Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
24

241Waarom kent de Ontzagwekkende de tijd van alle dingen,

maar weten zij die hem vereren nooit wanneer hij ingrijpt?

2

24:2
Deut. 27:17
Er zijn mensen die grensstenen verplaatsen,

die kudden stelen en ze weiden als de hunne.

3Ze drijven de ezel van de wezen weg,

ze nemen van de weduwe haar os als onderpand.

4De armen worden van het pad gedrongen,

de behoeftigen kruipen bij elkaar.

5Kijk, als wilde ezels in de woestijn

trekken ze uit, op zoek naar voedsel,

want de wildernis moet hun kinderen te eten geven.

6Van andermans veld oogsten ze de resten,

in de wijngaard van de goddelozen plukken ze de laatste druiven.

7

24:7
Deut. 24:12-13
Naakt brengen ze de nacht door, zonder bovenkleed,

door niets tegen de kou beschermd.

8Ze raken doorweekt van onweersbuien in de bergen,

geen schuilplaats vindend klampen ze zich aan de rotsen vast.

9De goddelozen rukken de wees los van de moederborst,

de armen nemen ze hun kinderen af als onderpand.

10Naakt lopen ze rond, zonder bovenkleed;

ze helpen, hongerend, de schoven binnenhalen.

11Midden op de dag staan ze in de wijngaard

en treden, door dorst gekweld, de wijnpers.

12Het gekerm van stervenden stijgt op uit de stad,

hartverscheurend roepen gewonden er om hulp,

maar God bekommert zich niet om hun ellende.

13

24:13
Joh. 3:20
De goddelozen zijn de vijanden van het licht,

zij willen zijn wegen niet kennen

en weigeren zijn pad te volgen.

14Voor het dag wordt, staat de moordenaar op

om de arme en behoeftige te doden;

als een dief sluipt hij door de nacht.

15

24:15
Spr. 7:9-10
De echtbreker wacht de avondschemer af,

hij denkt: Geen oog zal mij nu herkennen,

en bedekt zijn gezicht met een masker.

16In het donker dringen zij de huizen binnen;

na zonsopgang houden zij zich schuil

om aan het daglicht te ontsnappen.

17Het diepste duister is voor hen als de ochtend –

ze zijn met zijn verschrikkingen vertrouwd.

18Maar ze zijn onbestendig als schuim op het water,

hun bezit wordt door ieder in het land vervloekt;

niemand slaat de weg in naar hun wijngaarden.

19Zoals droogte en hitte smeltwater doen verdwijnen,

zo rukt het dodenrijk hen die gezondigd hebben weg.

20Zelfs de moederschoot kent hen niet meer;

de wormen doen zich aan hen te goed.

Hun namen raken in vergetelheid –

als een boom wordt hun misdadigheid geveld.

21Ze mishandelen de vrouwen, die onvruchtbaar worden,

ze staan de weduwen niet bij.

22Maar God grijpt de sterken aan, met al zijn kracht,

de goddelozen richten zich op, ze zijn hun leven niet zeker.

23Hij laat hun een schijn van veiligheid waarop ze steunen,

maar geen van hun daden ontsnapt aan zijn blik.

24Kort duurt hun voorspoed – dan zijn ze er niet meer,

ze verschrompelen als melde in de knop,

worden als korenaren afgesneden.

25Is dit niet zo? Kan iemand mij een leugenaar noemen

en mijn woorden als onwaar bestempelen?’

25

Bildads derde betoog

251Toen nam Bildad uit Suach het woord:

2‘Heersen en ontzetting zaaien – dat is God,

tot in de hoogste hemel dwingt hij vrede af.

3Zijn de troepen van zijn leger niet ontelbaar?

Kan iemand zich verbergen voor zijn licht?

4

25:4
Job 4:17
15:14
Kan een mens zich gedragen zoals God het wil,

kan een mens, geboren uit een vrouw, ooit zuiver zijn?

5Voor God schijnt zelfs de maan niet helder,

zelfs de sterren zijn onzuiver in zijn ogen.

6Wat vermag dan de mens, een worm slechts,

wat kan het mensenkind, een made!’

26

Jobs antwoord op Bildads derde betoog

261Hierop antwoordde Job:

2‘Heb jij dan hulp geboden aan de machteloze,

heb jij de arm gesteund die het aan kracht ontbrak?

3Wat heb jij tegen hem gezegd die de wijsheid mist,

heb jij goede raad gegeven aan de onervarenen?

4

26:4
1 Kon. 22:22
En wie heeft jou je woorden ingefluisterd,

wiens geest spreekt door jouw mond?

5De schimmen worden aan het sidderen gebracht,

de onderaardse wateren en hun bewoners.

6

26:6
Ps. 139:8
Spr. 15:11
Het dodenrijk ligt open voor hem:

niets in de afgrond blijft verborgen.

7

26:7
Job 38:6
Hij strekt het noorden uit boven de woeste leegte,

en hangt de aarde op – boven het niets.

8Hij laat de wolken zwellen van het water,

maar ze splijten niet onder hun gewicht.

9Hij bedekt de aanblik van zijn troon

en spreidt er een wolk over uit.

10

26:10
Gen. 1:7
Hij trekt een cirkel rond de wateren,

langs de verste grens van licht en duisternis.

11De hemelzuilen schudden heen en weer

en zijn verbijsterd, zo vervaarlijk is hij.

12Met zijn kracht doet hij de zee bedaren

en met zijn vaardigheid verdelgt hij Rahab.

13

26:13
Jes. 27:1
Met zijn adem blaast hij de hemel schoon,

zijn hand doorboort de kronkelende slang.

14En dat is nog maar het minste van zijn kunnen;

wij vangen van zijn woorden slechts gefluister op.

Wie kan de donder van zijn kracht bevatten?’