waren uitgesproken;

ik heb jullie redenaties aangehoord,

tot het jullie aan woorden begon te ontbreken.

12Ik heb aandachtig geluisterd

en zag dat niemand Job terecht kon wijzen;

niemand kon weerleggen wat hij beweerde.

13Maar zeg niet: “Wij hebben de wijsheid in hem gevonden;

alleen God kan hem weerspreken, niet een mens.”

14Job heeft zijn woorden niet tot mij gericht

en ik zal hem niet op jullie manier antwoorden.

15Ze zijn verslagen, weten niets meer te zeggen;

de woorden laten hen in de steek.

16Zou ik dan wachten, nu zij niets meer zeggen

en hun zwijgen steeds langer voortduurt?

17Nu is het mijn beurt om te spreken,

ik wil ook mijn mening geven.

18Ik ben boordevol woorden,

mijn hart popelt van ongeduld.

19Mijn binnenste is als jonge wijn die niet kan ademen,

mijn buik als een volle wijnzak die bijna openbarst.

20Laat mij spreken en mijn gevoelens luchten,

ik zal het woord nemen en zeggen wat ik denk.

21Ik kies geen partij, voor niemand,

ik zal niemand naar de mond praten.

22Want ik weet dat als ik al kon vleien,

mijn maker mij onmiddellijk zou wegvagen.

33

331Welnu, Job, hoor mij aan,

luister naar wat ik te berde breng.

2Dit is wat ík te zeggen heb,

de woorden liggen op mijn tong.

3Ik zal oprecht spreken, vanuit mijn hart,

ik zal met een eerlijk oordeel komen.

4De geest van God heeft mij gemaakt,

de adem van de Ontzagwekkende doet mij leven.

5Als je daartoe in staat bent, antwoord mij;

maak je klaar voor de strijd, stel je teweer.

6

33:6
Job 10:8-9
Voor God zijn wij elkaars gelijken,

jij bent net als ik uit leem gevormd.

7

33:7
Job 13:21
Laat angst voor mij je niet verlammen,

mijn hand zal niet zwaar op je drukken.

8Welnu, ik was erbij terwijl je sprak,

ik heb gehoord hoe je woorden klonken:

9

33:9
Job 10:7
16:17
23:10
27:5
“Ik ben zuiver, ik heb niets misdaan,

ik ben rein, er kleeft geen schuld aan mij.

10

33:10
Job 13:24
19:11
30:21
Toch vindt God gronden voor een aanklacht,

hij beschouwt me als zijn vijand.

11

33:11
Job 13:27
Hij sluit mijn voeten in het blok,

hij bewaakt me waar ik ga of sta.”

12Maar je hebt ongelijk, ik zeg je:

God is de meerdere van de mens.

13

33:13
Job 19:7
30:20
Waarom beschuldig je hem,

zeg je: “Hij antwoordt niet, als iemand tot hem spreekt”?

14God antwoordt wel, op meer dan één manier,

alleen merkt de mens het niet op.

15

33:15-17
Gen. 20:3
Dan. 4:2
33:15
Job 4:12-13
In de dromen en visioenen van de nacht,

in de tover van de diepste slaap,

of wanneer hij ligt te sluimeren,

16opent God de oren van de mens

en laat hem schrikken33:16 laat hem schrikken – Volgens de Septuaginta. MT: ‘verzegelt’. – een waarschuwing

17om hem af te houden van een slechte daad,

om hem voor hoogmoed te vrijwaren.

18Hij behoedt hem voor de val in de afgrond,

voor het oversteken van de doodsrivier.

19Of de pijn op zijn ziekbed wijst hem terecht,

de nooit aflatende strijd in zijn lichaam,

20

33:20
Ps. 107:18
waardoor hij geen voedsel verdraagt

en walgt van zijn lievelingsgerecht.

21

33:21
Job 19:20
Hij teert weg tot een schim van zichzelf,

en zijn botten, eerst onzichtbaar, steken uit.

22Hij kruipt naar de afgrond,

nadert de herauten van de dood.

23Maar als hij een pleitbezorger heeft,

een die zijn voorspraak is, één uit duizenden,

om van zijn onschuld te getuigen,

24en als God hem welgezind is en zegt:

“Laat niet toe dat hij in de afgrond afdaalt,

ik heb een losgeld voor hem verkregen,”

25

33:25
Ps. 103:5
dan krijgt hij weer vlees op zijn botten als vroeger

en keert hij terug naar de kracht van zijn jeugd.

26Hij bidt weer tot God en God is hem gunstig gezind,

hij roept het uit van vreugde en verschijnt voor hem,

want hij wordt door God in ere hersteld.

27Dan zingt hij het uit en zegt tegen ieder:

“Ik heb gezondigd, wat recht is maakte ik krom,

maar het werd mij niet aangerekend.

28Hij redde mij van de val in de afgrond,

opdat ik zal leven en van het licht genieten.”

29Zie, dit alles doet God,

tot twee-, driemaal toe doet hij dit voor de mens:

30hij haalt hem weg van de afgrond

en het licht van het leven omstraalt hem.

31Let goed op, Job, luister aandachtig;

wees stil en laat mij spreken.

32Als je iets te zeggen hebt, antwoord dan,

spreek – moge het recht aan jouw kant staan.

33Als je niets te zeggen hebt, luister dan,

wees stil – laat mij jou de wijsheid leren.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]